Maar laat ons, inplaats van ons met de algemeenheden tevreden

te stellen--die wellicht hypothetisch te noemen waren--de feiten

direct onderzoeken en de gevolgen nagaan van gebruik of onbruik

der dierlijke organen op henzelve, overeenkomstig de aan elke soort

opgedrongen gewoonten--Ik zal dus bewijzen, dat aanhoudend gemis aan

oefening een lichaamsdeel knotwiekt, het gaandeweg doet verworden en

eindelijk verdwijnen als dat onbruik zich lang achtereen voortzet bij

de achtereenvolgende geslachten van de betreffende soort. Vervolgens

zal ik echter aantoonen, dat bij elk dier, dat het eindpunt van

reductie nog niet bereikt heeft, de gewoonte, een orgaan te oefenen,

hetzelve niet alleen verbetert en de functie verrijkt, maar bovendien

een ontwikkeling en afmetingen doet verkrijgen, die het onmerkbaar

doen wijzigen, zoodat het mettertijd sterk gaat afwijken van hetzelfde,

doch minder gebruikte orgaan bij een ander dier.

_Een tot gewoonte geworden voortdurend onbruik doet een orgaan

geleidelijk aan verarmen en vernietigt het ten slotte volkomen._

Daar een dergelijke stelling slechts op voldoende bewijs kan worden

toegegeven en niet op eenvoudige uitspraak, zoo willen wij haar

bepleiten door de voornaamste bekende, bewijskrachtige feiten aan

te voeren.

De gewervelde dieren, wier schema overal vrijwel eender is, ondanks

de vele verschillen in onderdeelen, hebben kaken, bewapend met

_tanden_. Diegene intusschen, die door de omstandigheden de gewoonte

hebben aangenomen, hun prooi _ongekauwd_ in te slikken, ontwikkelen

daarmee hun tanden niet. Dan zijn deze òf tusschen de beenplaten

der kaken verborgen gebleven zonder naar buiten te kunnen komen,

òf zijn zelfs reeds in hun aanleg vernietigd.

Bij den walvisch (Balaena), dien men geheel verstoken van tanden

waande, heeft _Geoffroy_ deze bij het _foetus_ aangetroffen, in de

kaken verborgen. Bij vogels heeft deze hoogleeraar voorts de groeve

gevonden, waarin de tanden moesten staan; maar henzelf ziet men er

niet meer in.

Bij de klasse der zoogdieren, die de hoogst ontwikkelde levende wezens

bevat,--in de eerste plaats diegene, waarin het organisatieplan der

vertebraten het volledigst is uitgevoerd,--is niet alleen de walvisch

tandeloos, maar ook de miereneter (_Myrmecophaga_), die het kauwen

al sinds lang voorgoed heeft opgegeven.

Een kenmerk van een groot aantal verschillende dieren en een wezenlijk

deel van het bouwplan der vertebraten is het bezit van oogen in den

kop. Nochtans heeft de mol, die door zijn levenswijze het gezicht

weinig gebruikt, slechts uiterst kleine, nauwelijks zichtbare oogen,

doordat hij dit orgaan weinig oefent--_Aspalax_ (Olivier, _Voyage

en Egypte et en Perse_, II, pl. 28, f. 2), die gelijk de mol een

onderaardsch leven voert, en zich waarschijnlijk nog minder dan

deze aan het daglicht blootstelt, heeft het gezichtsvermogen geheel

verloren, en vertoont dan ook nog slechts sporen van het betreffende

orgaan; en deze zijn nog geheel bedekt door de huid en eenige andere

lagen en ontvangen niet het minste licht meer.

De Olm (_Proteus_), een verwante van de salamanders die in diepe,

duistere holen-wateren leeft, heeft evenals _Aspalax_ nog slechts

sporen van gezichtsorganen, op dezelfde wijze verborgen en bedekt.

Dit feit is voor ons huidige onderwerp beslissend.

Het licht dringt niet overal door; bijgevolg missen de dieren der

duisternis de gelegenheid, hun gezichtsorgaan te oefenen, zoo zij

er een hebben. Dieren, behoorende tot een systeem van organisatie

met oogen, moeten deze intusschen van huis uit gehad hebben. Daar

men onder hen echter niet-ziende vormen aantreft met nog slechts

verborgen sporen van oogen is het verarmen en verdwijnen daarvan

klaarblijkelijk het gevolg van een voortdurend gebrek aan oefening.

Een bewijs hiervoor is, dat het gehoororgaan nimmer in dat geval

verkeert en altijd aanwezig is bij de dieren, wier organisatie zulks

vereischt, en wel om de volgende reden:

De _geluidsstof_ [26], die door een trillend lichaam in beweging

gebracht, den ontvangen indruk aan het oor mededeelt, dringt overal

door, zelfs in de dichtste lichamen. Bijgevolg heeft elk dier, in

wiens plan van organisatie het gehoor een wezenlijke plaats inneemt,

steeds de gelegenheid dit te oefenen, wààr het ook wone. Onder de

_Vertebraten_ is er dan ook niet een verstoken van een gehoororgaan,

maar daarna vindt men het bij geen enkel lid der volgende klassen

meer(†).

Anders is 't met het gezicht gesteld, want oogen ziet men afwisselend

verschijnen en verdwijnen naar gelang van de al of niet bestaande

mogelijkheid tot gebruik door het dier.--Bij de acephale weekdieren had

de groote ontwikkeling van den mantel de oogen en zelfs den kop geheel

nutteloos gemaakt. Ofschoon in het betreffende bouwplan opgenomen

hebben deze organen moeten verdwijnen door voortdurend onbruik.

Tot het organisatie-plan der reptielen ten slotte behooren vier knokige

ledematen. Bijgevolg zouden dan ook de slangen er vier moeten hebben,

temeer, daar ze volstrekt niet de laatste orde der kruipende dieren

vormen en verder afstaan van de visschen dan kikvorsch, salamanders,

enz.--Daar intusschen de slangen de gewoonte hebben aangenomen

om op den grond te kruipen en onder het kruid zich te verbergen,

heeft door de steeds herhaalde inspanning om zich uit te rekken--tot

het passeeren van nauwe openingen--het lichaam een aanzienlijke

lengte gekregen buiten verhouding tot de dikte. Pooten zouden dan

ook voor deze dieren ten eenen male van onwaarde geweest zijn en dus

overbodig. Want lange pooten zouden bij het kruipen hebben gehinderd,

en zeer korte--slechts ten getale van vier beschikbaar--het lichaam

onmogelijk hebben kunnen bewegen. Het voortdurende onbruik dezer

organen bij die dieren heeft hen geheel doen verdwijnen, ofschoon zij

een wezenlijk deel uitmaakten van het bouwplan der betreffende klasse.

Veel insecten, die volgens de kenmerken van hun orde--of zelfs

geslacht--vleugels zouden moeten hebben, missen door niet-gebruik

deze vrijwel volkomen. Een menigte schild-, recht-, vlies-en

half-vleugeligen vertoonen daar voorbeelden van; hunne gewoonten

beletten voortdurend het gebruik der vleugels.

Maar het is niet voldoende een verklaring te geven van de oorzaken

voor den toestand der organen bij verschillende dieren voor zoover

die toestand voor een soort standvastig blijft; men moet bovendien de

wijzigingen laten zien, daarin uitsluitend door een groote verandering

van de bijzondere specifieke gewoonten teweeggebracht bij één individu

in den loop van zijn leven. Het volgende uiterst merkwaardige feit

bewijst afdoende den invloed der gewoonten op de bewerktuiging en

hoezeer blijvende veranderingen in de eerste op de daarbij tepas

komende organen ingrijpen.

Tenon, lid van de Academie, heeft aan de Wetenschappelijke Klasse

medegedeeld, dat bij onderzoek het spijsverteringskanaal van

hartstochtelijke gewoonte-drinkers altijd buitengewoon verkort bleek,

vergeleken met normale personen.--Zooals men weet, nemen de echte

dronkaards zeer weinig vast voedsel tot zich; de overvloedig genoten

drank is voor de voeding voldoende.--Daar nu vloeibare spijzen, vooral

spiritualiën, niet lang blijven in maag en ingewand, zoo ontwennen deze

bij de drinkebroers aan normale uitzetting, even als bij personen met

een zittende levenswijze en voortdurend met geestelijken arbeid bezig,

die zich aan het gebruik van weinig spijzen gewend hebben. Gaandeweg

trekt zich hun maag samen en verkorten zich de darmen.--Het gaat hier

volstrekt niet om een inkrimping, waarbij de gewone uitrekking nog

mogelijk zou zijn, als die leege ingewanden weer eens gevuld werden;

neen, er is hier sprake van een echte en belangrijke vernauwing en

verkorting, zoodanig, dat de betreffende organen eerder zouden bersten,

dan ineens tot hun gewonen omvang uitdijen.

Vergelijk onder overigens gelijke omstandigheden van leeftijd,

enz. eens een man, die door zijn studeerend leven--'t welk de

spijsvertering bemoeilijkt--zich aan weinig eten gewend heeft, met

een ander die veel beweging neemt, uitgaat en flink eet; de maag

van den eerste is tot weinig meer in staat en reeds met weinig spijs

gevuld, terwijl die van den tweede haar vermogen bewaard en ontwikkeld

zal hebben.

Ziehier dus een in afmetingen en functies sterk gewijzigd lichaamsdeel,

enkel en alleen door verandering der gewoonten gedurende het

individueele leven.

_Veelvuldig, door gewoonte bevestigd gebruik verrijkt de functies van

een orgaan, ontwikkelt het en doet het ganschelijk nieuwe afmetingen

en kracht verkrijgen._

Aan den anderen kant hebben wij gezien, dat onbruik het zelve wijzigt,

verarmt en ten slotte vernietigt.

Thans ga ik aantoonen, dat onafgebroken functie van een lichaamsdeel

en de inspanning,--onder omstandigheden die zulks vereischen--om

er grootelijks voordeel van te trekken, het sterkt, uitbreidt en

vergroot of nieuwe organen schept, die de noodige verrichtingen

kunnen uitvoeren.

De vogel, door nooddruft naar den waterspiegel getrokken, spreidt de

teenen uit om al trappende te zwemmen. Door dit voortdurend uitbreiden

verkrijgt het huidje aan de basis der teenen de gewoonte, zich te

strekken. Zoo zijn mettertijd de groote zwemvliezen van de eenden,

ganzen, enz. tot hun tegenwoordigen toestand vervormd. Dezelfde

zwem- of liever roei-pogingen hebben de zwemvliezen doen optreden

bij kikvorsch, zeeschildpadden, otter, bever, etc.

Anderzijds hebben de van geslacht op geslacht in de boomen levende

vogels noodzakelijk langere en anders gevormde teenen dan de

watervogels. Gaandeweg hebben hun nagels zich verlengd, toegescherpt

en klauwvormig gebogen om de takken te omknellen, waarop de dieren

zoo vaak rusten.

Evenzeer gevoelt men, dat een oevervogel, die niet van zwemmen houdt en

toch voor zijn levensonderhoud aan den waterkant moet verblijf houden,

voortdurend gevaar loopt, in den modder te zinken. De vogel doet nu,

om zijn lichaam droog te houden, al zijn best, om de pooten uit te

rekken en te verlengen. Deze langdurige gewoonte van die vogelsoorten

doet hen ten slotte a.h.w. op stelten staan op hun lange naakte pooten,

d.w.z. tot de dijen (en vaak nog verder) onbevederd. (_Système des

animaux sans vertèbres_, p. 14).

Men zal ook inzien, dat dezelfde vogel door den wensch om te visschen

zonder zich nat te maken, zich voortdurend moet inspannen zijn hals

te strekken. Het gevolg van deze aanhoudende inspanning moet dan

ook mettertijd een merkwaardige halsverlenging zijn geweest, die men

inderdaad bij alle waadvogels kan waarnemen.

Dat bepaalde watervogels met korte pooten, zooals zwaan en gans,

niettemin zeer langhalzig zijn, komt door de gewoonte om bij het

zwemmen aan de oppervlakte den kop zoo diep mogelijk onder te dompelen

tot het vangen van waterlarven en ander klein dierlijk voedsel terwijl

zij geen enkele poging doen tot het strekken der pooten.

Laat bij het zoeken van voedsel een dier al maar trachten zijn tong

zoo ver mogelijk uit te steken, en zij zal een aanzienlijke lengte

verkrijgen (miereneter, groene specht); laat het de behoefte hebben,

er iets mede te grijpen, en de tong zal zich vorkvormig splijten. De

grijptong der colibri's en de tast-tong van hagedissen en slangen

zijn het bewijs daarvoor.

De steeds door de omstandigheden opgewekte behoeften en de volhardende

inspanning om deze te bevredigen bepalen zich niet tot het wijzigen

der organen, maar ze slagen er ook in deze zoo noodig te verplaatsen.

Daar de visschen, die gewoonlijk in overvloed van water leven,

zijwaarts zien moeten, zoo liggen inderdaad de oogen terzijde in den

kop. Hun al naar de soort min of meer afgeplatte lichaam snijdt het

water in een richting loodrecht op zijn oppervlak en de oogen staan

zoo, dat elke platte zijde er een heeft. Maar die visschen, die hun

levenswijze naar vlakke kusten voert, werden gedwongen op hun zijde

te zwemmen, ten einde den oever nog dichter te kunnen naderen.(†)

Daar zij in deze ligging meer licht van boven dan van onder krijgen

heeft de behoefte om steeds acht te geven op de bovenwereld een der

oogen doen verschuiven en de zeer eigenaardige plaats innemen, die men

kent van tong, tarbot, schar, etc. (_Pleuronectes_ en _Achirus_). Deze

oogen staan niet meer symmetrisch, wijl de draaiïng niet volledig

is geweest. Bij de roggen echter is dit wel het geval(†) en is de

dwarse afplatting van lichaam en kop geheel horizontaal, zoodat de

beide naar boven gekeerde oogen opnieuw symmetrisch zijn geworden.

De slangen, die op het aardoppervlak kruipen, hadden hoofdzakelijk

naar boven te kijken. Deze behoefte heeft van invloed moeten zijn

op de plaats der gezichtsorganen en inderdaad zijn deze zij- en

opwaarts in den kop ingesteld, zoodat zij gemakkelijk naar boven en

opzij kunnen schouwen maar bijna niet kunnen zien, wat vlak vóór hen

is. Ten einde nu aan dit gebrek tegemoet te komen en het hoofd niet te

stooten hebben zij hun weg slechts kunnen verkennen met behulp van de

tong, die uit alle macht werd uitgestoken. Deze gewoonte heeft er niet

alleen toe bijgedragen om de tong dun, lang en zeer samentrekbaar te

maken, maar ook om zich bij de meeste soorten te splijten, teneinde

meerdere voorwerpen tegelijkertijd te kunnen bestrijken; jazelfs,

om aan het einde van de snuit een opening te vormen tot het doorlaten

van de tong bij gesloten bek.

Nergens hebben de gewoonten merkwaardiger dingen teweeggebracht dan

bij plantetende zoogdieren.

De viervoeters, wier geslachten zich sinds onheugelijke tijden

aan plantenkost gewend hebben, in overeenstemming met de door de

omstandigheden meegebrachte behoeften, loopen het grootste deel

van hun leven op vier pooten over den grond, in het algemeen met

een matige snelheid. Het tijdroovende naar binnen werken van elken

dag weer hetzelfde voedsel doet zoo'n dier zijn gemak houden en zijn

ledematen slechts gebruiken om te staan en te loopen, maar nooit om

in de boomen te klauteren.

Deze gewoonte om dagelijks groote hoeveelheden plantaardig

voedsel te gebruiken, die de ingewanden deden uitzetten, gevoegd

bij de geringe bewegelijkheid, heeft het lichaam van deze beesten

aanzienlijk verdikt, zwaar-massief en volumineus gemaakt, zooals bij

olifant, neushoorn, rund, buffel, paard, etc.--De gewoonte, langdurig

achtereen overeindstaande te grazen heeft een dik hoornig omhulsel om

de vingereinden doen ontstaan; en daar die vingers slechts tot steun

dienden, met uitsluiting van elke andere beweging, zoo zijn ze voor

een deel verkort, verkleind en eindelijk verdwenen. Zoo hebben sommige

_dikhuidigen_ pooten met vijf genagelde teenen, dus een vijf-deeligen

hoef; andere echter vier en weer andere slechts drie. Maar bij de

oudste zoogdieren, die zich uitsluitend tot den beganen grond bepaald

hebben: de _herkauwers_, zijn er niet meer dan twee vingers aan den

voet en bij de _eenhoevers_ (paard, ezel) zelfs nog maar een enkele.

In eenzame streken loopen echter juist onder de _herkauwende_

planteneters sommige voortdurend gevaar, ten prooi te vallen aan

roofdieren en kunnen zij hun heil slechts vinden in een overhaaste

vlucht. Noodgedwongen hebben zij zich dus in het rennen geoefend

en door die gewoonte zijn lichaam en pooten veel slanker en ranker

geworden, bijvoorbeeld bij gazelle, antilope, enz. In onze luchtstreken

veroorzaakt bij herten, reeën, damherten de voortdurende jacht van

den mensch overeenkomstige gewoonten en lichaamsvormen.

Daar bij die ruminantia de pooten slechts zijn ingericht tot steunen

en de weinig krachtige kaken tot afbijten en kauwen van gras, zoo

kunnen ze alleen vechten met kopstooten, het voorhoofd vooruit.--Bij

de--vooral bij de mannetjes veelvuldige--driftbuien richt het sterk

gespannen inwendige gevoel een krachtiger bloedstroom naar dat deel van

den kop en er zet zich hoorn af, bij sommige vergezeld van beenstof,

waardoor stevige uitsteeksels ontstaan als oorsprong van de geweien

en horens, waarmee de kop dezer dieren meestal bewapend is.

Een merkwaardig gevolg van levensgewoonten ziet men in de afwijkende

gestalte van de giraffe (_Camelopardalis_). Men weet dat dit hoogste

aller zoogdieren woont in vrijwel droge binnenlanden van Afrika,

wier kaalheid het noopt het gebladerte der boomen af te knabbelen

onder voortdurend ingespannen reiken. Ten gevolge van deze algemeene

en lang-volgehouden gewoonte zijn de voorpooten langer geworden

dan de achterpooten en de hals dermate verlengd, dat de giraffe in

gewoon-opgerichte houding tot een hoogte reiken kan van zes meter,

of bijna twintig voet.

Onder de vogels danken de niet-vliegende struisen waarschijnlijk hun

eigenaardige, zeer hooge pooten aan overeenkomstige omstandigheden.

Andere, even merkwaardige gevolgen hebben de gewoonten teweeggebracht

bij de roofdieren.--Die soorten van zoogdieren, die zich gewend

hebben om te klimmen of den grond om te krabben of een prooi te

verscheuren hebben de vingers van hun ledematen noodig gehad, hetgeen

de uiteenspreiding daarvan heeft begunstigd en ze met klauwen heeft

bewapend.

Bij sommige vleeschetende dieren moet de dagelijksche behoefte (en

dus gewoonte) de klauwen diep in het vleesch van andere dieren te

slaan, om ze al vasthakende te verscheuren, door herhaalde inspanning

deze klauwen dermate vergroot en gekromd hebben, dat ze ten slotte

lastig werden bij het loopen op steenachtigen bodem en jagen van

de prooi. Daardoor waren zij verplicht die uitspringende nagels in

te trekken, en zoo is gaandeweg die eigenaardige scheede ontstaan,

waarin _kat_, _tijger_, _leeuw_, etc. hun klauw in rust opbergen.

Langen tijd regelmatig in een bepaalde richting volgehouden inspanning

tot bevredigen van--door natuur of omstandigheden geëischte--behoeften

vergrooten de betreffende lichaamsdeelen tot afmetingen en een

gedaante die zij zonder die geregelde inspanning van het dier nooit

zouden verkregen hebben. Waarnemingen bij alle bekende dieren leveren

daarvoor de overvloedige bewijzen.

Een van de treffendste voorbeelden toont wel de kangoeroe. Dit dier

heeft een opgerichte houding aangenomen, steunende op achterpooten

en staart en verplaatst zich slechts door te springen, daarbij

overeind blijvende ten behoeve van de jongen, die in een buidel aan

het onderlijf worden meegedragen. Ziehier de resultaten.

1e. De voorpooten, uitsluitend gebruikt tot steun in de oogenblikken,

waarin de opgerichte houding verlaten wordt, hebben zich nooit

evenredig met de andere deelen ontwikkeld en zijn mager, klein en

vrijwel krachteloos gebleven.

2e. De achterpooten daarentegen, bijna voortdurend in actie tot steun

of sprong, zijn zeer groot en sterk ontwikkeld geworden.

3e. Ten slotte is de in rust en beweging zoo krachtig meewerkende

staart aan den wortel buitengemeen stevig en dik geworden.

Deze overbekende feiten vermogen zeker wel voor eenig orgaan of

lichaamsdeel de gevolgen te bewijzen van geregeld gebruik. En mocht

men nu van een of ander bijzonder krachtig ontwikkeld orgaan beweren,

dat zijn voortdurende oefening daar niets aan toe doet--of rust niet

àf doet--en dat het er altoos zoo geweest is sedert de schepping van

de betreffende soort, zoo zou ik vragen, waarom dan de wilde eenden

beter kunnen vliegen dan de tamme? En ik kan daarenaan een menigte

voorbeelden toevoegen, aan ons eigen organisme ontleend, die de

verschillen bewijzen, teweeggebracht door al- of niet gebruik onzer

eigen lichaamsdeelen. Weliswaar worden deze niet erfelijk voortgezet,

want dan zouden zij nog veel belangrijker zijn.

In het tweede deel zal ik aantoonen, dat als een dier het een of ander

wil verrichten, de betreffende organen terstond tot de handeling

aangezet worden door het toevloeien van fijne zenuwfluiden, die de

bepalende oorzaak van de beweging worden. Talrijke waarnemingen

staan hiervoor zonder eenigen twijfel borg. Het gevolg is, dat

veelvuldige herhaling dezer levensverrichtingen de ervoor noodige

organen versterkt, uitbreidt, ontwikkelt, jazelfs nieuw vormt. Men

heeft slechts nauwgezet acht te geven op alles, wat te dezen opzichte

voorvalt, om zich te overtuigen van deze ware oorzaak van organische

ontwikkeling en verandering.

Elke wijziging in een orgaan, verkregen door een voldoende regelmatig

gebruik, erft vervolgens over, indien het gemeenschappelijk eigen is

aan de beide parende individuen. Zoo wordt die wijziging overgedragen

op alle volgende geslachten, die aan dezelfde omstandigheden

onderworpen zijn zonder haar zelf langs direkten weg te moeten

verwerven.

Bij de paring verhindert overigens noodwendig de menging tusschen

individuen met verschillende eigenschappen en vormen de constante

voortplanting daarvan. En dat verhoedt juist, dat bij den mensch--aan

omstandigheden van zoo uiteenloopenden invloed onderworpen--toevallig

opgedane gebreken of eigenschappen worden overgeërfd. Als in zoo'n

geval steeds twee zoodanige individuen paarden, zouden zij dezelfde

eigenaardigheden voortbrengen, en indien dan de opvolgende generaties

zich tot zulke huwelijken bepaalden, zou er een bijzonder, apart ras

gevormd worden. Maar aanhoudende menging van onderling afwijkende

menschen doet alle in ongewone omstandigheden verkregen bijzonderheden

weer verdwijnen. Zonder de afstanden tusschen de menschelijke

verblijfplaatsen zouden dan ook voorzeker door de geslachtelijke

vermenging de algemeene, characteristieke onderscheiden tusschen de

verschillende volkeren verdwijnen.

Indien ik hier alle klassen, orden, geslachten en soorten de revue zou

willen laten passeeren, zoo kon ik aantoonen, dat in allen deele de

bouw der tegenwoordige dieren, hun organen, vermogens, enz. overal het

uitsluitend gevolg zijn van de omstandigheden, waaronder elke soort

zich van nature bevonden heeft en van de opgedrongen gewoonten,

maar geenszins van een aanvankelijken vorm, die tot de huidige

levensgewoonten genoopt zou hebben.

Gelijk bekend, verkeert de z.g. "_Ai_" of luiaard (_Bradypus

tridactylus_) voortdurend in een dergelijken staat van zwakte, dat hij

slechts uiterst langzame en beperkte bewegingen uitvoert en moeilijk

op den grond loopt. Zóó traag beweegt hij zich, dat hij, naar beweerd

wordt, slechts een vijftigtal stappen per dag kan doen. Ook stemt

de organisatie van dit dier, naar bekend, volkomen overeen met zijn

zwakheid of ongeschiktheid tot loopen en is buiten staat tot eenige

beweging, anders dan de bovenomschrevene. In de veronderstelling nu,

dat de Ai van nature deze bewerktuiging ontvangen had, heeft men

gemeend, dat deze hem tot zijn gewoonten en ellendigen levensstaat

doemde.

Wel verre van aldus te denken ben ik overtuigd, dat oorspronkelijk

noodgedwongen aangenomen gewoonten onvermijdelijk hebben moeten leiden

tot de huidige organisatie van den luiaard. Voortdurende gevaren mogen

deze soort vroeger voorgoed de wijk hebben doen nemen in de boomen,

en er zich doen voeden met bladeren; blijkbaar zal zij zich dan hebben

moeten spenen van allerlei bewegingen, eigen aan de bodem-dieren. Alle

behoeften van den Ai zullen zich dus hebben bepaald tot hangerig langs

de takken te kruipen om bladeren te plukken en dan maar werkeloos

in den boom te blijven, zorgende niet te vallen. Die luiheid zal

overigens nog door de hitte van het klimaat in de hand gewerkt zijn,

welke warmbloedige dieren toch al meer tot rust dan tot beweging

noodt.--Als nu de ai gedurende langen tijd een boomleven geleid heeft

met zijn langzame en weinig gevarieerde bewegingen--maar voldoende voor

de behoeften--dan zal zijn bewerktuiging zich gaandeweg aan de nieuwe

behoeften hebben aangepast, en het gevolg daarvan zal zijn geweest:

1e. Dat bij de voortdurende pogingen dezer dieren om de boomtakken

gemakkelijk te omklemmen de armen zich verlengd hebben.

2e. Dat door het aanhoudende klauteren de klauwen zeer lang en krom

uitgegroeid zijn.

Zoölogische Philosophie Of beschouwingen over de Natuurlijke Historie der dieren etc. · 第 11 / 16 段