3e. Dat de nooit afzonderlijk geoefende vingers alle onderlinge

beweeglijkheid verloren hebben, zich vereenigd hebben en slechts tot

gemeenschappelijk buigen en strekken in staat blijven.

4e. Dat door telkens weer omvatten van stam of dikke takken de

dijen gaandeweg ver uit elkaar zijn gaan wijken, hetgeen zal hebben

bijgedragen tot bekkenverwijding en tot verplaatsen van de bekkenholte

naar achteren.

5e. Dat tenslotte een groot aantal beenderen samengesmolten zijn

en een gesteldheid en gedaante verkregen hebben, overeenkomstig de

gewoonten dezer dieren, met uitsluiting van alle andere.

Dit staat onweersprekelijk vast, gelijk dan ook inderdaad de natuur ons

in duizend andere gevallen doorloopend overeenkomstige voorbeelden

laat zien van den invloed der omstandigheden op de gewoonten en

van deze weer op vorm, gesteldheid en verhoudingen der dierlijke

lichaamsdeelen.--Daar het opsommen van meer aanhalingen echter volkomen

overbodig is zetten wij hier het hoofdpunt van de discussie nog eens

kortelijk uiteen.

Een feit is, dat naar gelang van geslacht en soort de verschillende

dieren elk bijzondere gewoonten hebben en een daarmee volmaakt

overeenstemmende organisatie.--Uit de beschouwing daarvan kan men

naar believen een dezer twee--beide onbewijsbare--gevolgtrekkingen

afleiden, t.w.:

_Tot nu toe aangenomen conclusie_: bij het voortbrengen der dieren

heeft de natuur (of haar schepper) alle mogelijke levensomstandigheden

voorzien en aan iedere soort een standvastige bewerktuiging en in

allen deele bepaalden, onveranderlijken vorm gegeven, die hen dwong

te leven in huidige woonplaatsen en klimaten en hier hun geijkte

gewoonten getrouw te blijven.

_Mijn eigen conclusie_: bij het achtereenvolgens voortbrengen van alle

diersoorten heeft de natuur, door met de eenvoudigste te beginnen en

met de meest volkomene te eindigen, hunne bewerktuiging trapsgewijze

gecompliceerd. En bij de algemeene verspreiding over alle bewoonbare

streken van den aardbol heeft elke soort onder invloed der omringende

omstandigheden--van lieverlede--hare huidige gewoonten verkregen en

zijn hare organen tot hun tegenwoordigen staat omgevormd.

De eerste dezer beide gevolgtrekkingen wordt tot heden vrijwel

algemeen aangenomen. Naast onveranderlijke organisatie der dieren,

neemt zij aan, dat de omstandigheden hunner woonplaatsen zich nimmer

wijzigen. Want indien dat wel het geval ware, zouden dezelfde dieren

er niet meer kunnen leven; en de mogelijkheid om elders overeenkomstige

omstandigheden op te kunnen zoeken stond nog te bezien.

De tweede gevolgtrekking is mijn eigene. Zij veronderstelt,

dat onder invloed der gewoonten--middellijk veroorzaakt door de

omstandigheden--de organische omstandigheden bij elk dier verstrekkend

gewijzigd kan worden en tot hun huidigen toestand gebracht zijn.

Om deze laatste opvatting te ontzenuwen valt eerst te bewijzen,

dat elk punt van het aardoppervlak zichzelf in aard, betrekkelijke

gesteldheid, klimaat, enz. steeds gelijk blijft, en vervolgens, dat

geen enkel dierlijk orgaan, zelfs na een lang tijdsverloop, ooit eenige

wijziging ondergaat door het veranderen der omstandigheden en door

de noodzaak, die hen dwingt tot anderen handel en wandel dan de gewone.

Indien nu ook maar in een enkel geval een sinds lang getemde

diersoort afwijkt van den stamvorm en men bij zoo'n huisdier een

groote individueele vormverscheidenheid aantreft naar gelang van

de verschillende hun aangewende gewoonten, dan strookt voorzeker

de eerste conclusie volstrekt niet met de natuurwetten, de tweede

daarentegen wèl.

Alles wijst dus in de richting van mijn opvatting, t.w., dat

geenszins de dierlijke lichaamsvormen aanleiding geven tot de

gewoonten en levenswijzen, maar deze laatste integendeel, met alle

andere invloedrijke omstandigheden, mettertijd de gestalte der

dieren in allen deele bewerkstelligd hebben. Tegelijk met de nieuwe

vormen werden nieuwe vermogens verkregen en gaandeweg is de natuur

al omvormend tot de huidige dieren gekomen.

Kan er in de natuurlijke historie wel een gewichtiger beschouwing

bestaan en onze aandacht meer waard zijn dan deze zoo juist

uiteengezette?

CHAPTER VIII

Hoofdstuk VIII

Over de natuurlijke Orde der Dieren en hoe hunne indeeling daarmee

te doen overeenstemmen.

Ik heb in hoofdstuk V reeds opgemerkt, dat het wezenlijke doel van

een indeeling der dieren zich onzerzijds niet moet bepalen tot het

bezit van een lijst van klassen, geslachten en soorten, maar dat zij

door hare rangschikking tegelijk een uitstekend hulpmiddel bij de

studie van de natuur moet zijn en het meest geschikt om ons haar loop,

middelen en wetten te doen kennen.

Intusschen schroom ik niet te zeggen, dat onze algemeene zoölogische

systemen in tegengestelde volgorde gerangschikt zijn als die van de

natuur zelf bij het tot aanzijn roepen van hare verschillende levende

schepselen gevolgd; zoodat, als wij, naar oud gebruik, voortschrijden

van de meer samengestelde tot de meer eenvoudige, wij het begrijpen van

den vooruitgang in organisatie bemoeilijken, waardoor we de oorzaken

daarvan alsmede zijn onderbrekingen minder gemakkelijk vatten.

Als men het nut, ja, de onontbeerlijkheid voor een gesteld doel van

een bepaald ding erkend heeft, en er is geen ongerief aan verbonden,

dan moet men zich haasten het uit te voeren, ofschoon het niet in

gebruik moge zijn.--Zoo nu is het geval met de aan de _algemeene

indeeling_ der dieren te geven _rangschikking_.

Zoo zullen wij zien, dat het volstrekt niet onverschillig is, met

welk einde die indeeling begint, en dat het niet aan onze keuze

is overgelaten.

Het tot op den huidigen dag gevolgde gebruik om de meest volkomen

dieren aan het hoofd der rij te zetten en de onvolkomenste en

eenvoudigste aan het lage einde vindt zijn oorsprong eenerzijds in

onze neiging om steeds den voorkeur te geven aan de zaken, die ons

het meest treffen, behagen of belang inboezemen; anderzijds doordat

men liever van het bekendere naar het minder bekende voortschrijdt.

In den aanvang van de studie der natuurlijke historie lieten deze

overwegingen zich ongetwijfeld zeer wel hooren; thans echter moeten

zij wijken voor de behoeften der wetenschap en in het bijzonder voor

zulke, die de kennis der natuur bevorderen.

Indien wij ook al door het groote aantal en de verscheidenheid der

dieren in de natuur ons niet kunnen vleien, nauwkeurig de werkelijke

volgorde te kennen, die zij bij hunne voortbrenging heeft gevolgd,

zoo is toch diegene, die ik straks ga uiteenzetten, waarschijnlijk van

de hare een vrij getrouw beeld: ons gezond verstand en alle verzamelde

kennis spreken daarvoor.

Inderdaad, als het waar is, dat alle levende wezens

natuurvoortbrengselen zijn, kan men niet weigeren te gelooven, dat

de natuur deze slechts achtereenvolgens heeft kunnen voortbrengen,

en niet alle tegelijkertijd in een ondeelbaar oogenblik. Als dat

zoo is heeft men ook alle reden te denken, dat zij alleen met

de eenvoudigste begonnen is en pas in de laatste plaats de meest

samengestelde organismen van dieren- of plantenrijk.

De botanici hebben aan de zoölogen het eerste voorbeeld gegeven van

de werkelijke rangschikking, die men in de algemeene indeeling moet

aanwenden om de Orde der natuur zelve voor te stellen. Want met de

_acotyledones_ of _agamen_ vormen zij de eerste klasse der planten,

d.w.z. met de eenvoudigst georganiseerde en in alle opzichten meest

onvolkomen planten die in het geheel geen zaadlobben en vaten in hun

weefsels hebben; wier geslacht niet is uit te maken en die eigenlijk

slechts uit celweefsels zijn samengesteld, dat in de verschillende

uitbreidingen eenigszins gewijzigd is.

Wat de plantkundigen gedaan hebben voor de gewassen, dat moeten

wij doen voor de dieren; niet alleen, omdat de natuur zelf het zoo

aanwijst, en de rede het wil, maar ook, omdat de natuurlijke volgorde

der klassen volgens toenemend-samengestelde bewerktuiging bij de

dieren vrij wat gemakkelijker is uit te maken dan bij de planten.

Terwijl deze orde beter de natuurlijke zal weergeven, zal zij de studie

der voorwerpen veel gemakkelijker maken, de dierlijke organismen

en hun voortschrijdende samenstelling van klasse tot klasse beter

doen kennen en nog beter de betrekkingen laten zien tusschen de

verschillende graden van dierlijke organisatie en de uitwendige

kenmerken, die wij meest gebruiken om de klassen, orden, families,

geslachten en soorten te karakteriseeren.

Ik voeg aan deze beide beschouwingen, die niet ernstig bestreden kunnen

worden nog toe, dat als de natuur die de organismen niet eeuwigdurend

heeft kunnen maken, hun niet het vermogen tot de voortplanting [27]

gegeven had, zij dan alle soorten direct had moeten voortbrengen,

waarbij zij het echter maar tot een enkel dier en plant,--n.l. de

allereenvoudigste van beide--zou gebracht hebben.

Bovendien, indien de natuur aan de handelingen van het organisme niet

het vermogen gegeven had, om zichzelf hoe langer hoe samengestelder

te maken, door de kracht der vloeistof-beweging--en daardoor van de

organen zelf--te doen toenemen en indien ze de verkregen verbeteringen

en vooruitgang in bewerktuiging niet door de _voortplanting_

vastgehouden had, dan zou ze zeker nooit die oneindig groote

verscheidenheid van _dieren en planten_ voortgebracht hebben.

Zij heeft ten slotte niet maar dadelijk bij het eerste begin de

functies van de allerhoogste dieren kunnen scheppen; want deze hebben

slechts plaats met behulp van een zeer ingewikkeld stelsel van organen,

en het bestaan hiervan heeft zij langzamerhand moeten voorbereiden.

Om dus tot den tegenwoordigen stand van zaken in de levende natuur

te geraken, heeft de Natuur slechts spontaan,--d.w.z. zonder hulp

van eenig organisch proces--de allereenvoudigste organismen behoeven

voort te brengen; en zij brengt ze ook nog thans voort, ter gelegener

plaats en tijd. Door nu aan de zelf-geschapen wezens de vermogens te

geven, zich te voeden, te groeien, zich voort te planten en telkens

den verkregen vooruitgang in hun organisatie vast te leggen, en

vervolgens die eigenschappen op alle voortgebrachte nakomelingen

over te dragen, zijn mettertijd door de enorme verscheidenheid van

de altijd wisselende omstandigheden, al die klassen en orden van de

levende wereld achtereenvolgens in aanzijn geroepen.

Met de _trapsgewijze opklimming_, die stellig bestaat in de toenemende

samengesteldheid van de organisatie der dieren en zoowel in het

aantal als in de volmaking hunner functies, verkondigt men verre van

een nieuwe waarheid, want reeds de Grieken merkten haar op [28],

maar zij konden er de beginselen en bewijzen nog niet van geven,

omdat het hun aan de daartoe noodige kennis ontbrak.

Tot recht begrip van de beginselen, die mij geleid hebben bij het

overzicht der dieren, dat ik zoo dadelijk zal geven en om beter die

bewuste opklimming te doen gevoelen heb ik de organisatie-systemen

over het geheele dierenrijk in zes graden verdeeld, die duidelijk

van elkaar zijn onderscheiden.

Van deze zes omvatten de eerste vier de _ongewervelde_ dieren en

daarmee de eerste tien klassen volgens onze nieuwe indeeling. De

laatste twee daarentegen bevatten de _vertebraten_, dus de laatste vier

(of vijf) dierklassen.

Met behulp van dit middel zal men gemakkelijk den door de natuur

gevolgden loop bij de voortbrenging van hare dieren kunnen volgen en

langs de geheele reeks de verworven verbeteringen in bewerktuiging

onderscheiden en overal zoowel de nauwkeurigheid der indeeling als

het gepaste der toegekende rangen controleeren door onderzoek van de

betreffende kenmerken, enz.

Zoo geef ik al meerdere jaren college over de evertebraten, waarbij

ik altijd van het min- tot het méér-samengestelde schrijd.

Teneinde de gesteldheid in allen deele van de algemeene reeks der

dieren in haar verband des geheels beter weer te geven willen wij eerst

een tabel opstellen van de veertien klassen van het dierenrijk, waarbij

wij ons bepalen tot een zeer eenvoudige schets van hun eigenschappen

en de trappen van bewerktuiging waarop zij staan.

Tabel I Van de trapswijze indeeling en classificatie der dieren zoo

nauw mogelijk volgens hunne Natuurlijke Orde

ONGEWERVELDE DIEREN

------

TABLE

|_Klassen_

|I INFUSORIA. (AFGIETSELDIERTJES).

Vormlooze dieren, zich voortplantende door deeling of knopvorming;

het lichaam geleiachtig, doorzichtig en homogeen, samentrekbaar

en microscopisch klein; geenerlei straalsgewijze tentakels of

rondwielende aanhangsels; geen enkel bijzonder orgaan, zelfs niet

voor de spijsvertering.

|Ien GRAAD: Geen zenuwen; geen vaten; geen andere inwendige organen

dan die voor de spijsvertering.

|II POLYPI. (POLIEPEN).

Voortplanting door knopvorming; lichaam tot zelfherstelling geschikt

en zonder andere inwendige organen dan een spijsverteringskanaal met

één enkele opening.

Mond eindstandig, straalsgewijze omgeven van tentakels of voorzien

van gewimperde, rondwielende aanhangselen.

De meeste vormen samengestelde kolonien.

|III RADIATA. (STRAALDIEREN).

Vrijlevend en oneigenlijke eieren leggend; het lichaam tot

zelfherstelling in staat. Geen kop, oogen of gelede pooten, de deelen

straalsgewijze gerangschikt. Mond onderstandig.

|IIen GRAAD: Geen overlangsche ganglieketen; geen vaten voor

den bloedsomloop; eenige inwendige organen buiten die voor de

spijsvertering.

|IV VERMES. (WORMEN).

Oneigenlijke eieren leggend; lichaam als zoodanig tot de voortbrenging

geschikt, zonder gedaanteverwisselingen en nooit met oogen of gelede

pooten; geen straalsgewijze rangschikking der inwendige deelen.

|V INSECTA (GEKORVEN DIEREN).

Eierleggend, een gedaanteverwisseling ondergaande en in volkomen

toestand met oogen in den kop, zes gelede pooten en zich allerwege

vertakkende luchtbuizen; een enkele bevruchting in den loop van

het leven.

|IIIen GRAAD: Zenuwen eindigende in een overlangsche ganglieketen;

ademhaling door luchthoudende tracheeën; geen of onvolkomen

bloedsomloop.

|VI ARACHNIDA(SPINACHTIGEN).

Eierleggend, altijd met gelede pooten en oogen in den kop, en

geen gedaanteverwisseling ondergaande. Beperkte tracheeën voor de

ademhaling; een begin van bloedsomloop; verscheidene bevruchtingen

in den loop van het leven.

|VII CRUSTACEA(SCHAALDIEREN)

Eierleggend, met geleed lichaam en pooten, verschaalde huid, oogen

in den kop en meestal vier sprieten; ademhaling door kieuwen; een

overlangsche ganglieketen.

|IVen GRAAD: Zenuwen eindigende in hersenen of een ganglieketen;

ademhaling met kieuwen; aders en slagaders voor den bloedsomloop.

|VIII ANNELIDA (RINGWORMEN).

Eierleggend met verlengd en geringd lichaam; geen gelede pooten;

oogen bij uitzondering; ademhaling door kieuwen; een ganglieketen.

|IX CIRRHIPEDIA (RANKPOOTIGEN).

Eierleggend met een mantel en gelede armen waarvan de huid hoornachtig

is; geen oogen; ademhaling met kieuwen; een ganglieketen.

|IVen GRAAD: Zenuwen eindigende in hersenen of een ganglieketen;

ademhaling met kieuwen; aders en slagaders voor den bloedsomloop.

|X MOLLUSCA (WEEKDIEREN).

------

Eierleggend met week, ongeleed lichaam en een mantel van

verschillenden vorm; ademhaling door kieuwen, die in ligging en vorm

zich onderscheiden; noch ruggemerg, noch ganglieketen maar de zenuwen

eindigen in hersenen.

GEWERVELDE DIEREN

------

TABLE

|_Klassen_

|XI PISCES (VISSCHEN).

Eierleggend zonder melkklieren; ademhaling volkomen en altijd door

kieuwen; een begin van (2 of 4) ledematen; voortbeweging door vinnen;

huid zonder veeren of haar.

|Ven GRAAD: Zenuwen eindigend in hersenen, die de schedelholte _niet_

vullen; hart met een boezem en koud bloed.

|XII REPTILIA (KRUIPENDE DIEREN).

Eierleggend zonder melkklieren; ademhaling onvolkomen, meest door

longen, hetzij ten allen tijde, hetzij alleen in volwassen staat;

ledematen vier of twee of geen; geen haren noch veeren op de huid.

|XIII AVES (VOGELS).

Eierleggend en zonder melkklieren; vier gelede pooten waarvan twee tot

vleugels omgevormd; volkomen ademhaling door vastgehechte, doorboorde

longen; veeren op de huid.

|VIen GRAAD: Zenuwen eindigend in hersenen die de schedelholte geheel

vullen; hart met twee boezems en warm bloed.

|XIV MAMMALIA (ZOOGDIEREN).

------

Levendbarend met melkklieren; vier gelede pooten, soms echter

twee; volkomen ademhaling met ondoorboorde longen. Lichaam althans

gedeeltelijk behaard.

De gesteldheid van deze klassen is van dien aard, dat men altijd

gedwongen zal zijn, zich er mee te vereenigen(†), zelfs al zou men

hun onderlinge scheidslijnen verwerpen; en wel, omdat zij gegrond is

op organisatie van de betreffende levende wezens. En een beschouwing

daarvan legt de betrekkingen bloot tusschen de samenstellende elementen

van elke afdeeling en den rang van elk harer in de geheele reeks.

Men zal nooit deugdelijke motieven kunnen aanvoeren, om deze indeeling

in haar geheel te veranderen, wegens de zoo juist opgenoemde

redenen. Maar men zal de onderdeelen kunnen wijzigen, vooral de

onderafdeelingen van de klassen, wijl de betrekkingen tusschen de

daaraan ondergeschikte dieren moeilijker te bepalen zijn en aan

grooter willekeur onderworpen.

Om nu beter te doen gevoelen, hoezeer onze indeeling der dieren

overeenkomt met de natuurlijke Orde zelve, ga ik een uiteenzetting

geven van de _algemeene reeks_ der bekende dieren en hare voornaamste

afdeelingen, daarbij voortschrijdende van het eenvoudigere tot het

samengesteldere, volgens ons boven genoemde richtsnoer.

Mijn oogmerk zal daarbij zijn den lezer in staat te stellen om den

rang te leeren kennen, dien de in dit werk meermalen genoemde dieren

in de reeks innemen, en hem de moeite te besparen zich daarvoor tot

andere dierkundige werken te wenden.

Intusschen zal ik hier slechts een eenvoudige lijst geven van de

_geslachten_ en alleen de voornaamste afdeelingen; maar deze zal

voldoende zijn om de uitgebreidheid van de algemeene reeks te laten

zien, het natuurlijke van hare rangschikking en het dwingende van

de plaatsing der _klassen_, _orden_ en wellicht ook van de families

en _genera_. Men voelt wel, dat de bijzonderheden van alle genoemde

voorwerpen in onze goede werken over zoölogie moèten bestudeerd worden,

aangezien de behandeling daarvan in dit boek niet op mijn weg lag.

TABEL II, ALGEMEENE INDEELING DER DIEREN

IN EEN REEKS VOLGENS DE NATUURLIJKE ORDE ZELVE

ONGEWERVELDE DIEREN (EVERTEBRATA)

Zij hebben geen wervelkolom en bijgevolg ook geen skelet; voor zoover

er steunende elementen voor de beweging der deelen zijn, liggen deze

onder de huid. Een ruggemerg ontbreekt, en de bewerktuiging laat een

groote verscheidenheid van vormen zien.

ORGANISATIE VAN DEN Ien GRAAD

(_Infusoren en Polypen_)

Zie tabel I (boven) [29]

KLASSE I INFUSORIA.

Zie tabel I

_Opmerkingen._

Van alle bekende dieren zijn de afgietseldiertjes het meest onvolkomen

en eenvoudigst georganiseerd en het armst aan vermogens; voelen doen

zij zeer zeker niet.

Oneindig klein, geleiachtig, doorzichtig, samentrekbaar, bijna

homogeen en niet in staat tot het voeren van eenig bijzonder orgaan

door de al te zwakke gesteldheid van hun deelen staan de _infusoren_

inderdaad niet meer dan in den voorhof van het dier-zijn.

Deze teere diertjes zijn de eenige, die zich voeden zonder eigenlijke

spijsvertering(†), maar door de absorptie der huidporiën en inwendige

opzuiging. In dat opzicht gelijken zij op de _planten_, wier organische

bewegingen voorts ook slechts geschieden door prikkeling van buiten

af. De _infusoren_ echter zijn prikkelbaar, contractiel en volvoeren

plotselinge bewegingen die telkens herhaald kunnen worden, hetgeen

hen van de gewassen onderscheidt.

OVERZICHT DER INFUSORIËN

ORDE I, INFUSORIA NUDA

_Zonder uitwendige aanhangselen._

Monas (Amoebe).

Volvox (Boldiertje).

Proteus.

Vibrio.

Bursaria.

Colpoda.

ORDE II. INFUSORIA APPENDICULATA

_Met uitspringende deelen als haren, hoornachtige uitsteeksels of

een staart._

Cercaria.

Trichocerca. (Een zuigwormlarve).

Trichoda.

_Opmerking._

De monade, vooral "Monas termo" is het onvolkomenste en eenvoudigste

van alle bekende dieren, vermits het uiterst kleine lijfje slechts

bestaat uit een geleiachtig, doorzichtig maar samentrekbaar punt. Met

dit wezentje moet dus de volgens de natuurlijke Orde gerangschikte

reeks der dieren beginnen.

KLASSE II. POLYPI

Zie Tabel I.

_Opmerkingen._

Bij de _infusoren_ hebben wij uiterst kleine dierkens gezien, wier

teere lichaamsbouw alle stevigheid of bijzonderen vorm mist en

bijgevolg ook een duidelijken mond en spijsverteringskanaal.

De _polypen_ echter, ofschoon nog zeer eenvoudig georganiseerd,

zijn toch niet zoo onvolkomen meer als de infusoria. De bewerktuiging

heeft kennelijke vorderingen gemaakt; want reeds heeft de natuur voor

de betreffende dieren een standvastig-regelmatigen vorm verkregen;

reeds zijn alle voorzien van een speciaal spijsverteringsorgaan en

derhalve van een mond, den ingang van den spijsverteringszak.

Om een idee te krijgen van een _polyp_ stelle men zich voor: een

klein, langwerpig lichaam, geleiachtig en zeer prikkelbaar met aan het

boveneinde een mond, voorzien van raderorganen of wel van uitstralende

tentakels, en welke toegang geeft aan een spijsverteringskanaal zonder

verdere uitgangen. Als men hieraan toevoegt de onderlinge verkleving

van verscheidene dezer lichaampjes, die aan een gemeenschappelijk

leven deel hebben zal men het meest kenschetsende en opmerkelijke

omtrent hen weten.

De _polypen_ zijn, als hebbende geen gevoelszenuwen noch aparte

ademhalingsorganen noch bloedvaten, lager bewerktuigd dan de volgende

dierklassen.

OVERZICHT VAN DE POLYPEN

ORDE I. RADERPOLYPEN (ROTIFERI)

_Mond met trilhaar- en rader-organen._

Urceolaria.

Brachionus?

Vorticella. (klokdiertje, een infusorium).

ORDE II. POLYPEN MET POLYPENSTOK

_Hebben rondom den mond straalsgewijze voelarmen en zijn bevestigd

op een polypenstok, die niet in het water zweeft._

_1. Stok vliezig of hoornachtig, zonder duidelijke schors_ [30].

Cristatella (Mosdiertje).

Plumatella (Mosdiertje).

Tubularia (Pyppoliep).

Sertularia (Zeemos).

Cellularia (Mosdiertje).

Flustra (Hoornwier).

Cellepora.

Botryllus (Geleikorst [31]).

_2. Stok met een hoornachtige as, door schors bedekt._

Acetabulum. [32]

Corallina.

Spongia (Spons).

Alcyonium (Doomansduim).

Antipathes (Zwart koraal).

Gorgonia (Hoornkoraal).

_3. Stok met geheel of gedeeltelijk versteende as en bedekt door een

schorsachtige korst._

Isis (Wit koraal).

Corallium (Edel koraal).

_4. Stok geheel versteend en zonder schors._

Tubipora (Orgelkoraal).

Lunulites.

Ovulites.

Siderolites.

Orbulites.

Alveolites.

Ocellaria.

Madrepora. (Sponskoraal).

Caryophyllia (Bekerkoraal).

Turbinolia (Solitair koraal).

Fungia (Zwamkoraal).

Pavonia.

Eschara (Mosdiertje).

Retepora (Netkoraal) [33].

Millepora (Hydrokoraal).

Argaricia.

Maeandrina (Hersenkoraal).

Astraea. (Sterkoraal).

Cyclolites.

Dactylopora.

Virgularia. (Lichtend diepwaterkoraal).

ORDE III. DRIJVENDE POLYPEN

_Stok vrij, verlengd en in het water drijvend met hoorn- of beenachtige

as, bedekt met een voor alle polypen gemeenschappelijk week gedeelte;

tentakels straalsgewijze om den mond._

Funiculina.

Veretillum.

Pennatula (Zeeveder).

Encrinus. (Zeelelieachtige Zeeveders)

Umbellula(ria).

ORDE IV. NAAKTE POLYPEN

_De vaak veelvoudige voelarmen stralen van den mond uit. Stok

ontbreekt._

Pedicellaria.

Coryne.

Hydra (Zoetwaterpoliep).

Zoanthus. (Zeeanemonen)

Actinia. (Zeeanemonen)

ORGANISATIE VAN DEN IIen GRAAD

Zie Tabel I

(_Straaldieren en wormen_)

KLASSE III. RADIATA (STRAALDIEREN)

_Vrijlevende dieren met knop-achtige eieren; lichaam in staat tot

regeneratie, zoowel in- als uitwendig straalsgewijs gebouwd. Een

samengesteld spijsverterend orgaan en onderstandige, enkel- of

meervoudigen mond._

_Opmerkingen._

Zoölogische Philosophie Of beschouwingen over de Natuurlijke Historie der dieren etc. · 第 12 / 16 段