_Tweede afdeeling: hoefdieren_ (Ungulata); vier ledematen,

wier uiteinden geheel omhuld worden door een rond stuk hoorn,

z.g. "_hoef_". De voeten dienen slechts tot loopen of rennen en zijn

ongeschikt tot het boomleven of als grijporganen of tot het aanvallen

en verscheuren van andere dieren. De voeding geschiedt uitsluitend

met planten.

_Derde afdeeling: nagellooze zoogdieren_ (Exungulata); slechts twee

zeer korte, afgeplatte en tot zwemmen geschikte ledematen. De door de

huid omgeven vingers dragen geen nagels of andere hoornvormingen. Van

alle zoogdieren zijn zij het laagst bewerktuigd. Ze bezitten

bekken noch achterste ledematen en verzwelgen het voedsel

ongekauwd. Gewoonlijk leven zij in het water, maar komen aan de

oppervlakte om adem te halen. Men noemt ze cetacea (walvischachtigen).

Ofschoon de _tweeslachtige zoogdieren_ [18] eveneens het water bewonen,

waaruit zij slechts van tijd tot tijd aan land kruipen, zoo behooren

zij inderdaad tot de eerste afdeeling, van de natuurlijke Orde,

en niet tot die, welke de cetacea bevat.

Men zal nl. al dadelijk inzien, dat onderscheid dient gemaakt te

worden tusschen een _lageren trap_ van organisatie als gevolg 1e. van

woonplaats en aangenomen gewoonten, en 2e. van uit een geringeren

graad van volmaaktheid of bewerktuiging. Daardoor is voorzichtigheid

geboden bij de beschouwingen van details. Want aangezien de

levensomstandigheden, de bijzondere woonplaatsen de van buiten af

op-gedwongen gewoonten, levenswijze enz., een groot orgaan-omvormend

vermogen bezitten--gelijk ik nader zal laten zien--zoo zou men bepaalde

vormen verkeerdelijk aan oorzaken sub I kunnen toeschrijven.

Zoo is het duidelijk, dat de _amphibien_ [19] en de _walvisschen_, die

beide een dichte middenstof bewonen, waar goed-ontwikkelde ledematen

de bewegingen slechts zouden hinderen, het best gediend zijn van

zeer verkorte leden; dat uitsluitend de invloed van het water ze

heeft moeten maken tot wat ze zijn, en dat bijgevolg deze dieren

hun algemeenen lichaamsvorm danken aan het bewoonde milieu. Maar in

die _afdalende orde_, welke wij bij de _zoogdieren_ zelve tracht te

onderscheiden moeten de _tweeslachtigen_ van de _cetacea_ verwijderd

worden, wijl hun bewerktuiging in hare voornaamste deelen veel

minder gedegradeerd is; en men moet ze daarom nader brengen tot de

_genagelde zoogdieren_, terwijl de _walvischachtigen_, als zijnde de

minst volkomene, de laatste orde der klasse moeten vormen.

Thans zullen wij tot de _vogels_ overgaan, maar eerst wil ik nog

opmerken, dat van de _zoogdieren_ tot de _vogels_ geen overgang

bestaat. Hier is een leegte. Maar de natuur heeft zonder twijfel

dieren voortgebracht, die deze leegte ten naaste bij aanvullen, en

die een afzonderlijke klasse moeten vormen, indien zij noch onder de

zoogdieren, noch onder de vogels gerangschikt kunnen worden.

Dit is nu inderdaad gebleken, doordat men kort geleden in Nieuw-Holland

twee geslachten van zoogdieren ontdekt heeft, t.w.

Ornithorhynchus } Monotremata Geoffr.

Echidna. }

Deze dieren bezitten vier ledematen, geen melkklieren, tanden in kassen

noch lippen. Zij hebben slechts één afvoergang voor geslachtsproducten,

vaste- en vloeibare uitscheidingsstoffen, (cloaca). Het lijf is bedekt

met haren of stekels.

Zoogdieren zijn het niet, want ze hebben geen melkklieren en zijn

hoogstwaarschijnlijk eierleggend.

Het zijn geen vogels, want de longen zijn niet doorboord noch de armen

tot vleugels omgevormd. Reptielen zijn ze ten slotte ook niet, blijkens

hun twee hartkamers. Zij behooren dus tot een afzonderlijke klasse.

De Vogels.

Dieren zonder melkklieren, met twee pooten en twee tot vleugels

gewijzigde armen. Lichaam bedekt met veeren.

De tweede rang komt klaarblijkelijk aan de _vogels_ toe, want ofschoon

men bij hen gewis niet zooveel vermogens en verstand vindt als bij de

eersterangs-dieren, zoo zijn zij, ongeacht de monotremen, de eenige die

een hart met twee kamers en twee boezems, warm bloed, een geheel met

hersenen gevulde schedelholte en een in ribben gevatten romp hebben,

evenals de zoogdieren. Met deze laatste hebben ze dus zeer-aparte

kenmerken gemeen, die men bij geen der latere klassen zal terugvinden.

Vergeleken met de zoogdieren vertoonen nochtans de vogels een

kennelijk lageren trap van organisatie, geenszins afhankelijk van

de omstandigheden. Immers, als hoofdzaak missen zij de melkorganen,

slechts eigen aan de hoogst-ontwikkelde dieren, in verband met de

_echt-levendbarende_ wijze van voortplanten, die men zoowel bij de

vogels als bij een der na-volgende rangen vergeefs zou zoeken. In een

woord: ze _leggen eieren_. Hun in een anorganische z.g. eierschaal

gehulde foetus heeft weldra geen verbinding meer met de moeder en

ontwikkelt zich zonder aan haar direct voedsel te ontleenen.

Een _middenrif_, dat bij de mammaliën borst- en buik-holte volkomen,

zij het ietwat scheef, afscheidt, ontbreekt hier ten eenen male.

In de wervelkolom zijn slechts hals- en staartwervels bewegelijk, daar

dit voor de overige onnoodig is, en daarmede geen hinderpalen in den

weg gelegd worden aan de ontwikkeling van den kam van het borstbeen,

hetwelk thans op zijn beurt welhaast alle beweging onmogelijk maakt.

Immers, daar het sternum der vogels als steunpunt dient voor

pectoraalspieren, (door voortdurende, krachtige beweging zeer dik

en sterk geworden) is het zelve uiterst breed uitgegroeid met een

kam in het midden. Maar dit houdt verband met de gewoonten dezer

dieren, en niet met hun plaats in het systeem. Immers, een zoogdier:

de vleermuis vertoont eveneens een borstbeenkam.

Al het bloed der vogels doorstroomt de longen, alvorens de

andere lichaamsdeelen te bereiken. Dientengevolge geschiedt de

long-bloedzuivering hier nog even volledig als bij de zoogdieren;

later wordt dat stelsel niet meer aangetroffen.

Maar hier echter doet zich een zeer merkwaardige bijzonderheid

voor, welke zonder twijfel samenhangt met de levensomstandigheden

dezer dieren. De vogels, bij uitstek bewoners der lucht, die ze

onophoudelijk in alle richtingen doorklieven, hebben de gewoonte

aangenomen hun longen te doen zwellen ter verlichting, hetgeen deze

organen zijwaarts zakvormig heeft doen uitgroeien, en de--door de

plaatselijke warmte verdunde--lucht in staat gesteld heeft, longen

en omhulsels te doorboren en voorts in bijna alle lichaamsdeelen,

zelfs in de groote holle beenderen door te dringen, ja tot in de

schachten der pennen [20]. Desalniettemin ondergaat het bloed slechts

in de longen den vereischten invloed van de zuurstof, want de in de

andere lichaamsdeelen binnendringende lucht heeft een andere functie

dan voor de ademhaling.

Aldus staan de vogels met recht een trap onder de zoogdieren. Niet,

wijl hun longen een bijzonderheid bieden, die de eerste

missen,--evenals de veeren slechts een gevolg van het lucht-leven--doch

wijl ze een ander voortplantingssysteem bezitten dan de meest-volmaakte

dieren, nl. hetzelfde als het meerendeel der lagere klassen.

Onder de vogels zelf is de afklimming in organisatie zeer moeilijk

te onderkennen; onze kennis van hunne bewerktuiging is daarvoor nog

van te algemeenen aard. Men heeft dan ook tot heden vrij willekeurig

deze of gene orde aan het hoofd der klasse gesteld, en haar naar

welbehagen geëindigd.

Edoch, indien men in aanmerking neemt, dat de watervogels (zooals de

zwemvoetigen), de steltloopers en de hoenderachtigen het uitnemende

voordeel hebben, dat hun jongen dadelijk na het verlaten van het ei

kunnen loopen en zich voeden en bovenal, als men oplet, hoe onder de

zwemmers de vetganzen en pinguïns--wier bijna vederlooze, tot zwemmen

ongeschikte vleugels niet veel meer dan vinnen zijn--eenigermate

tot de cloaakdieren en walvischachtigen naderen, zoo zal men inzien,

dat de zwemvoetigen, steltloopers en hoenderachtigen de eerste drie

vogelorden moeten vormen en de duiven, zang-, roof- en klimvogels

de laatste vier. Voorzoover bekend kunnen bij hen de pas uitgekomen

jongen zich ook nog niet voortbewegen of voeden.

Ten slotte maken volgens deze beschouwingen de klimvogels de laatste

orde uit, als zijnde de eenige met twee teenen naar voren en twee

naar achteren, hetgeen op een nadere overeenkomst met de reptielen

(chamaeleon) schijnt te wijzen.

Reptielen.

Dieren met slechts een hartkamer, nog in het genot van

longademing, schoon onvolkomen. Huid glad of beschubd.

Op den derden rang komen natuurlijk (en noodzakelijk) de _reptielen_,

en zij zullen ons nieuwe en belangrijke bewijzen aan de hand doen

voor de _trapsgewijze afdaling_ der bewerktuiging van het eene tot het

andere einde der dieren-rij. Ten eerste heeft hun hart, met slechts één

hartholte, niet meer die gedaante, bij uitstek eigen aan de eerste-

en tweederangs dieren, en hun bloed is koud, bijna gelijk dat van de

leden der laagste rangen.

Een ander bewijs voor hun lageren trap van bewerktuiging vertoonen

de kruipende dieren ons in de ademhaling. Vooreerst zijn zij de

laatste, die nog door echte longen ademen, want na hen vinden wij in

geen enkele dierklasse dergelijke organen, hetgeen ik zal trachten

te bewijzen bij de weekdieren.--Ten tweede bestaat de long in 't

algemeen uit zeer groote cellen, naar verhouding weinig talrijk en

reeds sterk vereenvoudigd. Bij vele soorten ontbreekt dit orgaan

op jeugdigen leeftijd nog, en de functie wordt dan waargenomen

door _kieuwen_, ademhalingsorganen, welke bij geen der vorige rangen

gevonden worden. Soms worden hier beide systemen tegelijk bij hetzelfde

individu aangetroffen (jonge kikvorschachtigen).

Maar het beste bewijs voor hun _lagere rangorde_ in zake de ademing is

het feit, dat slechts een deel van het bloed door de longen passeert,

terwijl de rest de lichaams-deelen bereikt zonder "gelucht" te zijn.

Tenslotte beginnen de vier ledematen, zoo karakteristiek voor de

hoogere dieren, hier verloren te gaan, ja, veelal geheel te verdwijnen,

zooals bij haast alle slangen.

Onafhankelijk van de _vereenvoudiging_ in bewerktuiging, waarneembaar

in: hart-vorm, bloedtemperatuur--die ternauwernood boven die van de

omgeving stijgt--onvolkomen ademhaling en trapsgewijze vervlakking

der longen, bemerkt men voorts ook tusschen de reptielen onderling

belangrijke verschillen, zoodanig, dat de orden dezer klasse in

voorkomen en anatomie grooter verschillen vertoonen dan bij de twee

voorafgaande klassen. Sommige leven gewoonlijk op het land, en onder

hen kunnen de pootlooze soorten slechts kruipen. Andere bewonen

het natte element of wel afwisselend land en water. De huid is nu

eens glad, dan weer beschubd. Ofschoon alle slechts één hartkamer

hebben, zijn er sommige soorten met twee boezems, andere met een. Al

deze verschillen hangen af van de woonplaatsen, levenswijze, enz.;

zonder twijfel oefenen de omstandigheden grooteren invloed uit op een

organisatie, nog ver van het beoogde doel verwijderd, dan op zulke,

die reeds meer naar hun volmaking zijn voortgeschreden.

Wijl de kruipende dieren eieren leggen, (ook wanneer deze

intusschen in de moederschoot uitkomen), voorts een gewijzigd,

meest sterk vereenvoudigd skelet bezitten, een minder volkomen

ademhaling en bloedsomloop dan de zoogdieren en vogels en hunne

smalle hersenen de schedelholte niet geheel vullen, zoo zijn zij

minder volmaakt dan de twee voorafgaande klassen, aldus van hun

kant de voortdurend-_toenemende onvolkomenheid_ van organisatie

bevestigend. Reeds genoemd zijn de kieuwen der pasgeboren _batrachia_.

Indien men het ontbreken der pooten als een teeken voor lagere rangorde

zou opvatten, dan moesten de _slangen_ de laatste orde vormen; dit

ware echter een averechtsche opvatting. Immers, door het aannemen van

de gewoonte om zich te verbergen door vlak op den bodem te kruipen

heeft hun lichaam een overmatige lengte verkregen, vergeleken met

de dikte. Derhalve zouden lange pooten schadelijk geweest zijn voor

't zich kruipend verbergen, en korte pooten--waarvan ten hoogste

vier beschikbaar--niet in staat om het lijf voort te bewegen. Aldus

hebben de gewoonten dezer dieren hun pooten doen verdwijnen, en

niettegenstaande de _tweeslachtigen_ ze wel bezitten, zijn deze meer

overeenkomstig de visschen georganiseerd.

De bewijzen voor deze mijne belangrijke beschouwingen zullen gebaseerd

zijn op positieve feiten, en bijgevolg beveiligd voor--vergeefs

aangevoerde--tegenwerpingen.

De Visschen

Dieren, door kieuwen ademende, met gladde of beschubde huid

en voorzien van vinnen

Volgens onze plaatsing naar afklimmende orde van algemeene

bewerktuiging moeten de _visschen_ noodzakelijkerwijze op den vierden

rang worden geplaatst, dus na de _reptielen_. Inderdaad zijn zij ook

minder-volkomen bewerktuigd dan deze laatste!

Ongetwijfeld zijn hun algemeene lichaamsvorm, het ontbreken van een

insnoering tusschen kop en romp, en de verschillende vinvormige

ledematen een gevolg van de dichte middenstof, die zij bewonen,

en geen kenmerk van _lagere organisatie_. Toch is deze laatste

niet minder werkelijk, ja, blijkens hunne inwendige samenstelling,

aanzienlijk lager dan die der _reptielen_.

Bij hen vindt men het ademhalingsstelsel der hoogste dieren niet

terug, d.w.z., de--ontbrekende--ware longen zijn vervangen door

kieuwen, d.z. kamvormige, vaatrijke plaatjes, ten getale van vier

stel aan beide zijden van hals of kop geplaatst. Het door den bek

opgenomen water strijkt tusschen de kieuwbladen door, omspoelt de

talrijke vaten daarin, en de in het water vervatte lucht, schoon

in geringe hoeveelheid, werkt op het kieuw-bloed in, ter weldoende

lucht-verversching. Het water passeert daarna de zijdelingsche

openingen in den hals.

Merk op, dat hier voor de laatste maal het ingeademde fluide door

den mond heen het respiratie-orgaan bereikt(†).

Evenals de na-volgende rangen, missen ook deze dieren luchtpijp,

keel en echte stem (n'en déplaise de z.g. "_brommers_") alsmede

oogleden, enz.

Nochtans maken de visschen deel uit van de gewervelde dieren doch

zij beëindigen den vijfden trap van organisatie, wijl ze alleen met

de kruipende dieren de volgende eigenschappen gemeen hebben:

Een wervelkolom,

Zenuwen, in hersenen samenkomend die _niet_ de schedelholte

opvullen,

Eén hartkamer,

Koud bloed,

Uitsluitend inwendige gehoororganen.

De visschen zijn aldus georganiseerd: voortplanting door eieren;

lichaam zonder melkklieren en van den meest zwem-vaardigen vorm;

vinnen, welke niet geheel overeenkomen met de vier ledematen der

hoogere dieren; een zeer onvolledig skelet, zonderling vervormd

en bij de laagst-staande leden dezer klasse ter nauwernood

ontwikkeld; één hartkamer en koud bloed; kieuwen inplaats van

longen; zeer kleine hersenen; een tastzin zonder zin voor vormen en

klaarblijkelijk geen reukzin, wijl geuren slechts door de lucht worden

voortgeplant(†). Kortom, het is duidelijk, dat ook deze dieren van hun

kant de _trapsgewijze afklimming_, welke wij in het heele dierenrijk

nagaan, bevestigen.

Bij een hoofd-indeeling dezer klasse zullen we zien, dat de

z.g. beenvisschen meer volkomen zijn dan de kraakbeenachtigen. Ook

onderling duiden deze twee groepen dus weer op een trapsgewijzen

teruggang, want laatstgenoemde groep bewijst door de zwakte der

steunende deelen--ook in de voortbewegingsorganen--dat bij hen het

skelet eindigt, of liever: dat de natuur daar juist met de vorming

ervan begonnen is.

Steeds verder gaande in een richting, tegengesteld aan de natuurlijke

Orde, moeten de laatste acht geslachten van deze klasse die visschen

omvatten, waarvan de kieuwopeningen, zonder operculum (kieuwdeksel)

of membraan, slechts zijdelingsche of keelstandige gaten zijn. Aan

't einde zullen ten slotte de lampreien en lancetvischjes moeten

komen, wijl zij ten eenen male verschillen van alle andere door de

onvolkomendheid van hun skelet en door hun naakt, slijmig lichaam

zonder zijdelingsche vinnen, enz.

Algemeene opmerkingen over de gewervelde dieren.

Ofschoon onderling sterk afwijkende, zoo blijken de gewervelde dieren

alle volgens een gemeenschappelijk organisatieschema gebouwd. Van de

visschen tot de zoogdieren opstijgende ziet men, dat dit grondplan

zich van klasse tot klasse volmaakt heeft, en eerst in de hoogste

zoogdieren voleindigd is. Doch tevens merkt men op, dat het type in den

loop zijner volmaking talrijke wijzigingen heeft ondergaan, en zelfs

zeer aanzienlijke, zoowel door den invloed van de omgeving, als door

de gewoonten, welke iedere soort gedwongen was, naar omstandigheden

aan te nemen.

Men ziet daaruit, dat indien de vertebraten onderling in organisatie

sterk verschillen, dit een gevolg van het feit is, dat de natuur

eerst bij de visschen een aanvang heeft gemaakt met de uitvoering

van haar ontwerp, het vervolgens verder doorgevoerd bij de reptielen,

en bij de vogels nader tot zijn volmaking heeft gebracht, om het pas

bij de hoogste zoogdieren te voleinden.

Aan den anderen kant kan men niet nalaten op te merken, dat zoo al de

voltooiïng van dit plan niet overal van de visschen tot de zoogdieren

geleidelijk-vloeiend plaats heeft, dit zijn oorzaak vindt in de

bijzondere verschillende, soms zelfs tegenstrevende omstandigheden,

die wijzigend, tegenwerkend, ja zelfs richtingveranderend gewerkt

hebben gedurende de lange keten der opvolgende geslachten.

Verdwijnen van de wervelkolom.

Als men tot dit punt van de dierlijke ontwikkelingstrap genaderd is,

bevindt men, dat de wervelkolom totaal verdwijnt, en wijl deze de

kern is van ieder waar skelet en deze beenige stut een belangrijk

onderdeel uitmaakt van de organisatie der hoogste dieren, zoo zijn

alle _ongewervelden_, welke wij nu achtereenvolgens gaan beschouwen,

onvolkomener bewerktuigd dan de vier laatstbehandelde klassen. Van

nu af zullen dus de spieren geen steunpunten meer aan inwendige

deelen zoeken.

Bovendien ademen de _evertebraten_ nooit door cellige longen; geen

enkele heeft een stem, bijgevolg ook niet de betreffende organen. Ten

slotte schijnen ze meestal geen echt bloed te bezitten, d.i. die

meest roode vloeistof der gewervelde dieren, welke haar kleur slechts

dankt aan haren graad van bezwangering met bewegende lichaampjes,

en die voor alles een echten _omloop_ vertoont. Misbruik ware het,

den naam "_bloed_" ook te geven aan die vloeistof zonder kleur of

samenstelling, welke zich bijv. langzaam door de celsubstantie der

polypen beweegt. Moet men dienzelfden naam dan ook aan de plantensappen

geven?

Behalve de _wervelkolom_, gaat ook de _iris_ verloren, die de oogen

der hoogere dieren kenmerkt, want die der evertebraten zijn nooit

versierd met een duidelijk regenboogsvlies.

Ook de _nieren_ worden slechts bij de vertebraten gevonden, voor het

laatst bij de visschen. Voortaan geen ruggemerg meer, noch sympathisch

zenuwstelsel!

Belangrijk is het voorts, op te merken, dat bij de gewervelden,

en voornamelijk bij de hoogstontwikkelde daaronder, alle organen

afzonderlijk liggen, althans een eigen "haard" bezitten op evenzoovele

aparte plaatsen. Men zal zien, dat volstrekt het tegenovergestelde

plaats vindt, naarmate men zich naar het andere einde der scala

toe beweegt.

Het is dus duidelijk, dat de ongewervelde dieren alle primitiever

georganiseerd zijn, dan de gewervelde, met de zoogdieren, als de

meest-typische, aan den top.

Laat ons thans eens nagaan, of de klassen en groote families,

waarin de lange rij der _evertebraten_ ingedeeld wordt, eveneens een

_trapsgewijze afklimming_ aan kan wijzen in samenstelling en volmaking

van organisatie.

Ongewervelde Dieren (Evertebraten)

Komende tot de _evertebraten_ treden wij een oneindig rijk van

verschillende dieren binnen, de talrijkste van de heele natuur,

allerbelangwekkendst en merkwaardig verschillend in organisatie en

eigenschappen.

Bij de beschouwing van hen komt men tot de overtuiging, dat de

natuur bij hun achtereenvolgende schepping van de eenvoudigste tot

de meest-samengestelde heeft moeten voortschrijden. Waar zij nu een

systeem van organisatie voor oogen had, dat de groote volmaaktheid zou

mogelijk maken, (dat der vertebraten), een stelsel, geheel verschillend

van diegene, die zij aanvankelijk bij wijze van bruggen gedwongen

was te scheppen, zoo is het duidelijk, dat men onder deze talrijke

dieren niet een enkel, gaandeweg verbeterd systeem moet verwachten,

doch verschillende, onderling scherp onderscheiden stelsels, waarvan

elk heeft moeten ontspringen vanuit het begin-punt van ieder voornaam

orgaan.

Bij het in 't leven roepen van een bijzonder orgaan voor de

spijsvertering--zooals bij de _polypen_--heeft de natuur voor 't

eerst inderdaad een bijzonderen, standvastigen vorm gegeven aan de

betreffende dieren, terwijl de _infusoren_, die grondvesters van het

dierenrijk, noch de functie, noch den vorm of organisatie van dat

orgaan bezitten kunnen.

Toen moeder natuur daarop een apart _ademhalingswerktuig_ liet

ontstaan, en dit, al verbeterend, wijzigde in aanpassing aan de

levensomstandigheden der dieren, heeft zij zijn bouw gevarieerd,

al naarmate bestaan en ontwikkeling van de andere bijzondere organen

dat gaandeweg vereischten.

Met de schepping van een _zenuwstelsel_ werd het haar vervolgens tevens

mogelijk, een _spierstelsel_ voort te brengen waaarbij gepaarde deelen

een symmetrischen vorm bewerkstelligen. En als resultaat zien wij

verschillende nieuwe typen, naar gelang van de levensomstandigheden

en de nieuw-verworven deelen.

Toen de natuur tenslotte de dierlijke vloeistoffen voldoende in

beweging gebracht had, als begin van een _circulatie_, won de

bewerktuiging verder nog belangrijke bijzonderheden in onderscheid

met systemen zonder vloeistofomloop.

Om deze opvattingen te grondvesten en de afklimming en vereenvoudiging

der organisatie duidelijk te doen uitkomen zullen wij nu snel in

averechtsche richting de verschillende klassen der ongewervelde

dieren doorloopen.

Mollusca (Weekdieren).

Weeke, ongelede dieren, door kieuwen ademend, in het bezit van

een "mantel". Geen overlangsche zenuwknoopstreng of ruggemerg.

De vijfde rang bij het afdalen van de dierenscala behoort ongetwijfeld

aan de _weekdieren_, want, schoon als zijnde evertebraat van lagere

orde dan de visschen, zoo zijn zij desniettemin de bestgeorganiseerde

ongewervelden. Zij ademen door kieuwen, zeer variabel naar vorm,

grootte, naar de ligging binnen of buiten het dier en naar de genera en

de gewoonten derzelver leden. Alle bezitten zij hersenen en zenuwen,

echter zonder gangliënrij langs een gestrekte mergstreng; voorts

aderen en slagaderen en een of meer enkelvoudige harten. Zij zijn

de eenige bekende dieren met een zenuwstelsel en nochtans zonder

ruggemerg of buikgangliënketen.

De kieuwen, door de natuur bij uitstek bestemd voor de ademhaling in

het water, hebben wijzigingen in vorm en functie moeten ondergaan bij

die water-dieren, die zich veelvuldig aan de lucht zijn gaan bloot

stellen of zelfs, gelijk sommige soorten, daarin duurzaam zijn gaan

verblijven. Het respiratieorgaan dezer vormen heeft zich geleidelijk

aan die dampkringslucht aangepast; en dat is geen bloote aanname, want

men kent krabben (_Cancer ruricola_) die altoos op het land leven,

terwijl toch alle schaaldieren _kieuwen_ bezitten. Op den langen

duur is die gewoonte, om atmospherische lucht op te nemen, voor vele

weekdieren een noodzaak geworden; zij heeft het orgaan zelf gewijzigd,

dat, niet meer zóóveel aanraking met de in te ademen middenstof noodig

hebbende, zich aan de wanden van de kieuwholte heeft vastgehecht.

Zoölogische Philosophie Of beschouwingen over de Natuurlijke Historie der dieren etc. · 第 7 / 16 段