mollusken. De eene bestaat uit een netwerk van vaten, zich slingerend
zonder relief over het slijmvlies eener holte; deze kieuwen zijn
slechts geschikt voor lucht-ademen; men kan ze dus "_lucht-kieuwen_"
noemen. De andere soort daarentegen vertoont bijna altijd in of buiten
het dier uitspringende organen en vormt franjes of gekamde lamellen,
of ook wel strengetjes, enz. Zij kunnen de ademhaling slechts in
natte omgeving bewerkstelligen; ("_waterkieuwen_").
Indien nu de onderling-verschillende gewoonten der dieren hunne organen
overeenkomstig hebben gewijzigd, zoo mogen wij hier besluiten, dat
het voor recht begrip van sommige molluskenorden nuttig zal zijn,
die met lucht- te onderscheiden van die met waterkieuwen. Maar in
beide gevallen zijn het kieuwen, en het schijnt ons ongepast, te
spreken van weekdieren met longen. Wie weet niet, hoe vaak misbruik
van woorden en valsche aanwending van namen dienst hebben gedaan,
om zaken onnatuurlijk voor te stellen en ons in verwarring te brengen!
Is er bijv. zoo groot verschil tusschen het netwerk of streng van
bloedvaten in de huid van _Pneumodermon_ en dat van het inwendige
vlies bij een tuinslak? En toch ademt _Pneumodermon_ naar allen schijn
slechts water.
Overigens zullen wij eens nagaan, of er verband is tusschen de
lucht-kieuwen der mollusken en de longen der vertebraten.
Het eigenaardige van longen is hun sponsachtige structuur, samengesteld
uit min of meer talrijke cellen, waarin de buitenlucht steeds
doordringt, eerst door den mond en vervolgens door een kraakbeenachtig
kanaal, de _luchtpijp_, die zich vertakt tot _bronchiën_, welke in
celletjes uitmonden. De cellen en bronchiën vullen en ledigen zich
afwisselend door de opeenvolgende opzwelling en afplatting van de
lichaamsholte, zoodat kenmerkend voor de longen is een duidelijke,
afwisselende in- en uitademing. Dit orgaan kan slechts de aanraking
met lucht verdragen en wordt zelfs door water of een andere stof sterk
geprikkeld. Het is dus van een andere natuur dan de steeds ongepaarde
_kieuwholte_ van zekere weekdieren, die nooit opzwelling en afplatting
vertoont, noch _luchtpijp_ of _bronchiën_ en waarin het ingeademde
fluide nooit door den mond binnentreedt. Een dergelijke holte, die zich
buitendien dán weer aan het water en dán weer aan de lucht aanpast,
kan nooit long heeten. Met eenzelfden naam twee zoozeer verschillende
zaken aan te duiden, is geen wetenschap bevorderen, maar verwarren.
De _long_ is het eenige orgaan, dat aan dieren een stem kan geven. Na
de reptielen bezit geen enkel dier longen, ergo ook geen stem.
Mijne conclusie is, dat weekdieren nimmer door longen ademen(). Indien
ook al sommige van hen lucht inademen, zoo geldt dat ook voor sommige
schaaldieren, alsmede alle insecten. Nochtans bezit geen dezer dieren
echte longen.
Terwijl de weekdieren door hun algemeenen bouw, die onder dien der
visschen staat, ook hunnerzijds de afklimming in de dierenketen
bewijzen, zoo is deze onder de weekdieren onderling veel moeilijker
aantoonbaar, want onder de zeer talrijke en uiteenloopende diervormen
dezer klasse valt de onderscheiding zwaar tusschen 1e. wat op
rekening komt van die onderhavige afklimming en 2e. de gevolgen van
de woonplaatsen en levenswijzen der dieren.
Weliswaar zijn de beide orden, waarin de volkrijke klasse der
weekdieren wordt verdeeld, sterk met elkaar in contrast door het
gewicht der kenmerkende eigenschappen. De leden van de eerste orde
(_Mollusca cephalota_) bezitten een scherp afgeteekenden kop, oogen,
kaken of slurf, en planten zich door paring voort. Al deze kenmerken
worden bij de tweede (_Acephale weekdieren_) gemist. Zonder eenige
quaestie staat dus de tweede orde bij de eerste in organisatie ten
achteren.
Het is echter van belang, op te merken, dat het gemis van kop,
oogen, etc. bij de acephalen niet uitsluitend aan de algemeen lagere
bewerktuiging moet worden toegeschreven, in overeenstemming met het
feit, dat kop en oogen bij lagerstaande orden in de dieren-scala weer
terugkeeren. Integendeel, naar allen schijn is hier sprake van een
dier afleidingen van het volmakingsproces door de omstandigheden,
niet te vereenzelvigen met de oorzaken van de geleidelijke hoogere
organiseering der dieren.
Den invloed van gebruik of voortdurend, volkomen onbruik der organen
beschouwende, zullen wij zien, dat een kop, oogen, enz. voor de tweede
orde hoogst nutteloos waren geweest, wijl de groote ontwikkeling van
den mantel het gebruik toch onmogelijk gemaakt zou hebben.
Overeenkomstig die algemeene natuurwet, dat elk ongebruikt orgaan
degenereert, zachtjes aan verkomt en verarmt om ten slotte geheel
te verdwijnen, zijn kop, oogen, kaken enz. bij de acephalen geheel
vernietigd; overigens zullen wij daar nog meer voorbeelden van
ontmoeten.
Wijl de natuur bij de ongewervelde dieren geen inwendige steunpunten
voor de spieren meer had, heeft zij gene bij de _weekdieren_ vervangen
door een mantel. Deze is des te sterker en vaster naarmate de dieren
zich krachtiger bewegen en er uitsluitend op aangewezen zijn. Bij de
cephalen, met hun sterkere bewegingen, is die mantel enger, dikker en
steviger en onder hen zijn de naakte vormen (zonder schelp) bovendien
voorzien van een pantser binnen den mantel, dat nog steviger is dan
de mantel zelf en de samentrekking en 't voortkruipen van die dieren
(de naaktslakken) bijzonder vergemakkelijkt.
Maar als wij, inplaats van tegen den draad in te gaan, de dierlijke
scala van het minder- naar het meer-volmaakte doorloopen, zullen
wij spoedig inzien, dat de natuur op den drempel van het gewervelde
dier-type bij de mollusken gedwongen is geweest een verkorste of
hoornachtige huid als steun voor de spierbeweging op te geven en,
in voorbereiding van de verlegging dier aanhechtingspunten naar het
inwendige, de weekdieren in zekeren zin als overgangsvormen zijn te
beschouwen, zoodat zij hun bewegingen merkwaardig langzaam uitvoeren,
als hebbende nog slechts zwakke middelen daartoe().
Cirripedia (Rankvoetigen)
Dieren zonder oogen, door kieuwen ademend, met een mantel en
gelede pooten met hoornachtige huid.
De geheel opzichzelf staande _rankvoetigen_, waarvan men nog slechts
vier geslachten kent [21] moeten als een afzonderlijke, geheel
zelfstandige klasse der evertebraten opgevat worden().
Zij naderen tot de weekdieren door het bezit van een mantel, en ze
moeten onmiddellijk na de koplooze Mollusken geplaatst worden door
hun gemis van kop en oogen. Nochtans kunnen ze geen deel uitmaken van
de weekdieren, wijl hun zenuwstelsel, evenals dat der drie volgende
klassen, een _overlangsche ganglïenstreng_ vertoont. Voorts hebben ze
gelede armen met hoornige huid en verscheidene dwarse paren kaken. Dus
staan ze een rang lager dan de mollusken. De bloedsomloop geschiedt
door een echte circulatie, dus in aderen en slagaderen.
Deze dieren hechten zich aan voorwerpen in zee en verplaatsen zichzelf
dus niet; de bewegingen, bepalen zich voornamelijk tot de armen. Wijl
nu de mantel onbruikbaar was als steunpunt voor de armspieren, moesten
die in de huid dezer armen gezocht worden. Die huid is dan ook taai
en hoornachtig, als bij de insecten en schaaldieren.
Annelida (Ringwormen)
Langgerekte, geringde dieren, zonder gelede pooten, ademend
door kieuwen, in het bezit van een bloedvaatstelsel en
overlangsche zenuwknoopenstreng.
De klasse der _ringwormen_ komt noodzakelijkerwijze na de cirripedia,
wijl een mantel ten eenen male ontbreekt. Wijders moeten ze per se
voor de schaaldieren geplaatst worden, als behoorende niet tot de
geleedpootigen--wier keten niet onderbroken mag worden--terwijl hun
bouw een plaatsing na de insecten verbiedt.
Ofschoon deze dieren over het algemeen nog zeer weinig bekend zijn,
zoo bewijst nochtans hun organisatie, dat ook voor hen de wet
der degradatie of _trapsgewijze afklimming_ geldt, wijl ze bij de
_weekdieren_ ten achter staan door het bezit van een zenuwknoopenstreng
en bij de _cirripedia_ door het gemis van een mantel.
Aan hun gewoonte, te leven in aarde, slik of water--(en dan meest
in huizen van verschillend materiaal, die naar believen verlaten
of betrokken kunnen worden)--danken de anneliden hun gestrekten
vorm, die hen zoodanig op wormen doet gelijken, dat tot heden alle
natuurvorschers ze ermee verward hebben.
Hun inwendige bouw vertoont zeer kleine hersenen, een overlangsche
gangliënstreng, aderen en slagaderen, waarin het meest roodgekleurde
bloed circuleert; zij ademen door kieuwen, nu eens inwendig en
verborgen, dan weer uitwendig naar voren tredend.
Crustacea (Schaaldieren)
Dieren met geleed lichaam en gelede pooten, een verschaalde
huid, een bloedvaatstelsel en ademend door kieuwen.
Hier betreden wij het terrein der talrijke gelede dieren, wier
huidbekleeding stevig, verkorst, hoorn- of lederachtig is.
Hunne harde deelen bevinden zich alle uitwendig en wijl de natuur, die
bij de onmiddellijke voorouders van deze klasse juist een spierstelsel
had gevormd en daarvoor harde steundeelen noodig had, het systeem
van geledingen heeft moeten invoeren, om beweging mogelijk te maken.
Door Linnaeus en zijn opvolgers werden alle gelede dieren tot
een enkele klasse onder den naam _insecten_ vereenigd; maar ten
slotte heeft men ingezien, dat die groote dierenrij in eenige
belangrijke afdeelingen moet worden onderscheiden. De klasse der
_schaaldieren_, met die der insecten verward, ofschoon door alle
klassieke natuurvorschers daarvan gescheiden, is dan ook een zeer
natuurlijke groep, waard om in stand te blijven. Zij moet onmiddellijk
op de _anneliden_ volgen en neemt den achtsten rang in op de algemeene
reeks der dieren; een beschouwing hunner organisatie eischt dat
onvoorwaardelijk.
Immers, de _schaaldieren_ bezitten een hart, aderen en slagaderen
waarin een doorschijnende, bijna kleurlooze vloeistof circuleert;
verder ademen alle door echte _kieuwen_. Dit is onloochenbaar en zal
altijd moeilijkheden baren aan hen, die ze met alle geweld bij de
insecten willen onderbrengen, uit hoofde hunner gelede pooten.
Schoon de _schaaldieren_ door hun bloedsomloop en hun ademhalingsorgaan
duidelijk onderscheiden zijn van de _spinachtigen_ en _insecten_,
en daardoor kennelijk een hoogeren rang innemen, zoo hebben zij met
de genoemde dieren in vergelijking met de _anneliden_ dezen trek van
minderwaardigheid gemeen, dat ze behooren tot de geleedpootigen,
waarbij men het vaatstelsel, d.w.z. hart, aderen en slagaderen
geleidelijk ziet verloren gaan, evenals de ademhaling door kieuwen. De
crustaceeën bevestigen dus ook voor hun deel de voortdurende en
_trapsgewijze afklimming_ in organisatie (in de richting, waarin
_wij_ de dieren-scala doorloopen). Dat de circuleerende vloeistof
doorschijnend en bijna kleurloos is, als bij de insecten, wijst
eveneens op hun lagere rangorde.
Wat het zenuwstelsel betreft, dit bestaat uit zeer kleine hersenen
en een overlangsche zenuwknoopenstreng, een kenmerk van verarming,
gemeenschappelijk met de twee voorafgaande en twee volgende klassen,
als zijnde deze de laatste met duidelijke zenuwen. Ook worden bij de
schaaldieren de laatste sporen van een gehoororgaan gevonden().
Opmerkingen.
Hier eindigt het echte bloedvatstelsel, zooals we dat tot
nu toe hebben aangetroffen. De volgende dieren zijn dus nog
onvolmaakter georganiseerd dan de _crustaceeën_. Aldus openbaart
zich de _degradatie_ duidelijk, wijl, naarmate men in de dierenrij
voortschrijdt, gaandeweg alle trekken van gelijkenis met de hoogste
dieren worden uitgewischt. Welke ook de aard der vloeistofbeweging
zij bij de hier na volgende dieren, zij voltrekt zich door minder
werkzame middelen, en gaat steeds langzamer.
Arachnida (Spinachtigen)
Dieren, ademend door beperkte luchtbuizen (tracheeën) en
zonder gedaanteverwisseling; steeds met gelede pooten en
oogen aan den kop.
Voortgaande op de ingeslagen richting komt de negende rang in het
dierenrijk van zelf toe aan de _arachniden_; met de _schaaldieren_
hebben zij zooveel gemeenschappelijks, dat men steeds gedwongen zal
zijn, ze daar onmiddellijk achter te plaatsen. Niettemin zijn ze er
duidelijk van onderscheiden, want ze toonen het eerste voorbeeld van
een ademstelsel van lagere orde dan de _kieuwen_, dat nooit samengaat
met een hart, slagaders en aders.
Inderdaad ademen de spinachtigen door huidopeningen (stigmata) en
luchthoudende buizen, overeenkomstig die der insecten. Maar in stede
van, gelijk bij de insecten, zich door het gansche lichaam uit te
strekken, zijn deze tracheeën beperkt tot een klein aantal blaasjes;
hetwelk aantoont, dat de natuur bij de _spinnen_ afstand doet van dit
adem-systeem, dat aan de _kieuwen_ heeft moeten voorafgaan--evenals
bij de visschen of de eerste reptielen de kieuwen weer verdwijnen,--om
plaats te maken voor de echte _longen_.
Waar dus de _arachniden_ zich scherp van de crustaceeën onderscheiden
door hun stelsel van respiratie, zoo mogen ze evenmin met de
insecten vereenigd worden, van wier klassieke type ze overigens,
ook in inwendigen bouw, afwijken. De voornaamste verschilpunten van
deze twee groepen zijn nl. de volgende:
1e. Zij ondergaan nooit eenige gedaanteverwisseling, worden dus
geboren in hun definitieve gedaante, met oogen op den kop en gelede
pooten; deze staat van zaken houdt verband met den inwendigen bouw,
sterk afwijkende van dien der insecten.
2e. Bij hunne eerste orde (Ar. palpata) treft men den aanleg van een
bloedsomloop aan [22].
3e. Het ademhalingsstelsel, ofschoon van dezelfde orde als dat der
insecten, onderscheidt er zich toch sterk van, gelijk boven nader
is aangegeven.
4e. Ten slotte planten zich de spinachtigen meerdere malen in het
leven voort, welk vermogen de insecten missen.() [23]
Deze beschouwingen mogen voldoende doen uitkomen hoezeer ten onrechte
men wel de _arachniden_ en _insecten_ tot één enkele klasse vereenigt,
doordat de betreffende auteurs slechts letten op de gelede pooten
en min of meer verharde huid. Dat zou ten naaste bij op hetzelfde
neer komen, alsof men bijv. _visschen_ en _reptielen_ tot één klasse
vereenigde, uitsluitend op grond van hun beider min of meer beschubde
huid!
Wat betreft de _trapsgewijze afklimming_ der organisatie, die wij
voor de geheele dierenreeks navorschen, deze is bij de _arachniden_
al bijzonder duidelijk; deze dieren bevestigen haar ook weer door
hun minder volmaakte ademstelsel--dat bij de longen, zelfs bij de
kieuwen ten achter staat--en door hun onvoltooiden bloedsomloop,
blijkbaar nog in aanleg.
Deze afklimming laat zich ook nagaan bij de rij van soorten
onderling, die tot deze klasse behooren; want de tweede orde derzelve
(A. antennata) is belangrijk lager georganiseerd en staat veel dichter
bij de insecten, waarvan ze niettemin door het ontbreken van elke
gedaanteverwisseling onderscheiden is. En aangezien ze zich nooit in
de lucht verheffen, strekken hunne tracheeën zich waarschijnlijk niet
overal in alle lichaamsdeelen uit.
De Insecten
Dieren met een gedaanteverwisseling, die hun ten slotte
geeft: twee oogen, twee sprieten, zes gelede pooten en twee
luchtbuizen, die zich door het heele lichaam uitstrekken.
Onzen weg vervolgende in tegengestelde richting aan de natuurlijke
komen na de spinachtigen noodzakelijkerwijze de _insecten_, d.w.z. de
onmetelijke reeks van lagere dieren, die aders en slagaders missen,
ademen door uitgebreide luchtbuizen, en in onvolkomen staat geboren
worden, hetgeen een _gedaanteverwisseling_ meebrengt. In volwassen
toestand bezitten alle insecten zonder uitzondering zes gelede pooten,
twee antennen, twee oogen op den kop, en het meerendeel heeft alsdan
ook vleugels.
In de door ons gevolgde rangorde nemen de insecten noodzakelijk
de tiende plaats in, want ze staan in organisatie ten achter bij de
spinachtigen, wijl ze niet--als deze--in volkomen staat geboren worden,
en zich slechts eenmaal in het leven voortplanten().
Speciaal bij de _insecten_ valt op te merken, hoe de "vitale" organen
bijna gelijkmatig en meestentijds over de geheele uitgebreidheid
van het lichaam verdeeld zijn, in stede van beperkt tot bepaalde
afdeelingen van hetzelve, zooals dat bij de hoogste dieren
het geval is. Deze eigenaardigheid verliest langzamerhand haar
uitzonderingskarakter en wordt bij de na-komende klassen hoe langer
hoe meer regel.
Nergens is de algemeene _degradatie_ zoo duidelijk uitgedrukt als
bij de _gekorven dieren_, die lager zijn georganiseerd dan alle
voorafgaande klassen. Zij blijkt zelfs tusschen de verschillende
natuurlijke orden der insecten onderling; want bij de eerste drie orden
(kevers, recht- en net-vleugeligen) zijn er boven- en onderkaken
aan den mond; de vierde (vliesvleugeligen) begint een soort snuit
te krijgen; de laatste vier ten slotte (vlinders, wantsen, vliegen,
luizen) hebben inderdaad nog slechts een slurf(). Na de eerste
drie insectenorden worden gepaarde kaken dan ook nergens meer in het
dierenrijk gevonden. Wat de vleugels betreft, de leden van de eerste
6 orden hebben er vier, waarvan er één of wel alle 2 paar tot vliegen
dienen. Bij de zevende en achtste orde zijn er nog maar twee, of ze
ontbreken geheel door reductie. De larven van de laatste twee orden
missen de pooten en gelijken op wormen.
Blijkbaar zijn de _insecten_ de laatste dieren met een duidelijke
geslachtelijke voortplanting en echte eieren leggend. Uiterst
merkwaardige bijzonderheden vallen voorts te vermelden omtrent de
voortbrengselen van hun nijverheid; hunne gewrochten komen geenszins
voort uit eenige gedachte, d.w.z. uit een combinatie van ideeën [24].
Opmerkingen.
Zooals de visschen onder de gewervelde dieren in hun algemeene gedaante
en de afwijkingen van den geleidelijken voortgang der bewerktuiging
den invloed van hun levensomstandigheden vertoonen, zoo laten hier ook
de _insecten_ in hun vorm, bouw en gedaanteverwisselingen duidelijk
de inwerking zien van de omringende lucht, waarin het meerendeel
zich--als de vogels--kan verheffen en duurzaam verblijven.
Indien de _insecten_ longen gehad hadden en zich konden opblazen met
lucht, die al uitzettend in alle lichaamsdeelen ware doorgedrongen
als bij de vogels, dan zouden ongetwijfeld hun haren in veeren zijn
veranderd().
En zoo men zich mocht verwonderen, dat er zoo weinig
aanknoopingspunten bestaan tusschen de _insecten_ met hun zonderlinge
gedaanteverwisselingen en de overige ongewervelde dieren, zoo
houde men in het oog, dat zij onder hen de eenige vliegers zijn,
en dat zóó bijzondere omstandigheden en gewoonten hun zeer eigene
resultaten wel moesten meebrengen. Slechts met de _arachniden_
vertoonen zij een zekere overeenkomst en inderdaad zijn beide
groepen, in het algemeen gesproken, de eenige evertebraten, die in
de atmospherische lucht leven; nochtans vertoont geen enkele _spin_
vlieg-vermogen of metamorphosen. En bij de behandeling van den invloed
der levensgewoonten zal ik laten zien, dat door zich te gewennen aan
een verblijf op den vasten grond en zich in schuilplaatsen terug te
trekken deze dieren een deel van de vermogens der insecten hebben
moeten verliezen en daartegenover die kenmerken verwerven, die hen
er zoo in het oog vallend van onderscheiden.
Het verdwijnen van meerdere organen, die voor de hoogere dieren van
essentieel belang zijn.
Na de _insecten_ gaapt er in de rij der dieren een vrij belangrijke
klove, door nog niet-waargenomen dieren alsnog te vullen. Want op
dit punt gaan verscheidene lichaamsdeelen, die de hoogere dieren
kenmerken, plotseling en volledig verloren, aangezien men ze niet
meer terug vindt bij de klassen, die thans de revue zullen passeeren.
Verdwijnen van het zenuwstelsel.
Op dit punt gaat het _zenuwstelsel_--de zenuwen met hun
verbindings-middelpunt--metterdaad geheel verloren, en vertoont zich
niet meer bij de hierna volgende klassen.--Bij de hoogste dieren
bestaat het uit hersenen, die voor de intellectueele verrichtingen
schijnen te dienen en aan de basis waarvan zich het centrum der
gewaarwordingen bevindt, vanwaar zenuwen uitgaan, en een ruggemerg,
dat eveneens zenuwen naar verschillende richtingen uitzendt.
Bij de vertebraten vallen de hersenen gaandeweg af, en naarmate
hun inhoud vermindert gedijt het ruggemerg en schijnt hun plaats in
te nemen.
Bij de weekdieren--de eerste klasse der evertebraten--bestaan de
hersenen nog, maar geen ruggemerg of ganglieketen; door de weinige
gangliën schijnen de zenuwen volstrekt niet knoopig.
Bij de vijf volgende klassen ten slotte krimpt het zenuwstelsel in
tot hersenen van armzalige afmetingen en een overlangsche streng,
vanwaar zenuwen naar de lichaamsdeelen verloopen. Van daar af is er
geen apart centrum meer voor de gewaarwordingen, maar een menigte
kleinere, over de geheele lengte van het dier verspreid.
Zóó eindigt bij de insecten het zoo belangrijke gevoelsorgaan, dat bij
een zekeren graad van ontwikkeling het aanzijn geeft aan de gedachte;
dat op grootsten trap van volmaking de verstandelijke werkzaamheid
in al haar volheid kan doen ontstaan; de bron, waaruit ook de spieren
hun kracht en zonder hetwelk geslachtelijke voortplanting niet schijnt
te kunnen plaats hebben().
Het _verbindingscentrum_ van het zenuwstelsel bevindt zich in de
hersenen of hun basis, of in een ganglieketen. Zoo beide afwezig zijn,
houdt het heele stelsel op te bestaan.
Verdwijnen van de geslachtsorganen.
Alle sporen van geslachtelijke voortplanting verdwijnen eveneens op
dit punt, en bij de nog te noemen dieren zijn bevruchtingsorganen
inderdaad niet te onderkennen. Niettemin zullen wij bij de leden
der twee navolgende klassen nog een soort van eierstokken aantreffen,
gevuld met eivormige lichaampjes, die als eieren beschouwd worden. Maar
die zoogenaamde eieren, die zich zonder voorafgaande ontwikkeling
kunnen ontwikkelen, vat ik op als _inwendige knoppen_(). Zij vormen
den overgang tusschen de voortplanting met inwendige knopvorming tot
de geslachtelijke met eieren.
De macht der gewoonte is bij den mensch zoo groot, dat hij, zelfs
tegen beter weten in, geneigd is, om alle zaken op dezelfde manier te
beschouwen. Aldus willen verscheidene plantkundigen, gewend om bij een
groot aantal planten geslachtsorganen aan te treffen, aan _alle_ zonder
uitzondering overeenkomstige deelen toeschrijven. En zoo hebben zij dan
met alle mogelijke moeite ook bij de "bedektbloeienden" meeldraden en
stempels trachten te ontdekken, en liever aan zekere nog ondoorzochte
deelen willekeurig bepaalde functies toegeschreven dan erkend, dat de
natuur eenzelfde doel met heel verschillende middelen weet te bereiken.
Men heeft zich verbeeld, dat elk voortplantingslichaam een zaad of
een ei moest zijn, d.w.z. een lichaampje, dat om te kunnen kiemen
bevrucht moest worden. Dat heeft Linnaeus doen zeggen: _Omne vivum
ex ovo_. Maar thans kennen wij planten en dieren genoeg, die zich
volstrekt niet op de genoemde manier voorttelen, en bijgevolg ook
geen bevruchting van noode hebben. De betreffende lichaampjes zijn
dan anders van vorm en ontwikkeling.
Ziehier het beginsel, dat in het oog te houden is bij de
beoordeeling van de voortplanting van eenig levend wezen. Elk
voortplantingslichaampje--hetzij plantaardig of dierlijk--dat zonder
zich _van een hulsel te ontdoen_ zich strekt en tot een plant of dier
uitgroeit, gelijk aan het oorspronkelijk wezen, is géén zaad of ei; na
den aanvang van den groei ondergaat het geenerlei kieming of ontluiking
en tot zijne vorming is geen bevruchting noodig geweest. Het bevat
dan ook geen embryo, besloten in omhulsels, waarvan het zich moet
bevrijden, gelijk zaad en ei.
Als men nu nauwlettend de ontwikkeling van de voortplantingslichaampjes
eener alg of paddestoel nagaat, zal men zien, dat het slechts
behoeft te zwellen om dan ongemerkt uit te groeien tot den vorm van
de moederplant.
Evenzoo kan men bij een poliep (bijv. _Hydra_) de ontwikkeling
volgen van een knop (_gemma_) om zich te overtuigen, dat deze zich
slechts strekt en groeit en volstrekt niet "uitkomt" als een kuiken
of zijdeworm uit het ei!