nauwgezetheid de kenmerken van allerlei graad te bepalen gaf Linné,
een man van superieuren geest en een van de grootste natuuronderzoekers
ons de volgende indeeling der dieren.
Hij verdeelde het bekende dierenrijk in zes klassen, volgens drie
trappen of graden van organisatie:
Systeem der Dieren volgens Linnaeus.
------
TABLE
| |Klassen.
| |
|_Eerste graad._
|I. |Zoogdieren. |Hart met twee kamers; rood en warm bloed.
|II. |Vogels.
|III. |Tweeslachtige dieren |_Tweede graad._
| |(reptielen). |Hart met een kamer; rood en
koud bloed.
|IV. |Visschen.
| |
|_Derde graad._
|V. |Insecten. |Kleurlooze, koude lichaams-vloeistof.
|VI. |Wormen.
------
Behalve de omgekeerde volgorde, die deze indeeling met alle andere
gemeen heeft, zijn hare eerste vier klassen nu eens en vooral
vastgesteld; hun plaatsing in de algemeene reeks, zal voortaan altijd
de instemming der zoölogen erlangen, zoodat men er in de eerste plaats
den beroemden Zweed dankbaar voor moet zijn.
Anders is het gesteld met de twee laatste afdeelingen. Deze zijn
kwalijk geslaagd en ondoelmatig. En aangezien zij het grootste aantal
en de meest verscheidene bekende dieren omvatten, zoo hadden ze ook
talrijker moeten zijn. Men heeft ze dus moeten hervormen en door
andere vervangen.
Gelijk men ziet schonken Linné en zijn opvolgers zoo weinig aandacht
aan de noodzaak, om de _evertebraten_--met een kleurloos, koud
lichaamsvocht inplaats van bloed, wier bewerktuiging een zoo groote
verscheidenheid vertoont--verder te splitsen, dat zij deze talrijke
dieren slechts in twee klassen hebben verdeeld, t.w. _insecten_ en
_wormen_. Zoodat al wat niet als insect werd beschouwd, anders gezegd
alle ongelede ongewervelden zonder uitzondering tot de wormen gerekend
werden. Zij plaatsten de insecten ónder de visschen en daaronder weer
de wormen. Volgens Linnaeus vormden dus de wormen de laatste klasse
van het dierenrijk.
Deze beide klassen treft men nog in dien vorm in alle posthume uitgaven
van het _Systema naturae_ aan. En ofschoon de kardinale fout van die
indeeling, vergeleken met de natuurlijke Orde der dieren duidelijk
blijkt, en buiten twijfel de Linneaansche _wormen_-klasse slechts een
soort van chaos is, waarin ver uiteenloopende zaken vereenigd zijn,
woog de autoriteit van dien geleerde zoo zwaar voor de natuurkenners,
dat niemand durfde te tornen aan die monsterklasse der _vermes_.
Met de bedoeling, hierin eenige nuttige hervorming aan te brengen,
_stelde ik op mijn eersten cursus de volgende indeeling voor van
de evertebraten_, die ik inplaats van in twee, in vijf klassen
onderscheidde, in deze volgorde:
1e. Mollusca.
2e. Insecta.
3e. Vermes.
4e. Echinodermata.
5e. Polypi.
Deze klassen, bevatten eenige van de door _Bruguière_ ter indeeling
van de wormen voorgeslagen door mij niet in allen deele geadopteerde
orden, en de klasse der insecten van Linné.
Nadat nu door de komst van Cuvier te Parijs tegen het midden van het
jaar 1795 de aandacht der zoölogen gevestigd was op de anatomie der
dieren, zag ik tot mijn groote voldoening de beslissende bewijzen,
door hem gegeven voor den aan de _weekdieren_ toe te kennen voorrang
boven de _insecten_ in de algemeene reeks. Ik had dat al bij mijn
lessen gedaan, hetgeen echter door de natuuronderzoekers van deze
stad niet gunstig was opgenomen.
De verandering, door mij aangebracht in het gevoel van onbevredigdheid
met de Linneaansche indeeling, bevestigde Cuvier volkomen door de
uiteenzetting van de meest positieve feiten, waaronder verscheidene
weliswaar bekend, maar door ons nog niet in aanmerking genomen.
Vervolgens mijn voordeel doende met het licht, dat deze geleerde
sinds zijn komst over alle onderdeelen van de dierkunde wierp,
en in het bijzonder over de _ongewervelde_,--door hem witbloedige
genoemde--dieren, voegde ik successievelijk nieuwe klassen aan mijne
indeeling toe. Ik was de eerste, die ze instelde, maar, gelijk men
zien zal, duurde het lang, voor eenige daarvan werden aangenomen.
Weliswaar stellen de geschied-schrijvers weinig belang in de wetenschap
en des te minder in hare beoefenaars; niettemin schijnt het mij de
moeite waard, om de veranderingen in de classificatie gedurende
deze vijftien jaren te leeren kennen. Ziehier die, welke ik zelf
heb aangebracht.
Vooreerst veranderde ik de benaming _echinodermen_ in _radiariën_,
teneinde er de kwallen en verwante geslachten bij te voegen(). Deze
klasse is ondanks haar nut en noodzakelijkheid nog niet geaccepteerd.
Gedurende mijn lessen van het jaar 1799 heb ik de klasse der
_crustaceeën_ opgesteld. Cuvier begreep toen in zijn _Tableau des
Animaux_ (p. 451) nog de crustacea onder de insecten. En ofschoon deze
klasse er zich in wezenlijke punten van onderscheidt, duurde het zes
of zeven jaar, vóór eenige natuuronderzoekers ertoe konden besluiten,
haar aan te nemen.
Het volgend jaar, d.w.z. op mijn cursus van het jaar 1800 stelde
ik voor de _arachniden_ als een aparte klasse, gemakkelijk en
noodzakelijk, te onderscheiden. Hare karaktertrekken wezen van huis
uit op de aparte organisatie dezer dieren. Want het is onmogelijk, dat
organismen gelijk die der insecten, die alle een gedaanteverwisseling
ondergaan, zich in den loop van hun leven slechts eenmaal voortplanten
en slechts twee antennen, twee facetoogen en zes gelede pooten
hebben, het aanzijn kunnen geven aan dieren, die nooit van gedaante
verwisselen en overigens in verschillende eigenaardigheden afwijken van
de insecten. Deze waarheid is sindsdien door de waarneming bevestigd
geworden. Toch wordt die klasse der _arachniden_ nog in geen enkel
werk behalve de mijne toegelaten.
Toen Cuvier bij eenige dieren, die men onder den naam _vermes_ met
andere van totaal verschillende samenstelling verwarde, het bestaan van
arterieele en veneuse bloedvaten ontdekt had, gebruikte ik dadelijk
dat nieuwe feit voor het verbeteren van mijne classificeering. En op
mijn cursus van 1802 stelde ik de klasse der _anneliden_ op, achter
de mollusken en voor de crustacea, overeenkomstig hun anatomie.
Bij het geven van een nieuwe naam aan die nieuwe klasse kon ik den
ouden van "_wormen_" voor dieren bewaren, die dezen altijd hadden
gedragen en waaruit de _anneliden_ op anatomische gronden wederom
verwijderd moesten worden. Dus ik zette de _wormen_ achter de insecten
en onderscheidde ze wèl van de radiaten en _polypen_, waarmede men
ze nooit zal mogen vereenigen.
Mijne klasse der _anneliden_, gepubliceerd in mijn lessen en in mijne
_Recherches sur les corps vivans_ (p. 24) werd meerdere jaren lang door
de dierkundigen niet erkend. Niettemin begint men dat sedert ongeveer
twee jaar te doen; maar men oordeelt het noodig, er de benaming van te
wijzigen, nl. in die van _vermes_, zoodat men niet weet, wat te doen
met de eigenlijke _vermes_, die noch zenuwstelsel, noch bloedsomloop
bezitten. In deze verlegenheid vereenigt men ze met de klasse der
_polypen_, hoezeer ze hiervan ook in samenstelling mogen verschillen.
Zulke voorbeelden van later weer te niet gedane verbeteringen in
de classificeering, die ten slotte weer door den loop der dingen
noodzakelijk hersteld moesten worden zijn niet zeldzaam in de
natuurwetenschap.
Zoo had Linnaeus verscheidene geslachten van planten vereenigd die
Tournefort tevoren onderscheiden had, zooals Polygonum, Mimosa,
Justicia, Convallaria en nog vele andere. Tegenwoordig richten de
botanici die door L. geschrapte genera weer op.
Het vorige jaar--bij mijn colleges van 1807--heb ik ten slotte een
nieuwe, tiende klasse van evertebraten ingesteld, die der infusoria,
omdat ik mij na een gedegen onderzoek dezer lagere dieren overtuigd
heb, dat ik ze ten onrechte onder de polypen gerangschikt had.
Terwijl ik aldus de vruchten verzamelde van eigen waarneming en
de snelle vorderingen der vergelijkende _ontleedkunde_ grondvestte
ik achtereenvolgens de verschillende klassen mijner tegenwoordige
indeeling der _ongewervelden_. Opgenoemd in de gebruikelijke omgekeerde
volgorde zijn het de volgende:
Klassen:
Mollusca.
Cirrhipedia.
Annelida.
Crustacea.
Arachnidea.
Insecta.
Vermes.
Radiata.
Polypen.
Infusoria.
Ik zal bij de afzonderlijke behandeling dezer klassen aantoonen,
dat het noodzakelijke afdeelingen zijn, gebaseerd op derzelver
organisatie. En ofschoon er in de buurt van hun onderlinge grenzen
soorten kunnen, ja moeten voorkomen, die in zekeren zin overgangsvormen
tusschen twee klassen vormen, zoo zijn ze toch zóó passende, als onze
kunst maar vermag voort te brengen. Zoolang dan ook het belang der
wetenschap voorop zal staan, zal men niet buiten hun erkenning kunnen.
Als men derhalve bij de tien klassen der evertebraten de vier der
vertebraten van _Linné_ voegt, krijgt men als indeeling van alle
bekende dieren de volgende veertien klassen, die ik nog eens in
omgekeerde volgorde zal opsommen:
Gewervelde dieren.
1. Zoogdieren.
2. Vogels.
3. Kruipende dieren.
4. Visschen.
Ongewervelde dieren.
5. Weekdieren.
6. Rankpootigen.
7. Ringwormen.
8. Schaaldieren.
9. Spinachtigen.
10. Insecten.
11. Wormen.
12. Straaldieren.
13. Polypen.
14. Afgietseldiertjes [17].
We zouden thans eigenlijk een zeer belangrijke, ja dringende vraag
moeten opwerpen, die nooit diepgaande onderzocht schijnt, nl.:
Moet men, de klassen van het dierenrijk als een reeks van groepen
behandelend zijn weg vervolgen van het meest-gecompliceerde naar het
eenvoudigste, of wel omgekeerd?
Wij zullen trachten de oplossing dezer vraag te geven in hoofdstuk
VIII, het laatste van dit deel. Maar tevoren willen wij een zeer
merkwaardige zaak onderzoeken, onze aandacht overwaard, die ons
ten gids kan strekken bij het naspeuren van den door de natuur
gevolgden weg bij het tot aanzijn roepen van hare verschillende
voortbrengselen. Ik bedoel die eigenaardige _trapsgewijze afklimming_
van bewerktuiging in de natuurlijke reeks der dieren vanaf de
volkomenste en meest samengestelde tot aan de eenvoudigste en
onvolkomenste.
Ofschoon deze _gradatie_ niet zonder onvermijdelijke schokken gaat,
gelijk ik zal aantoonen, bestaat zij tusschen de hoofdgroepen zoo
klaarblijkelijk en, zelfs in de afwijkingen van haar gewonen baan, met
een zoo onwrikbare standvastigheid, dat zij ongetwijfeld onderworpen
is aan een of andere algemeene wet, die wij daarom moeten opsporen.
HOOFDSTUK VI
TRAPSGEWIJZE AFKLIMMING EN VEREENVOUDIGING DER ORGANISATIE VAN HET
EENE EINDE VAN DE KETEN DER DIEREN TOT HET ANDERE
Beschouwingen over het bovengenoemde onderwerp behooren tot de meest
belangwekkende op het gebied van de zoölogische philosophie. Ons
doel is dus, te weten te komen, of dat feit werkelijk aangetoond kan
worden; want in dat geval zal het een sterk licht werpen op den door
de natuur afgelegden weg en ons in den zadel helpen, om verscheidene
van haar meest belangrijke wetten te ontdekken.
Ik stel mij hier voor, te bewijzen, dat het betreffende feit inderdaad
bestaat, en het product is van een aanhoudend en gelijkmatig werkende
natuurwet; maar dat een voor de hand liggende, bijzondere oorzaak hier
en daar de te verwachten resultaten daarvan langs de heele keten der
dieren doet afwijken.
Vooreerst moet men erkennen, dat de algemeene reeks der dieren,
gerangschikt naar hunne natuurlijke betrekkingen, een serie van
afzonderlijke groepen vormt als gevolg van de verschillende stelsels
van bewerktuiging die door de natuur zijn gebruikt, en dat zelf weer
naar afnemend-samengestelde organisatie geplaatste groepen samen een
echte keten vormen.
Voorts merkt men op, dat er, behoudens afwijkingen, waarvan wij
de oorzaken nog nader zullen opsporen, van het eene einde van die
keten tot het andere een opvallende vereenvoudiging van bewerktuiging
heerscht en in overeenstemming hiermee een vermindering van het aantal
eigenschappen. Zoodat, indien aan het eene einde de in alle opzichten
meest volkomen dieren staan, men noodwendig aan den tegenovergestelden
kant de eenvoudigste en laagststaande ontwaart.
Tenslotte kan men zich overtuigen, dat alle bijzondere organen zich
gaandeweg van klasse tot klasse vereenvoudigen en veranderen, ginds nog
van voornaam belang, hier hoe langer hoe armzaliger en zwakker worden,
en hun plaatselijke concentratie verliezen om te eindigen met volkomen
te verdwijnen nog vóór het andere einde van de keten is bereikt.
Voorwaar schrijdt deze _degradatie_ niet altijd regelmatig voort;
want vaak ontbreekt er eenig orgaan of verandert het plotseling en
neemt soms daarbij zonderlinge gestalten aan, die met geen enkele
andere door herkenbare overgangen verbonden zijn. Ook verschijnt en
verdwijnt een orgaan dikwerf nog herhaaldelijk, alvorens definitief
van de baan te zijn. Maar men zal gevoelen, dat dit niet anders
heeft kunnen zijn; dat de oorzaak der toenemende samengesteldheid
van bewerktuiging verschillende afwijkingen in hare voortbrengselen
heeft moeten ondergaan, wijl deze vaak door een sterke werking van
buiten af gewijzigd worden. Nochtans zal men zien, dat de betreffende
_degradatie_ niet minder werkelijk voortgaat.
Indien de tendens tot voortdurende ontwikkeling der organismen de
eenige was, die invloed had op de dierlijke vormen en lichaamsdeelen,
zouden deze overal zeer regelmatig samengestelder worden. Maar verre
van dien: de natuur is gedwongen om wat zij volbrengt overal te
onderwerpen aan den invloed der omringende omstandigheden, die hare
voortbrengselen in allen deele doen varieeren. Ziedaar de bijzondere
oorzaak, die in den loop van de trapsgewijze _afklimming_ dikwijls
zonderlinge afwijkingen van het gewone verloop doet ontstaan.
Laat ons trachten in het volle licht te stellen: zoowel de progressieve
_vereenvoudiging_ der dierlijke organisatie als de oorzaak der
afwijkingen, die deze ondergaat.
Het is duidelijk, dat als de natuur slechts het aanzijn gegeven had
aan waterdieren, die alle steeds onder hetzelfde klimaat in dezelfde
soort water van dezelfde diepte geleefd hadden, enz., men dan in hun
organisatie een regelmatige _opklimming_ met vloeiende overgangen
zou gevonden hebben.
Intusschen heeft de natuur hare vermogens niet tusschen zoo
nauwe grenzen beperkt. Vooreerst al heeft zij in het water zelf
de omstandigheden belangrijk gedifferentieerd: zoet- en zeewater,
stilstaande en stroomende of bewogen wateren, warme en koude, ondiepe
en diepe bieden evenzoovele bijzondere omstandigheden voor de hen
bewonende dieren. Bij gelijken trap van organisatie ondergaan dan de
daaraan blootgestelde dierrassen speciale invloeden van elk ervan en
worden er door gewijzigd.
Nadat waterdieren van allerlei aard waren voortgebracht en bijzonder
gevarieerd met behulp der onderscheidene levensvoorwaarden van het
water, zijn sommige hun natte element ontrouw geworden, eerst aan
de oevers, om daarna geheel een landleven te gaan aannemen in de
dampkringslucht. Deze bevonden zich mettertijd in omstandigheden zóó
totaal verschillend van hunne vroegere en van zoo ingrijpenden invloed
op gewoonten en organen, dat de theoretische regelmatige _opklimming_
in bewerktuiging er op eigenaardige wijze door gewijzigd is zoodat
zij hier en daar nauwelijks meer herkenbaar is.
Deze door mij reeds lang onderzochte dingen, die ik met stellige
bewijzen zal staven geven mij aanleiding om het volgende _zoölogische
beginsel_ voor te stellen, welks grondslagen mij aan elken twijfel
ontheven schijnen:
_Het proces van voortschrijdende samengesteldheid van bewerktuiging
ondergaat hier en daar in de algemeene reeks der dieren afwijkingen
onder den invloed van de omgevende omstandigheden en de aangenomen
gewoonten._
Men heeft zich op grond dier _afwijkingen_ gerechtigd geacht, de
opvallende progressie in de dierlijke bewerktuiging zelf te verwerpen
en daarmee den weg, dien de natuur volgt bij het voortbrengen van
hare levende schepselen.
Intusschen zijn ondanks die genoemde anomalieën het algemeene
plan der natuur en haar gestadige procédé nog zeer goed te
onderkennen, alhoewel de gebruikte middelen tot in het oneindige
varieeren. Daartoe moet men de algemeene reeks der bekende dieren
in haar geheel beschouwen, en vervolgens in hare groote groepen
en men zal er de meest ondubbelzinnige bewijzen ontdekken van de
_trapsgewijze opklimming_ in de organisatie, onmiskenbaar ondanks de
opgenoemde afwijkingen. Ten slotte merke men op, dat overal, waar
geen uiterst-afwijkende omstandigheden aan het werk zijn geweest
men in die _opklimming_ vloeiende overgangen vindt in die deelen der
reeks, welke wij _families_ hebben genoemd. Die waarheid blijkt nog
treffender bij de studie van de z.g. "_soorten_". Want hoe meer wij
waarnemen, hoe moeilijker, ingewikkelder en uitvoeriger onze specifieke
onderscheidingen worden.
De opklimming in de samenstelling der dieren zal dus een onbetwistbaar
feit zijn, zoodra wij de stellige bewijzen tot in bijzonderheden
kunnen geven van wat zoo juist uiteengezet is. En daar wij de
dierenreeks beschouwen in omgekeerde volgorde als de natuur bij hunne
voortbrenging heeft gevolgd, doet zich de gradatie aan ons voor als
een merkwaardige _afdaling_, van het eene einde van den dierenketen
tot het andere behoudens de onderbrekingen als gevolg van de nog te
ontdekken natuurvoorwerpen en van de afwijkingen, veroorzaakt door
uitersten in levensomstandigheden.
Om nu met stellige feiten die _trapsgewijze afklimming_ in de dierlijke
organisatie te grondvesten willen we eerst eens een blik slaan op de
samenstelling en het geheel dezer reeks en de feiten ermee annex;
vervolgens zullen we hare veertien klassen snel de revue laten
passeeren.
Bij het onderzoek van de algemeene indeeling der dieren zooals ik die
in het vorige hoofdstuk heb voorgeslagen en die over het geheel door
de zoölogen eenstemmig wordt erkend--behoudens de bezwaren tegen de
grenzen van eenige klassen--springt één feit dadelijk in het oog, dat
op zichzelf al beslissend zou zijn voor mijn zaak, en wel het volgende:
Aan het eene einde van de serie, dat men gewoonlijk het "voorste"
noemt ziet men de in alle opzichten meest volkomen dieren met de
meestingewikkelde organisatie terwijl zich aan het andere einde de
laagst-bewerktuigde bevinden, wier dierlijkheid men ternauwernood
zou vermoeden.
Dit welbekende en inderdaad onweerlegbare feit wordt het eerste
bewijs voor de aan te toonen afklimming, want het is er de wezenlijke
voorwaarde voor.
Een ander bewijzend feit daarvoor is het volgende: De eerste vier
klassen van het dierenrijk bevatten dieren, zonder uitzondering met
_ruggegraat_, welke bij alle andere ten eenen male ontbreekt.
Men weet, dat die wervelkolom de ruggesteun is van het geraamte, dat
zonder haar niet kan bestaan en dat overal waar zij zich bevindt er
een meer of minder volledig en volkomen skelet is.
Voorts wijst, naar bekend, volmaking der functies op die der
betreffende organen.
Ofschoon nu hier de mensch niet in aanmerking komt doordat zijn
verstand zoozeer meerderwaardig is boven zijn lichamelijkheid, levert
hij ongetwijfeld het voorbeeld van de grootst mogelijke volmaaktheid;
hoe meer dan ook een dierlijk organisme het zijne nadert, hoe
volkomener is het.
Dit zoo zijnde merk ik op, dat het menschelijk lichaam niet alleen een
geleed skelet bezit, maar nog wel het in allen deele meest volledige
en volkomene. Dit geraamte verstevigt zijn lichaam, levert talrijke
aanhechtingsplaatsen voor de spieren en stelt hem in staat zijn
bewegingen vrijwel tot in het oneindige te varieeren.
Daar nu het _skelet_ een voornaam aandeel neemt in het bouwplan van het
menschelijk lichaam, zoo is het duidelijk, dat elk dier mèt geraamte
beter georganiseerd is dan zonder.
Dus zijn de _evertebraten_ onvolkomener dan de vertebraten. Plaatst
men dus aan het hoofd van de dierenreeks de meest volkomene, dan
vertoont zij een werkelijke afklimming in bewerktuiging, aangezien
na de eerste vier klassen alle volgende dieren een geraamte missen
en bijgevolg onvolkomener georganiseerd zijn.
Maar dat is niet alles: onder de gewervelde dieren zelf wordt die
afklimming ook opgemerkt. Wij zullen zien dat zij ook onder de
ongewervelde dieren bestaat, dat dus deze afklimming volgt uit het
door de natuur constant volgehouden plan en tegelijkertijd een gevolg
is van de omgekeerde richting, waarin wij hare orde vervolgen. Want
indien wij de werkelijke richting kozen van onvolkomen tot volkomen,
zouden we een toenemende samengesteldheid vinden en achtereenvolgens
de dierlijke functies in aantal en doeltreffendheid zien wassen. Laten
we daarom ten bewijze van de werkelijke degradatie eens schielijk de
verschillende klassen van het dierenrijk doorloopen.
De Zoogdieren
Dieren met melkklieren, vier ledematen en alle integreerende
lichaamsdeelen der meest volkomen dieren. Haar op eenige
plaatsen.
De zoogdieren (_Mammalia_), moeten blijkbaar aan een der uiteinden
van de keten der dieren staan, en wel op de plaats van de best
georganiseerde en functioneerende; want alleen onder hen vindt men
de meest ontwikkelde intelligentie.
Indien de ontwikkeling der functies die der betreffende
organen bewijst, dan zijn de zoog-dieren,--de eenige werkelijk
_levendbarende_()--het best bewerktuigd, omdat, gelijk bekend,
deze dieren meer verstand, meer eigenschappen en een meer volkomen
geheel van zintuigen hebben dan alle andere; overigens nadert hun
organisatie het meest tot die van den mensch. Zij toch vertoonen
ons een lichaam, in allen deele bevestigd door een geleed geraamte,
vollediger dan bij de vertebraten van de drie andere klassen. De
meeste hebben vier ledematen, afhankelijk van het skelet, en alle een
middenrif tusschen borst en buik; een hart met twee kamers en twee
boezems; rood en warm bloed; vrij in de borstkas opgehangen longen
waardoor alle bloed circuleert alvorens naar de andere lichaamsdeelen
gezonden te worden. Ten slotte zijn zij alleen echt _levendbarend_,
want alleen bij hen houdt het _foetus_, ingehuld in zijn bekleedselen,
nochtans met de moeder voortdurend verbinding, ontwikkelt er zich
ten haren koste en voedt zich na de geboorte nog eenigen tijd met
het zog van hare melkklieren.
Dus moeten de _zoogdieren_ de eerste plaats in het dierenrijk innemen,
in verband met hunne volmaking van organen en vermogens (_Recherches
sur les Corps vivans_, p. 15) aangezien men buiten hen geen echte
viviparie meer vindt, noch door een diaphragma in de borstkas
afgeperkte longen waar alle lichaamsbloed doorheen spoelt, enz. enz.
Nu is het werkelijk onder de _zoogdieren_ zelf vrij moeilijk,
onderscheid te maken tusschen datgene, wat inderdaad behoort tot
de door ons onderzochte trapsgewijze afklimming en de gevolgen van
omringende omstandigheden, van levenswijze en sinds langen tijd
aangenomen gewoonten.
Intusschen vindt men bij hen sporen van de algemeene trapsgewijze
rangschikking in organisatie; want zij wier ledematen tot grijpen
ingericht zijn staan boven die, welke er slechts mee loopen
kunnen. Onder de eerste bevindt zich de mensch. Wijl dus het
menschelijk organisme het meest volmaakt is, moet men het als type
beschouwen, waarnaar de meerdere of mindere volkomenheid van de andere
te beoordeelen is.
Zoo vertoonen de drie afdeelingen, waarin de klasse der _zoogdieren_,
zij het niet gelijkmatig, te onderscheiden is, een opmerkelijke
trapsgewijze afklimming in de bewerktuiging der betreffende dieren.
_Eerste afdeeling: genagelde zoogdieren_; (Unguiculata); zij bezitten
vier ledematen, platte of puntige nagels aan de uiteinden hunner
vingers, die daardoor niet omhuld worden. Die ledematen zijn in het
algemeen geschikt om te grijpen, althans zich aan de voorwerpen vast
te klemmen.--Onder hen in 't bijzonder bevinden zich de meest-volmaakt
georganiseerde dieren.