Het is dus duidelijk, dat in vele gevallen de voortplanting niet

geschiedt via een geslachtelijke bevruchting, en daarmede ook

de geslachtsorganen ontbreken. En wijl men nu bij de vier, op de

_insecten_ volgende klassen geen bevruchtingsorganen meer aantreft,

zoo heeft het er allen schijn van, dat op dit punt van den dierenketen

de _geslachtelijke voortplanting_ ophoudt te bestaan.

Verdwijnen van het gezichtsvermogen.

Ten slotte gaat het gezichtsorgaan, zoo nuttig voor de hoogere dieren,

geheel verloren. Dit orgaan, dat bij de _rankpootigen_ en een deel

der _weekdieren_ en _ringwormen_ begon te ontbreken en vervolgens

bij de _schaaldieren_, _spinachtigen_ en _insecten_ slechts wordt

aangetroffen in hoogst onvolkomen vorm en van een uiterst beperkte

functie, verschijnt na de insecten bij geen enkel dier meer(†).

Hier verdwijnt ook nog de kop, dat zoo gewichtige lichaamsdeel voor

de meer ontwikkelde dieren, zetel van de hersenen en bijna alle

zintuigen. Immers, de verdikking aan het vooreinde van het lichaam

bij sommige wormen (_Taenia_), veroorzaakt door de plaatsing der

zuignappen, kan niet als een echte kop beschouwd worden, aangezien zij

niet de zetel is der hersenen, noch van het gezicht of gehoor enz.,

al welke organen hier ontbreken.

Men ziet, dat op deze sport der dieren-ladder de afklimming in

organisatie zeer schielijk geschiedt, en dat grooter vereenvoudiging

van de dierlijke organisatie haar schaduwen sterk vooruitwerpt.

Vermes (Wormen)

Dieren met een week, lang lichaam, zonder kop, oogen, gelede

pooten, zenuwstreng of bloedsomloop

Het geldt hier wormen, verstoken van een bloedsomloop, zooals

de z.g. "_ingewandswormen_" en enkele vrijlevende, al even laag

georganiseerd. Het zijn dieren met een week, min of meer verlengd

lichaam zonder gedaanteverwisseling(†), kop, oogen of gelede pooten.

De _wormen_ moeten onmiddellijk na de _insecten_ en voor de

_straaldieren_ komen en den elfden rang in het dierenrijk innemen. Bij

hen begint de neiging van de natuur naar een _geleden bouw_, welk

stelsel dan bij de insecten, arachniden en schaaldieren tot zijn

volle ontwikkeling komt. Maar de bij de insecten ten achterstaande

organisatie der wormen zonder buikstreng, kop, oogen of echte pooten

dwingt ons, ze achter deze te plaatsen. Dat voorts de natuur,

in voorbereiding van dien--nieuwen--geleden vorm zich losmaakt

van het straalsgewijze type, noopt ons ze te rangschikken vóór de

_straaldieren_ zelf. Overigens gaat na de insecten ook het algemeene

bouwplan van de voorgaande klassen verloren, nl. de symmetrische

plaatsing der deelen, zoodanig, dat een iegelijk tegenover zijn

spiegelbeeld staat. Bij de _wormen_ mist men dit gespaarde stelsel,

en het is aan het--in- en uitwendig--straalsgewijze gebouwde type

der _radiaten_ nog niet toe.

Sinds ik de groep der _annelida_ heb opgesteld geven verscheidene

natuurvorschers aan die ringwormen den naam van _vermes_; en, in

ongelegenheid met de dieren, waarvan hier sprake is, vereenigen zij

deze dan maar met de polypen. Aan den lezer het oordeel over het

verband en de klassieke kenmerken, die het recht zouden verleenen,

om een _lintworm_ of _spoelworm_ met een zoetwater- of andere _poliep_

in een klasse te vereenigen!

Gelijk de insecten zoo schijnen sommigen wormen door tracheeën te

ademen, uitmondende met een soort stigma. Maar er is alle reden

te gelooven, dat deze korte "tracheeën" geen _lucht_, maar _water_

bevatten, vermits deze dieren nooit in de atmospherische lucht leven

en zonder uitzondering ondergedompeld zijn in water of een waterige

vloeistof.

Uit het ontbreken van duidelijke bevruchtingsorganen maak ik op, dat

geen geslachtelijke voortplanting meer bij hen plaats heeft(†). Het

ware nochtans mogelijk, dat, evenals bij de _spinachtigen_

het bloedvaatstelsel een aanvang neemt, dit bij de wormen met

de geslachtelijke voortplanting het geval was. Hierop schijnen

verschillende staartvormen bij de palissadenwormen te wijzen, maar

goede waarnemingen omtrent deze voortplantingswijze bestaan hier

nog niet.

Wat men bij sommige van hen (zooals den _lintworm_) voor _eierstokken_

houdt, zijn naar allen schijn slechts hoopen kiemlichaampjes, die zich

zonder bevruchting kunnen ontwikkelen. Deze eivormige corpuskeltjes

zijn inwendig als van een zeeëgel, inplaats van uitwendig, gelijk

bij den korstpolyp (_Coryne_) enz. De polypen vertoonen dezelfde

verschillen in de plaatsing hunner broedknoppen. Waarschijnlijk zijn

dus de wormen inwendig _gemmipaar_ (knopvormend).

Dieren als de wormen, zonder kop, oogen, pooten en wellicht ook

zonder geslachtelijke voortplanting bewijzen dus ook hunnerzijds

die trapsgewijze afklimming in organisatie, die wij voor de geheele

dieren-scala pogen aan te toonen.

Radiata (Straaldieren)

Lichaam tot zelfherstelling geschikt, uit- en inwendig

straalsgewijze gebouwd, zonder kop, oogen, of gelede

pooten. Mond onderstandig

Volgens de gebruikelijke volgorde staan de _straaldieren_ op den

12en rang in de heele dierenreeks en vormen een van de laatste drie

klassen van de ongewervelde dieren.

Tot deze klasse genaderd ontmoet men hier een algemeene gestalte en een

in- en uitwendige rangschikking der deelen en organen, tot nu toe in de

natuur niet gebruikt. En wel vinden we hier een straalsgewijzen bouw

rondom een as of middelpunt, die eerst bij de _polypen_ een aanvang

neemt, welke bijgevolg hieronder behandeld worden. Niettemin vormen de

radiaten op de dieren-scala een duidelijk van de polypen onderscheiden

trap, zoodat men ze onmogelijk meer daarmee kan verwarren, evenmin als

de schaaldieren met de insecten of de kruipende dieren met de visschen.

Immers, bij de straaldieren bemerkt men niet alleen nog

ademhalingsorganen (watervaten of een soort tracheeën), maar

ook bijzondere voortplantingswerktuigen, nl. "eierstokken" van

onderscheidenen vorm, in afwijking van de polypen. Bovendien is het

ingewandskanaal hier geen doodloopende zak met een enkele opening

en heeft de mond steeds een eigenaardige, onderstandige plaatsing,

verschillend van die bij de polypen.

Ofschoon de straaldieren zeer singuliere dieren zijn, zoo is het

weinige omtrent hun organisatie bekende blijkbaar voldoende om hun

den hier aangewezen rang toe te kennen. Evenals de wormen missen

de radiaten kop, oogen, gelede pooten, bloedsomloop en wellicht ook

zenuwen. Toch moeten zij _achter_ de wormen komen, omreden de vermes

hoegenaamd geen straalsgewijzen bouw vertoonen en onder hen voorts

ook het gelede type zijn intrede doet.

Indien de straaldieren geen zenuwen hebben, zijn ze derhalve buiten

staat tot _gevoelen_, en nog slechts prikkelbaar zonder meer(†); dit

schijnt bevestigd te worden door waarnemingen aan levende _zeesterren_,

aan wien men de armen heeft afgesneden zonder dat zij eenig teeken

van pijn gaven.

Bij vele radiaten bestaan nog duidelijke vezels. Maar mag men daaraan

den naam "spieren" geven, zonder te mogen beweren, dat spieren zonder

zenuwen nog functioneeren kunnen? Heeft men in het plantenrijk geen

voorbeelden van celweefsel met een vezeligen bouw, zonder deze als

spiervezels te mogen beschouwen? Elk levend lichaam met vezels behoeft

daarom nog geen spieren te bezitten, en het komt mij voor, dat er

zonder zenuwen ook geen spierstelsel meer kan bestaan. Er is reden om

aan te nemen, dat bij zenuwlooze dieren eventueel aanwezige vezels

alleen door hun prikkelbaarheid bewegingen kunnen bewerkstelligen,

welke die der spieren vervangen, zij het met minder kracht(†).

Niet alleen schijnt bij de straaldieren het spierstelsel

niet meer aanwezig te zijn, maar evenmin de geslachtelijke

voortplanting(†). Inderdaad wijst niets erop, dat de ovale lichaampjes,

die de z.g. _eierstokken_ vormen, eenige bevruchting ondergaan of

echte _eieren_ zouden zijn: dat is des te onwaarschijnlijker, waar

ze gelijkelijk bij alle individuen gevonden worden. Ik beschouw ze

dus als reeds ontwikkelde inwendige knopjes en hun opeenhooping

op bepaalde plaatsen als een voorbereiding van de natuur tot de

geslachtelijke voortplanting.

De _radiaten_ dragen ook hunnerzijds bij tot de bewijzen voor de

algemeene trapsgewijze _afklimming_ der dierlijke organisatie;

men ontmoet bij hen een nieuwen vorm en rangschikking der deelen,

sterk afwijkend van die in de vorige klassen. Overigens schijnen zij

gevoel, spierbeweging en geslachtelijke voortplanting te missen. Bij

sommige heeft het darmkanaal geen twee openingen meer; ook ziet men

de opeenhoopingen eivormige corpuskeltjes verdwijnen en het heele

lichaam geleiïg worden.

_Opmerkingen._

Het schijnt, dat bij de lagere dieren, zooals _polypen_ en

_straaldieren_ het middelpunt der vloeistofbewegingen nog eerst

bestaat in het spijsverteringskanaal. Hier neemt het zijn aanvang, en

langs den weg van dit kanaal dringen de _fijne_ omringende _fluiden_

hoofdzakelijk door om de beweging van de eigen sappen dezer dieren

op te wekken. Wat ware het plantenleven zonder uitwendige prikkels,

en wat zelfs de lagere vormen van dierenleven zonder deze oorzaak,

d.w.z. zonder de warmte en electriciteit van de omgeving?

Ongetwijfeld heeft door een serie van dergelijke

middelen,--aanvankelijk nog zwak bij de _polypen_, later sterker bij

de _radiaten_--de natuur den straalvorm tot aanzijn gebracht. Want

de fijne binnengedrongen "vloeistoffen", hebben door hun uitzetting

hun van het middelpunt uitstralenden druk den straalsgewijzen bouw

moeten voortbrengen(†). Daardoor heeft dat nog zoo onvolkomen,

blinde spijskanaal zich niettemin gecompliceerd door straalsgewijze,

buisvormige, vaak vertakte aanhangsels in grooten getale.

Daardoor ontstaat zonder twijfel ook bij de weeke _radiaten_,

zooals de kwallen, enz. die bestendige, regelmatige beweging,

hoogstwaarschijnlijk een gevolg van de afwisseling tusschen de

binnenstroomende fijne fluiden, de verbreiding in alle deelen en

hun weer ontwijken. Men bewere niet, dat deze isochrone beweging

het gevolg zou zijn van de ademhaling; want na de gewervelde

dieren toont de natuur nergens meer afwisselende, regelmatige in-

en uitadembewegingen(†). Hoe ook de ademhaling der straaldieren moge

zijn, zij geschiedt uitermate langzaam en zonder merkbare bewegingen.

De Polypen

Dieren met een vrijwel geleiachtig lichaam, tot

zelfherstelling geschikt. Geen ander bijzonder orgaan dan een

spijsverteringskanaal met een enkele opening: een einstandige

mond, met straalsgewijs vangarmen of een gewimperd raderorgaan

Genaderd tot de _polypen_ hebben wij de voornaamste sport der

dieren-scala bereikt, d.w.z. op een na de laatste klasse. Hier komt

de onvolkomendheid en eenvoud van organisatie dermate sterk uit,

dat deze dieren welhaast geen vermogens bezitten en men langen tijd

aan hun dierlijken aard getwijfeld heeft.

Deze dieren zijn knopvormend, in 't bezit van een homogeen, bijna

geheel geleiachtig, in allen deele sterk regeneratief lichaam, dat

den straalvorm, die hier in de natuur zijn intrede doet, nog slechts

in de rangschikking der vangarmen rond den mond vertoont. Er is geen

ander bijzonder orgaan dan een darmkanaal met slechts een opening en

derhalve onvolledig.

Men kan zeggen, dat de _polypen_ op lager trap staan dan alle

voorafgaande dieren, als hebbende geen hersenen, noch mergstreng,

noch bijzondere ademhalingsorganen, noch bloedvaatstelsel, noch

eierstokken. Hun lichaamssubstantie is o.z.t.z. gelijksoortig

en bestaat uit een geleiïg, prikkelbaar _celweefsel_ waarin de

vloeistoffen zich langzaam voortbewegen. Alle ingewanden bepalen

zich tot een onvolkomen, zelden gekronkeld of geappendeerd

spijsverteringskanaal, in het algemeen slechts op een langen zak

gelijkend met een enkele opening, tot mond en anus tegelijk dienende.

Men is niet gerechtigd tot de meening, dat bij de onderhavige dieren

al die opgemelde organen niettemin uiterst gereduceerd aanwezig

zijn, verspreid in en vermengd met de algemeene lichaamssubstantie en

gelijkelijk verdeeld over de kleinste deeltjes instede van op bepaalde

plaatsen gelocaliseerd te zijn en dat bijgevolg ieder punt van het

lichaam gewaarwordingen zou kunnen ondergaan, en spierbeweging,

wil of gedachte vertoonen; dit ware ontbloot van allen grond of

waarschijnlijkheid. Immers, op grond eener dergelijke veronderstelling

zou men kunnen zeggen, dat Hydra op alle punten van haar lichaam alle

organen der meest volkomen dieren nog bezat, dus op elk punt zag,

hoorde, rook, proefde, enz., en bovendien gedachten had, oordeelen

velde, kortom redeneerde. Ieder molecuul bijv. van den _zoetwaterpolyp_

ware alsdan op zijn eentje een volmaakt dier en de hydra zelve ware

nog volkomener dan de mensch, wijl elk van haar kleinste deeltjes in

organisatie en functie gelijkwaardig ware aan een geheel exemplaar

van het menschelijk ras.--En waarom zou men dezelfde redeneering niet

uitbreiden tot de _monade_, het laagst-bekende dier, en vervolgens

zelfs tot de _planten_, die toch óók leven! Men zou dan aan alle

moleculen eener plant alle genoemde vermogens moeten toeschrijven,

zij het ook beperkt binnen grenzen al naar den aard van het betreffende

levende wezen.

Maar het natuuronderzoek wijst geenszins op een dergelijk resultaat;

het leert ons integendeel, dat overal tegelijk met een orgaan ook

zijn functie verdwijnt. Een blind (of blind gemaakt) dier kan niet

zien, en ofschoon de onderscheidene _zinnen_ hun oorsprong blijken

te nemen in het _tastgevoel_, hetwelk in elk van hen slechts op

verschillende manier gewijzigd is, zoo zal toch een dier zonder

_zenuwen_ nooit gewaarwordingen kunnen ondergaan, wijl het geen

innerlijk besef van zijn bestaan heeft en evenmin een middelpunt,

waarop die gewaarwordingen moesten worden betrokken; en bijgevolg

kan het ook niet voelen.

De _tastzin_, die grondslag van de andere zintuigen, verbreid als zij

is in bijna alle lichaamsdeelen, der geïnnerveerde dieren, is niet

meer aanwezig bij dieren zonder zenuwen, gelijk de _polypen_. Bij

hen zijn de deelen nog slechts _prikkelbaar_, en wel in zeer

sterke mate. Maar hen ontbreekt 't gevoel en dus ten eenen male alle

gewaarwording. Immers, voor het tot stand komen van deze laatste wordt

vooreerst een ontvangend orgaan vereischt (zenuwen), en vervolgens

een of ander middelpunt waarop die gewaarwordingen kunnen betrokken

worden (hersenen of knoopige mergstreng).

Een gewaarwording is steeds het gevolg van een ontvangen en

onmiddellijk naar een inwendig verzamelpunt geleiden indruk, waar zij

dan "gevormd" wordt. Verbreek de verbinding tusschen het receptorische

orgaan en de plaats, waar zich de gewaarwording "vormt", en ieder

gevoel zal op dit punt ophouden; dit beginsel is onweerlegbaar.

Geen _polyp_ kan werkelijke _eieren_ voortbrengen, aangezien geen

enkele bijzondere voortplantingsorganen bezit. Immers, voor echte

z.g. "oviparie" is het niet voldoende, dat het dier een _eierstok_

bezit, maar bovendien moet hetzelf, of een ander individu van zijn

soort een apart bevruchtingsorgaan hebben en niemand zou bij de polypen

een dergelijk orgaan kunnen aantoonen, terwijl men bij vele van hen

zeer goed de "broed-knoppen" kent, die bij nadere beschouwing slechts

meer zelfstandige insnoeringen van het dierlijk lichaam blijken, zij

het ook minder eenvoudige dan wij bij de laatste dierklasse aantreffen.

De zoo bij uitstek prikkelbare _polypen_ bewegen zich slechts op

prikkels van buiten af, en deze bewegingen voltrekken zich algemeen

zonder wilsdaden, en zonder mogelijkheid van keuze, daar de polypen

geen wil hebben kunnen. Zij wenden zich altijd naar het licht,

evenals dat, ofschoon langzamer, met takken, bladeren of bloemen

het geval is. Geen enkele _polyp_ achtervolgt haar prooi of zoekt er

naar met zijn voelarmen; maar als deze aangeraakt worden door een of

ander vreemd voorwerp, dan houden zij het vast, brengen het naar den

mond en de polyp verzwelgt het, eetbaar of nutteloos, zonder eenig

onderscheid. In het eerste geval voedt hij zich ermee, met teruggave

van de onverteerbare resten; in het tweede geval werpt zij het na

eenigen tijd in zijn geheel weer uit zijn spijsverteringskanaal;

maar bij dat alles heerscht dezelfde noodzakelijkheid van handelen

en nooit een mogelijkheid van keuze, tot variatie.

Groot en ingrijpend is het verschil tusschen _polypen_ en

_straaldieren_: inwendig vindt men bij een polyp geen straalsgewijs

gerangschikte deelen; alleen de tentakels hebben die plaatsing,

d.w.z. dezelfde als de armen der _koppootige weekdieren_, die geen

mensch toch verwarren zal met de radiaten. Overigens is bij de

_polypen_ de mond boven- en eind-standig, maar bij de _radiaten_

anders.

De naam _zoöphyten_ of dier-planten past geenszins voor de _polypen_,

wijl zij uitsluitend en volkomen dieren zijn met algemeen bij

de planten ontbrekende functies, t.w. echte _prikkelbaarheid_

en _spijsvertering_ en wijl hun aard ten slotte in wezen niets

van een plant heeft. De eenige punten van overeenkomst tusschen

beide zijn. 1e. Een overeenkomstige eenvoud van organisatie; 2e. De

onderlinge samenhang en de gemeenschap van het darmkanaal bij vele

polypen, waardoor samengestelde dieren ontstaan. 3e. Ten slotte

vormen deze vereenigde polypen massa's, die een uitwendige gelijkenis

met planten vertoonen, wijl zij dikwerf op dezelfde wijze vertakt

zijn.... De monden van de _polypen_ (een of vele) voeren altijd

tot een darm-, d.w.z. een spijsverteringskanaal, hetwelk bij alle

planten ontbreekt.

Zoo de vanaf de zoogdieren vervolgde _trapsgewijze afklimming_ in

organisatie ergens duidelijk is, dan is zij dat voorzeker wel onder

de _polypen_, wier bouw tot een uiterste van eenvoud zich bepaalt.

De Infusoria (Afgietseldiertjes)

Uiterst kleine, geleiachtige, doorzichtige, homogene en

zeer-samentrekbare diertjes, zonder eenig duidelijk inwendig

orgaan (behoudens eivormige knoppen) noch straalsgewijze

tentakels of raderorganen aan de buitenzijde

Hier zijn wij eindelijk aangeland bij de laatste klasse van het

dierenrijk, in elk opzicht de minst volkomene van alle, d.w.z. het

eenvoudigst van organisatie en 't minst begaafd, wier leden eigenlijk

nog slechts schijnen te verkeeren in den voorhof van het dierlijke

leven.

Tot nu toe had ik deze kleine diertjes vereenigd met de klasse

der polypen onder den naam _Amorpha_, wijl zij geen standvastige,

specifieke vormen vertoonen. Maar ik heb de noodzakelijkheid ingezien,

ze daarvan te scheiden om een afzonderlijke klasse te vormen, hetgeen

echter niets aan den hun toegekenden rang afdoet. Het heele gevolg van

die verandering bepaalt zich tot een scheidslijn, kennelijk vereischt

door hun eenvoudiger bouw en het ontbreken van straalgewijs geplaatste

voelarmen en raderorganen.

De organisatie der _infusoriën_ wordt van geslacht tot geslacht steeds

eenvoudiger; de laatste genera vertoonen ons a.h.w. het uiterste

stadium van dierlijkheid, voorzoover voor ons bereikbaar. Vooral bij de

tweede orde kan men zich overtuigen, dat elk spoor van darmkanaal, mond

of eenig bijzonder orgaan ontbreekt, in een woord: geen spijsvertering

meer plaats grijpt.

Het zijn slechts uiterst kleine, gelatineachtige, doorzichtige,

samentrekbare en homogene lichaampjes, samengesteld uit een bijna

vloeibaar en niettemin op alle punten prikkelbaar celweefsel(†). Zij

schijnen slechts bezielde, althans bewegende punten die zich voeden

door een voortdurende opslorping of drenking en ongetwijfeld worden

zij belevendigd door de omringende fijne fluida, zooals _warmte_

en _electriciteit_, die in hen de levensbewegingen opwekken.

Hoe inhoudsloos ware de veronderstelling, dat alle van de overige

dieren bekende organen ook bij de infusoren voorkwamen, maar dan

verspreid over het heele lijfje. Inderdaad leert de uiterst zwakke,

bijna nietige gesteldheid dezer geleiklompjes het overbodige van

dergelijke organen, die toch niet zouden kunnen functioneeren. Immers

om te kunnen reageeren op de fluiden en hun eigen functie uit te

oefenen is voor organen een zekere vastheid en stevige houvast noodig;

bij deze teere wezentjes kan dat dus niet verondersteld worden.

Alleen in de onderhavige klasse schijnt de natuur oer-voortbrenging

of _generatio spontanea_ te plegen, telkens, onder gunstige

omstandigheden, herhaald. En wij zullen trachten aan te toonen, dat

uitsluitend hierop de mogelijkheid berust om in een enorm tijdsverloop

langs indirecten weg alle andere diersoorten te vormen. De grond

voor het geloof, dat de _afgietseldiertjes_--althans de meerderheid

van hen--door _generatio spontanea_ ontstaan is, dat deze teere

schepseltjes in het ongunstige jaargetijde bij lagere temperatuur

alle omkomen; en men zal toch voorzeker niet veronderstellen dat zoo'n

broos wezentje een overwinterknop van voldoende vastheid kan vormen,

die deszelfs bestaan bij warm weer wederom kan voortzetten.(†)

Men vindt _infusoren_ in stilstaand water, aftreksels van plantaardige

of dierlijke stoffen en zelfs in het zaadvocht der hoogstaande

dieren. Men vindt hen in alle deelen der aarde, maar alleen in

zoodanige omstandigheden, waarin zij kunnen ontstaan.

Zoo zien wij bij het achtereenvolgens beschouwen van de verschillende

dierlijke organisatiestelsels vanaf de meest samengestelde tot

de eenvoudigste de _trapsgewijze afklimming_ daarvan, beginnende

met de meest volkomen dieren zelve, vervolgens van klas tot

klasse voortschrijdende--ofschoon met _afwijkingen_ ten gevolge

van verschillende typen van omstandigheden--om te eindigen met de

infusoriën, wier bewerktuiging het allereenvoudigst en onvolkomenst

is, gelijk boven nader uiteengezet is.

Speciaal bij de _ongewervelden_ hebben wij achtereenvolgens alle

bijzondere organen, zelfs de meestbelangrijke, gaandeweg zien

degradeeren, minder specifiek en afgezonderd worden en ten slotte

volkomen verdwijnen, lang vòòr het ander einde van de heele keten

is bereikt. Ja, nog voor wij het rijk der vertebraten verlaten zien

we reeds groote verschillen in volkomenheid der organen en sommige,

zooals urineblaas, middenrif, stemorgaan, oogleden enz. gaan geheel te

loor. Zoo begint bijv. de long, dat volmaakte ademhalingswerktuig,

bij de reptielen te ontaarden, verdwijnt 't bij de visschen om

bij geen enkel ongewerveld dier weer terug te keeren. Het geraamte

tenslotte, dat mede den grondslag vormt van de vier ledematen bij de

meeste vertebraten, begint vooral bij de reptielen achteruit te gaan,

om bij de visschen geheel op te houden.

Maar de ongewervelde dieren verliezen gaandeweg hart, hersenen,

kieuwen, samengestelde klieren, bloedvaten en de organen voor

het gehoor, gezicht, geslachtelijke voortplanting, gevoel en

beweging. Immers, zooals reeds werd opgemerkt, zou men bij een polyp

vergeefs de minste sporen van zenuwen of spieren zoeken, zoodat zij

dan ook zoowel gevoel als willekeurige beweeglijkheid derft, aangezien

de wil altijd een handeling is van het verstandsorgaan en het dier

van iets dergelijks absoluut verstoken is. Des te beter is echter

de prikkelbaarheid ontwikkeld, en zoo zijn dan alle bewegingen het

noodwendig resultaat van buiten af in de irritable deelen ontvangen

indrukken en voltrekken zij zich zonder de mogelijkheid van keuze.

Plaatst men een _zoetwaterpolyp_ in een glas water in een kamer, waarin

het licht slechts door één venster, dus van één zijde, binnenkomt,

dan zal hij zich op een bepaald punt van het glas vastzetten. Draait

men hetzelve dan een halven slag om, dan ziet men zich de _Hydra_

langzaam begeven naar de belichte plek en hier blijven zoolang de

toestand ongewijzigd is. Evenals ook de plantendeelen zich geheel

onwillekeurig naar het licht draaien.

Zoölogische Philosophie Of beschouwingen over de Natuurlijke Historie der dieren etc. · 第 9 / 16 段