op te bestaan, maar bovendien ziet men duidelijk, dat naarmate een
orgaan verarmt en verkomt ook de functie naar verhouding minder scherp
en volkomen wordt. Zoo zijn, bij het afdalen van het samengestelde
tot het eenvoudige, de insecten de laatste dieren met oogen, maar er
is alle reden om aan te nemen, dat zij zeer onduidelijk zien en er
weinig gebruik van maken.... In diezelfde volgorde de verschillende
stelsels van bewerktuiging beschouwende hebben wij trapsgewijze
afklimming van de organisatie en van de afzonderlijke organen tot
hun volkomen verdwijning als een goed vastgesteld feit bevonden.
Deze afklimming vertoont zich zelfs in aard en samenstelling van
de lichaamsvochten en het vleesch der dieren; want bij zoogdieren
en vogels zijn dit de meest-samengestelde en krachtigst levende
stoffen uit de weeke deelen van het lichaam. Na de visschen gaan deze
stoffen dan ook doorloopend achteruit, totdat bij de polypen, de weeke
straaldieren en vooral bij de infusoren het voornaamste lichaamsvocht
nog slechts waterachtig is en het vleesch niet meer dan een geleiïge,
nauwelijks "verdierlijkte" massa. Een daarvan getrokken bouillon zou
zonder twijfel al heel weinig geneeskrachtig en versterkend zijn voor
den mensch!
Of men nu deze belangwekkende feiten al of niet erkent, toch zullen
altijd zij hierop stuiten, die de heerschende vooroordeelen te boven
komen, nauwlettend de feiten waarnemen en op de verschijnselen,
wetten en stagen gang van de natuur acht geven.
Nu zullen wij tot een onderzoek van anderen aard overgaan en trachten
te bewijzen, dat de omstandigheden der verblijfplaatsen een grooten
invloed op de handelingen der dieren en als gevolg daarvan volgehouden
vermeerderd of verminderd gebruik van een orgaan oorzaken zijn van
het wijzigen van organisatie en vorm der dieren en het aanzijn geven
aan afwijkingen van de voortschrijdende samenstelling der dierlijke
organisatie.
CHAPTER VII
Hoofdstuk VII
Van den invloed der omstandigheden op handelingen en gewoonten der
dieren en van deze als oorzaken die hun samenstelling en deelen
wijzigen
Het betreft hier niet een redeneering zonder meer, maar het onderzoek
van een positief feit, algemeener dan men denkt en waaraan men verzuimd
heeft die aandacht te schenken, waarop het zonder twijfel recht heeft,
omdat het meestal moeilijk te onderkennen is. Dit feit bestaat uit den
invloed, dien de omstandigheden uitoefenen op de aan hen onderworpen
levende wezens.
Men heeft inderdaad reeds sinds lang den invloed opgemerkt van de
verschillende toestanden van ons organisme op ons karakter, onze
neigingen, handelingen, jazelfs op onze ideeën, maar het komt mij voor
dat niemand nog (omgekeerd) dien van onze handelingen en gewoonten
op ons organisme heeft leeren kennen. Daar nu deze handelingen en
gewoonten geheel afhangen van de omstandigheden, waarin wij gemeenlijk
verkeeren, zoo zal ik trachten aan te toonen hoe groot de invloed is,
dien deze uitoefenen op den algemeenen vorm, den toestand der deelen
en zelfs op de samenstelling der levende wezens. Zoo zal er dan van
dit zeer wisse feit in dit hoofdstuk sprake zijn.
Hadden wij niet veelvuldig gelegenheid gehad den klaarblijkelijken
invloed te leeren kennen, uitgeoefend op levende wezens die zijn
gebracht onder geheel nieuwe omstandigheden, zeer verschillend van
die, waaronder zij zich eerst bevonden, en hadden wij de daaruit
volgende veranderingen niet voor onze oogen zien ontstaan, zoo zou
het belangrijke feit, waarom het hier gaat, voor altijd onbekend
gebleven zijn.
De invloed der omstandigheden op al wat leeft is overal en altijd
daadwerkelijk geldig; maar wat voor ons dien invloed moeilijk merkbaar
maakt is, dat zijn gevolgen eerst na langen tijd voelbaar of herkenbaar
worden, vooral bij de dieren.
Alvorens nu de gronden uiteen te zetten voor dit feit, dat onze
aandacht verdient en zeer belangrijk is voor de _Zoölogische
Philosophie_ willen wij den draad van onze begonnen beschouwingen
weer opvatten.
In het voorgaande hebben wij gezien, als een tegenwoordig onweerlegbaar
feit, dat men bij de beschouwing van den "levensladder" in een
richting, tegengesteld aan de natuurlijke, in de samenstellende
elementen een aanhoudende maar onregelmatige _trapsgewijze afdaling_
vindt, een toenemende vereenvoudiging in de organisatie der levende
wezens en tenslotte een overeenkomstige afname van het aantal functies.
Dit wel bekende feit nu kan een belangrijk licht werpen op het
systeem, dat de natuur gevolgd heeft in het voortbrengen van de tot
aanzijn geroepen dieren. Maar het zegt ons niet, waarom de dierlijke
organisatie in haar groeiende samenstelling vanaf de onvolmaakste
tot de meest volkomene een _onregelmatige_ _trapsgewijze opklimming_
vertoont, wier verloop veelvuldige afwijkingen te zien geeft, die in
hun verscheidenheid geen enkele klaarblijkelijke regelmaat hebben. Als
men bij het zoeken naar de reden daarvan nagaat het resultaat der
invloeden door oneindig-verscheidene omstandigheden in alle deelen
van den aardbol uitgeoefend op algemeenen vorm en deelen der dieren,
dan wordt alles duidelijk verklaard. Het zal inderdaad blijken, dat de
toestand, waarin wij alle dieren aantreffen eenerzijds het product is
van de toenemende _samengesteldheid_ van bewerktuiging, die streeft
naar het vormen van een _regelmatige opklimming_ en anderzijds van
een menigte uiteenloopende omstandigheden, die voortdurend trachten
dien regelmaat te verstoren.
Hier wordt het noodig een verklaring te geven omtrent den zin, dien ik
hecht aan deze uitdrukkingen. _De omstandigheden beïnvloeden vorm en
bewerktuiging der dieren_, d.w.z. dat zij, zelf anders wordende, door
overeenkomstige wijzigingen mettertijd zoowel vorm als bewerktuiging
veranderen.
Zeker, als men deze uitdrukkingen letterlijk opvatte, zou men mij
een fout kunnen verwijten; immers, welke ook de omstandigheden zijn,
zij beïnvloeden nooit _direct_ vorm of samenstelling der dieren.
Maar, groote veranderingen in omstandigheden brengen groote wijzigingen
in de behoeften der dieren teweeg, en deze noodzakelijkerwijze weer
in de handelingen. En als de nieuwe behoeften constant of van langen
duur worden nemen de dieren nieuwe _gewoonten_ aan, even duurzaam
als die behoeften. Ziedaar iets gemakkelijk aantoonbaars dat zelf
geen enkele verklaring behoeft om als waar gevoeld te worden.
Het blijkt dus duidelijk, dat zoodra een groote verandering in
omstandigheden standvastig geworden is voor een dierenras, zij tot
gewoonten leidt.
Als nu voorts nieuw-bestendigde omstandigheden een dierenras nieuwe,
tot _gewoonte_ geworden handelingen hebben bijgebracht, dan zal
gevolgelijk het betreffende deel bij voorkeur boven andere gebruikt
worden, in andere gevallen ook een of ander nutteloos geworden
onderdeel geheel in onbruik geraken.
Niets van dit alles moet als bloote onderstelling of persoonlijke
meening beschouwd worden; het zijn integendeel waarheden die tot
hun rechtvaardiging slechts opmerkzaamheid en waarneming van feiten
vereischen.
Door het noemen van bekende en getuigende feiten zullen wij
noodzakelijk zien, dat eenerzijds, zoodra nieuwe gewoonten een
orgaan noodig gemaakt hebben, zij dit ook werkelijk door aanhoudende
inspanning doen ontstaan, en dat voortdurend gebruik het zoetjesaan
versterkt, ontwikkelt en tenslotte aanzienlijk vergroot. Anderzijds
zullen wij zien, dat wanneer in sommige gevallen nieuwe omstandigheden
en behoeften een of ander onderdeel geheel nutteloos hebben gemaakt,
het totale onbruik daarvan dan oorzaak is, dat het gaandeweg ophoudt
met ontwikkeld te worden, terwijl de andere organen daarmee voortgaan;
dat het meer en meer vermagert en tenslotte, als het lang zoo duurt,
eindigt met te verdwijnen. Dat alles is zeker: ik stel me voor,
er de meest overtuigende bewijzen voor te geven.
Bij de planten, waar in het geheel geen "handelingen" voorkomen en
bijgevolg ook geen eigenlijk gezegde _gewoonten_, brengen groote
veranderingen in omstandigheden niettemin groote verschillen
in ontwikkeling der deelen mede; zoodat sommige ontstaan en zich
ontwikkelen, andere verminderen en verdwijnen. Maar hier voltrekt zich
alles door veranderingen, teweeggebracht in de voeding van het gewas,
in zijn absorptie en uitwaseming, in de hoeveelheid warmte, licht,
lucht en vochtigheid, die het anders gewoonlijk ontvangt; tenslotte
in het overhand nemen van sommige levensfunctiën boven andere.
Tusschen de individuen van dezelfde soort, waarvan sommige voortdurend
goed gevoed worden en verkeeren in gunstige ontwikkelingsvoorwaarden,
andere daarentegen in tegengestelde positie, ontstaan hoe langer hoe
opmerkelijker verschillen in gesteldheid. Hoeveel voorbeelden zou
ik niet kunnen opsommen van dieren en planten, die deze beschouwing
bevestigen! Indien wijders de toestand der slecht gevoede, lijdende
of kwijnende dieren bestendigd wordt onder dezelfde omstandigheden,
zoo wordt daardoor tenslotte hun inwendige samenstelling gewijzigd. En
hun nageslacht bewaart de verkregen veranderingen en eindigt met een
zeer afwijkend ras te leveren.
Een zeer droge lente veroorzaakt slechten groei der weidegrassen, die
mager en armzalig blijven en desondanks toch bloeien en vrucht geven.
Een lente met afwisselend warm en vochtig weer doet deze zelfde
grassen welig groeien en de hooioogst is dan voortreffelijk.
Maar indien een of andere oorzaak de ongunstige omstandigheden
bestendigt zullen zij overeenkomstig gaan afwijken, eerst in hun
algemeen voorkomen en vervolgens in meerdere karakter-eigenschappen.
Als bijvoorbeeld een korrel van een of ander weidegras hoogerop
overgebracht wordt naar een droog steenachtig winderig berg-weidje,
en er ontkiemt, dan zal de daar opgroeiende plant altijd slecht
gevoed worden. En als de nakomelingen ad hoc hun bestaan onder die
slechte omstandigheden voortzetten zal er een ras ontstaan, wezenlijk
verschillend van het in de vlakte levende waarvan het afstamde. De
leden van dat nieuwe ras zullen klein zijn en minnetjes van afmetingen
en sommige hunner deelen zullen eigenaardige verhoudingen vertoonen,
als zijnde meer ontwikkeld dan andere.
Zij die veel hebben waargenomen en de groote verzamelingen
geraadpleegd, hebben zich kunnen overtuigen, dat naarmate
de omstandigheden van woonplaats, ligging, klimaat, voedsel,
levensgewoonten enz. voor de dieren veranderen, de eigenschappen van
wasdom, vorm, verhoudingen tusschen de onderdeelen, kleur, gesteldheid,
bewegelijkheid en kunstvaardigheid [25] zich overeenkomstig wijzigen.
Wat de natuur in den loop der eeuwen volvoert, dat doen wij altoos,
wanneer wij plotseling voor een levend gewas de omstandigheden
veranderen, waaronder al zijn exemplaren verkeerden.
Alle plantkundigen weten, dat de gewassen, bij overbrenging van
hunne oorspronkelijke groei-plaatsen naar kweektuinen, van lieverlede
veranderingen ondergaan, die hen tenslotte onherkenbaar maken. Vele
planten met sterke beharing verliezen deze geheel of ten naaste bij;
verscheidene liggende of kruipende vormen richten hun stengel weer
op; andere verliezen er hun stekels of ruwe oppervlak; weer andere
veranderen hunne houtachtigheid in de tropische groeiplaatsen
tot een kruidachtigen toestand bij ons en sommige daaronder zijn
nog slechts eenjarige planten. Ten slotte ondergaan de afmetingen
hunner deelen zelf zeer aanzienlijke wijzigingen. Deze gevolgen van
klimaatsverandering zijn zoo bekend, dat de botanici bij voorkeur
geen tuinplanten beschrijven, tenzij eerst voor kort aangevoerd.
Is de gekweekte tarwe (Tricitum sativum) niet door den mensch tot
zijn tegenwoordigen toestand gebracht? Men zegge mij in welk land
een dergelijke plant van nature voorkomt, d.w.z. zonder ergens in de
buurt te zijn gecultiveerd?
Waar vindt men in de natuur onze koolen, saladen, enz. zóó als in
den moestuin? Staat het niet evenzoo met verscheidene dieren die de
getemde staat ingrijpend gewijzigd heeft?
Wat een verschillende rassen van huis-hoenders en -duiven hebben
we niet gekregen door ze te fokken in verschillende landen en
omstandigheden en hoe vergeefs zou men die thans in de natuur
terugzoeken!
Zij die het minst veranderd zijn (ongetwijfeld door hun recente
temming en door niet in een vreemd klimaat te leven), laten niettemin
in sommige deelen groote verschillen zien, veroorzaakt door de
gewoonten, die wij hen hebben laten aannemen. Zoo vinden we onze
eenden en ganzen terug in hun wilde verwanten, maar de onze hebben
het vermogen verloren om zich in de hooge regionen van de lucht te
verheffen en groote afstanden vliegende af te leggen; in een woord, er
heeft zich een werkelijke toestandsverandering voltrokken, vergeleken
met de dieren van de oorspronkelijke soort.
Wie weet er niet, dat een of andere vogel uit onze luchtstreken, dien
wij in een kooi grootbrengen, en een jaar of vijf zes in het leven
houden, vervolgens weer, aan zijn natuurlijke vrijheid teruggegeven,
niet meer in staat is om te vliegen als zijn soortgenooten,
die de vrijheid nooit hebben gemist? Deze kleine verandering van
omstandigheden heeft weliswaar bij dat exemplaar niets gedaan dan
het zijn vliegvermogen te ontnemen en zonder twijfel geen enkele
verdere wijziging teweeggebracht. Maar indien gedurende een lange
reeks van generaties individuen van diezelfde soort geruimen tijd
in gevangenschap waren gehouden, zou zonder twijfel hun gestalte in
allen deele ingrijpende veranderingen ondergaan hebben. _A fortiori_
indien dit terzelfder tijd vergezeld was gegaan van een sterkere
klimaatswijziging en die exemplaren gaandeweg gewend waren geworden
een ander soort voedsel en andere methoden om dat te bemachtigen;
voorwaar, deze omstandigheden zouden tezamen, constant geworden,
een geheel nieuw, apart ras hebben doen ontstaan!
Waar vindt men thans in de natuur die menigvuldige _hondenrassen_
die wij als huisdieren tot hun tegenwoordigen toestand hebben
gebracht? Waar die doggen, hazewinden, poedels, patrijshonden,
langharige schoothondjes, enz. enz., welke rassen onderling nog
meer verschillen, dan in het wild levende, die wij als echte soorten
onderscheiden?
Ongetwijfeld is een enkel uitgangsras, zeer verwant met den
wolf--indien al niet deze zelf--te eeniger tijd tot huisdier
getemd. Dat ras, dat toen nog geen enkel verschil tusschen
zijn individuen aan kon wijzen, is gaandeweg door den mensch in
verschillende landen en klimaten verspreid; en na eenigen tijd hebben
deze zelfde individuen onder den invloed van de verblijfplaatsen en
verschillende gewoonten die men hen in elk land heeft doen aannemen,
doordaar merkwaardige veranderingen ondergaan en onderscheidene
bijzondere rassen gevormd. Nu kan de mensch--die zich voor handels-
of andere belangen over enorme afstanden verplaatst--in een groote stad
verschillende hondenrassen, uit verre landen stammende, tezamengebracht
hebben en kan hun kruising achtereenvolgens het aanzien gegeven hebben
aan alle tegenwoordige rassen.
Voor de planten bewijst het volgende feit, hoezeer de verandering
van een belangrijke omstandigheid de vormen kan beïnvloeden.
Zoolang _Ranunculus aquaticus_ ondergedoken leeft zijn de bladeren
alle fijn ingesneden met haarvormige slippen; maar als de stengels
de oppervlakte bereiken worden de lucht-bladen verbreed, afgerond en
eenvoudig gelobd. Indien eenige scheuten van dezelfde plant komen te
groeien op vochtigen, niet-ondergeloopen grond, dan zijn de takken
kort en de bladen nooit haarvormig ingesneden, wat dan aanleiding
geeft haar als een zoogenaamde aparte soort, _Ranunculus hederaceus_
te onderscheiden.
Ongetwijfeld geldt voor de dieren dezelfde invloed; maar hier
voltrekken zich de veranderingen veel langzamer dan bij de planten
en daardoor voor ons meer onmerkbaar en onnaspeurlijker.--Onder de
machtig-omvormende omstandigheden wordt ongetwijfeld de invloedrijkste
plaats ingenomen door de verschillende woonplaatsen; maar daarnevens
werken tal van andere krachtig in op de organen.
Men weet, dat de aard van een landstreek in nauw verband staat met
haar ligging, gesteldheid, en klimaat, 't geen men terstond opmerkt
bij het doorreizen van verschillende typische gebieden. Hier ligt al
een oorzaak van variatie voor de betreffende dieren en planten. Maar
wat men niet genoeg in het oog houdt en zelfs weigert te gelooven,
is, dat elke plaats zelf mettertijd van betrekkelijke gesteldheid,
klimaat, en natuur verandert, schoon zóó langzaam, vergeleken met
onze tijdsmaat, dat wij haar volkomen standvastig wanen. En met dit
veranderen der verblijfplaatsen vervlieten ook de omstandigheden,
die op de bewoners van invloed zijn.--Men voelt daaruit, dat al mogen
er uitersten in die wijzigingen zijn, er ook schakeeringen zijn,
d.w.z tusschengelegen graden. Bijgevolg zijn er ook nuances in de
kenmerken der dusgenoemde _soorten_.
Klaarblijkelijk vertoont dus het heele aardoppervlak in aard en
plaatsing van zijn verschillende zelfstandigheden een verscheidenheid
van omstandigheden, overal in samenhang met die der vormen en deelen
van de dieren en onafhankelijk van die bijzondere verscheidenheid,
die voor elk dier noodwendig voortvloeit uit de voortschrijdende
organische ontwikkeling.
In elke voor dieren bewoonbare streek blijven de heerschende
omstandigheden zeer lang dezelfde, en veranderen slechts zòò langzaam
in wezen, dat de mensch het niet direkt vermag op te merken. Hij
moet de achtergelaten gedenkteekenen raadplegen om te erkennen, dat
op al die plaatsen de bestaande toestand niet steeds zoo geweest is,
noch ook zoo blijven zal.--Hunne dierlijke bewoners moeten dus ook
geruimen tijd hun gewoonten getrouw blijven; vandaar die schijnbare
standvastigheid van de als "_soorten_" betitelde rassen, die hen even
oud als de natuur zelf heeft doen wanen.
Maar op de verschillende punten van het aardoppervlak vormen aard,
ligging en klimaat voor dier en plant _verschillende omstandigheden_ in
allerlei graad. De betreffende dieren moeten dus niet alleen onderling
afwijken in specifieken trap van organisatie, maar bovendien naar
gelang van de gewoonten waartoe de leden van elke soort gedwongen
zijn. Zoodra dan ook de natuuronderzoeker op zijn wereldreizen een
eenigszins belangrijke verandering der omstandigheden waarneemt,
ziet hij strijk en zet ook de soorten zich overeenkomstig wijzigen.
Als de werkelijke regels van dit alles heeft men dan ook te erkennen:
1e. Dat elke eenigszins ingrijpende en duurzame verandering van
de omstandigheden bij elke diersoort een werkelijke wijziging van
behoeften teweegbrengt.
2e. Dat elke wijziging van behoeften nieuwe handelingen noodig maakt,
om daaraan te voldoen, en daardoor andere gewoonten.
3e. Dat daardoor bepaalde deelen meer gebruikt worden dan voorheen,
hetwelk ze aanzienlijk ontwikkelt en vergroot, ja, door de inspanning
van het innerlijke gevoel onmerkbaar nieuwe deelen doet ontstaan,
hetgeen ik zoodadelijk met bekende feiten hoop te staven.
Als deze onweersprekelijke waarheden eenmaal erkend zijn zal men
spoedig gewaar worden _hoe_ die nieuwe behoeften bevredigd kunnen
zijn en de gewoonteverandering zich voltrokken hebben, indien men
eenige aandacht schenkt aan de volgende twee, door de waarneming
steeds bevestigde natuurwetten.
Eerste Wet
Bij elk dier, dat het eindpunt van zijn ontwikkeling nog niet voorbij
is, versterkt herhaaldelijk, voortdurend gebruik gaandeweg elk orgaan,
ontwikkelt en vergroot hetzelve en geeft het een vermogen evenredig
met den duur van dat gebruik; anderzijds doet voortdurend onbruik het
onmerkbaar verzwakken, degenereeren, beperken en ten slotte verdwijnen.
Tweede Wet
Al wat de natuur heeft doen verwerven of verliezen door
de afzonderlijke individuen van een soort onder invloed van
lang-aanhoudende omstandigheden, erft over op de nieuwe individuen,
mits beide sexen, of wel de (ongesl.) voortbrengsters daarvan die
verkregen veranderingen vertoonen.
Deze twee blijvende waarheden kunnen slechts miskend worden door hen,
die nooit de levende natuur hebben gadegeslagen of die zich door de
hier gewraakte dwalingen hebben laten meeslepen; bij de aanschouwing
van het nauwe verband tusschen vorm en functie der lichaamsdeelen
hebben de natuurvorschers gemeend, dat vorm en toestand dier deelen
hun gebruik zouden hebben meegebracht; dit nu is een misvatting,
want de waarneming toont aan, dat integendeel behoefte en gebruik de
organen ontwikkeld hebben, ze (bij ontstentenis) zelfs hebben doen
_verrijzen_ en bijgevolg den huidigen toestand hebben veroorzaakt.
Als dat niet zoo was, zou de natuur zooveel vormen van dierlijke
lichaamsdeelen hebben moeten scheppen, als door de levensomstandigheden
vereischt werden en deze noch gene ooit doen veranderen. Maar zoo
staat het zeer zeker niet met de bestaande levende wezens want in
dat geval hadden wij geen Engelsche renpaarden naast de logge,
zware trekpaarden; immers, iets dergelijks heeft de natuur zelf
nooit voortgebracht. Evenmin zouden we dashonden met hun kromme pooten
hebben, noch snelvoetige windhonden of poedels; staartlooze kippen noch
pauwstaartjes, enz. Ten slotte zouden we, zoo lang het ons behaagde,
wilde planten kunnen kweeken in den vetten, vruchtbaren grond onzer
tuinen zonder eenige wijziging te zien optreden.
Reeds lang heeft men ten deze de waarheid gevoeld en uitgedrukt
in het alom bekende spreekwoord: _de gewoonte wordt een tweede
natuur_. Voorzeker, indien de gewoonten en aard van elk dier onwrikbaar
vast stonden, zou dat spreekwoord fout geweest zijn en nooit zijn
ontstaan, althans zich niet gehandhaafd hebben.
Bij ernstige overweging van mijne uiteenzettingen gevoelt men, dat
ik in mijn werk _Recherches sur les corps vivans_ (p. 50) terecht de
volgende stelling geponeerd heb:
"Niet de organen van het dier, d.w.z. de natuur en vorm der
lichaamsdeelen hebben het aanzijn gegeven aan zijn gewoonten en
bijzondere functies, maar integendeel hebben gewoonten, levenswijze
en de omstandigheden der voorouders zijn lichaamsvorm, aantal en aard
der organen, kortom al zijne vermogens bepaald."
Het belang en de gegrondheid van deze stelling blijkt ten duidelijkste
bij hare beproeving en vergelijking met de waarneembare feiten,
die de werkelijkheid ons voortdurend biedt.
Gelijk reeds opgemerkt, zijn tijd en gunstige omstandigheden de
twee voornaamste door de natuur gebruikte middelen tot al hare
voortbrengingen: men weet, dat voor háár de tijd onbegrensd is en
bijgevolg steeds ter beschikking. Wat betreft de omstandigheden,
die elken dag benut worden tot varieeren van al het voortgebrachte,
men kan ze in zekeren zin onuitputtelijk noemen. De voornaamste komen
voort uit den invloed van het klimaat: de verschillende temperaturen
van den dampkring en van de overige omgeving; uit de verscheidenheid
en ligging der woonplaatsen; uit de werking der gewoonten, de
meest-gewone bewegingen en de meest-herhaalde handelingen; ten slotte
uit de levenswijze, de middelen om zich te verdedigen, te handhaven,
zich voort te planten, enz.
Als gevolg van deze verschillende invloeden nu breiden de functies zich
uit en versterken zich door het gebruik, slaan verschillende richtingen
in door het aannemen van nieuwe, vaste gewoonten, en onmerkbaar gaan
vorm, gesteldheid, i.e.w. aard en toestand der organen deelen in de
gevolgen van al die invloeden en worden bewaard en overgedragen door
de voortplanting.
Deze twee waarheden, vanzelf volgende uit de twee bovengenoemde
natuurwetten, worden in ieder geval bevestigd door de feiten;
zij wijzen duidelijk den gevolgden weg aan van de natuur bij haar
verschillende voortbrengingen.