pudica_) aanraak, zie ik, inplaats van een samentrekking dadelijk de
gewrichten der takken en stelen door den schok verslappen, waardoor die
deelen kunnen neerklappen en zelfs de blaadjes tegen elkaar slaan. Dit
gebeurd zijnde zal men tevergeefs verder de takken en bladeren dezer
plant aanraken, de werking herhaalt zich niet. Er is een vrij lange
tijd toe noodig--behalve als het zeer warm is--opdat de oorzaak van het
strekken der gewrichten al die deelen weer kan opheffen en uitbreiden,
zoodat ze zich bij een lichten schok weer kunnen samenvouwen.
Ik vermag in dat verschijnsel geen enkel verband te ondekken
met de _prikkelbaarheid_ der dieren; maar, met de wetenschap,
dat gedurende de vegetatieperiode, vooral bij warm weer, er in de
planten veel _elastische_ vloeistoffen optreden(), waarvan een deel
voortdurend uitgedampt wordt, heb ik de gevolgtrekking gemaakt, dat
bij de leguminosen die vloeistoffen zich wel eens bij voorkeur zouden
kunnen ophoopen in de gewrichten der bladeren alvorens te verdampen,
en dezelve aldus strekten en de bladen of blaadjes uitgespannen houden.
In dat geval zou de langzame vervluchtiging dier elastische fluiden
van de leguminosen in het algemeen bij nadering van den nacht het
verschijnsel van den "_slaap_" veroorzaken, en de plotselinge, door
een schokje opgewekte verdamping i.h. bijzonder bij _mimosa pudica_
de verkeerdelijk dusgenoemde _prikkelbaarheid_ [14].
Daar blijkens straks mee te deelen beredeneerde waarnemingen, de dieren
zonder uitzondering niet _gevoelig_ zijn, in staat tot het volbrengen
van _wilsdaden_ of, bijgevolg, tot willekeurige bewegingen, zoo is
de tot nu toe gegeven definitie van dieren--ter onderscheiding van
planten--ten eenen male onhoudbaar. Derhalve heb ik al voorgesteld,
haar door de volgende te vervangen, als zijnde meer overeenkomstig
de waarheid en geschikter, om beide natuurrijken te kenschetsen.
_Definitie van dieren_
_Dieren_ zijn bewerktuigde, levende wezens, voorzien van ten allen
tijde prikkelbare deelen, die bijna alle de spijzen verteeren,
waarmee ze zich voeden en die zich bewegen, deels door hun vrijen
of afhankelijken wil, deels door het opgewekt worden van hun
prikkelbaarheid.
_Definitie van planten_
_Planten_ zijn levende, bewerktuigde wezens, wier deelen nooit
prikkelbaar zijn, geen spijsvertering hebben en zich noch vrijwillig,
noch door werkelijke prikkelbaarheid bewegen.
Volgens deze definities, veel nauwkeuriger en gegronder dan de tot
op heden gebruikelijke, zijn dus de _dieren_ in de eerste plaats
van de _planten_ onderscheiden door de prikkelbaarheid van alle--of
bepaalde--deelen, en voorts door de bewegingen, die zij daarmee
kunnen verrichten, in casu door uitwendige oorzaken opgewekt, via
de irritabiliteit.
Het spreekt vanzelf, dat men deze nieuwe ideeën maar niet voetstoots
kan aannemen. Maar ik meen, dat elk niet-vooringenomen lezer, na
overweging van de in dit werk uiteengezette feiten en beschouwingen
hun onafwijsbaar den voorkeur zal geven boven de oude, als zijnde
deze met de waarneming klaarblijkelijk in strijd.
Laat ons deze algemeene gezichtspunten beëindigen met twee niet
onbelangwekkende opmerkingen. De eene betreffende het buitensporig
groote aantal dieren te land en te water; de andere over de door de
natuur aangewende middelen, om desniettegenstaande al het voorgebrachte
in zijn algemeene verhoudingen te bewaren.
Van de beide natuurrijken blijkt het dierenrijk verreweg het rijkst
en meest gevarieerd en vertoont op het gebied van organisatie de
meest bewonderenswaardige verschijnselen.
Het aardoppervlak, de boezem van het water, in zeker opzicht zelfs
de lucht worden bewoond door een zoo oneindige verscheidenheid
van dieren, dat waarschijnlijk een groot deel van hen altoos aan
onze onderzoekingen zal ontsnappen. Men heeft des te meer reden om
aldus te denken, daar de wonderbaarlijke vruchtbaarheid der natuur
in de allerkleinste soorten, de enorme uitgestrektheid der zeeën en
hun diepte op vele plaatsen ongetwijfeld ten allen tijde een bijna
onoverkomelijke hinderpaal zullen vormen tegen de vorderingen van
onze kennis in deze materie().
Een enkele klasse van de ongewervelde dieren, bijv. die der _insecten_
weegt, wat betreft het getal en de verscheidenheid van de daarin
bevatte voorwerpen, tegen het heele plantenrijk op. Die van de
_polypen_ is naar allen schijn nog veel talrijker(), zoodat men zich
nooit zal kunnen vleien al die daartoe behoorende dieren te kennen.
Door de ontzaglijke vermenigvuldiging van de kleinere soorten,
speciaal van de laagste dieren, zou die groote massa exemplaren wel
eens het bestaan kunnen bedreigen van bepaalde soorten en rassen,
en daarmee den verkregen vooruitgang in organisatie, in een woord,
de algemeene Orde, indien de natuur geen voorzorgen genomen had,
om die vermenigvuldiging binnen zekere grenzen te houden.
De dieren eten elkaar op, behalve de uitsluitende planteneters, maar
deze staan bloot aan het verslonden worden door de vleescheters. Men
weet, dat de sterkere en beter bewapende de zwakkere opeten en de
grootere soorten de kleinere. Niettemin verschalken de exemplaren
van dezelfde soort elkaar slechts zelden, de verdelgingskrijg wordt
tegen andere soorten gestreden.
De vruchtbaarheid der kleine diersoorten is van dien aard, dat zij
den aardbol voor de andere onbewoonbaar zouden maken, als de natuur
daartegen geen paal en perk had gesteld. Maar daar ze aan een menigte
andere dieren ten prooi strekken, hun levensduur zeer beperkt is
en temperatuurverlaging hen doet omkomen,(), zoo wordt hun aantal
steeds op het juiste peil gehouden voor de instandhouding van hun
soorten en van andere.
De grootere en sterkere dieren echter zouden wel aan het bestaan
van verscheiden andere soorten afbreuk kunnen doen, als zij zich al
te sterk voortplantten. Maar zij vreten elkaar op en planten zich
slechts langzaam voort met weinige tegelijk, hetgeen ook ten hunnen
aanzien het vereischte evenwicht doet bewaren.
De mensch ten slotte schijnt, afgezien van zijn eigenaardigheden,
zich onbeperkt te kunnen vermenigvuldigen, want zijn verstand en
hulpmiddelen beveiligen hem tegen inperking daarvan door verscheurende
dieren. Ja, hij beheerscht ze in die mate, dat, inplaats van de
grootste en sterkste dieren te moeten vreezen, hij ze veeleer kan
vernietigen en hun aantal iederen dag meer doet inkrimpen.
Maar de natuur heeft hem met verschillende hartstochten behept, die,
daar ze zich ongelukkig genoeg tezamen met zijn intellect ontwikkelen,
een dam opwerpen tegen de al te sterke voortteling van zijn geslacht.
De mensch schijnt inderdaad zelf belast, om voortdurend het aantal
van zijns gelijken te beperken. Want ik aarzel niet, te zeggen,
dat de aarde (naar allen schijn) nooit de bevolking zal herbergen,
die zij zou kunnen voeden. Verscheidene van hare bewoonbare streken
zullen bij tusschenpoozen zeer matigjes bevolkt zijn, ofschoon de
duur dier tijdperken voor ons niet te bepalen is.
Zoo blijft dan door wijze voorzorgen in alles de gestelde Orde
bewaard. De eeuwige veranderingen en vernieuwingen daarin worden binnen
onoverschrijdbare grenzen gehouden. De soorten levende wezens blijven
ondanks hun veranderingen in stand; de verkregen verbeteringen in
organisatie gaan nooit verloren. Alles wat wanorde, omverwerping,
abnormaliteit schijnt, is steeds in een hoogere algemeene Orde
opgenomen en doet daarin mede. En overal en altijd wordt onveranderlijk
de wil van den oppersten Schepper van de natuur en van al wat bestaat
uitgevoerd.
Alvorens ons nu bezig te houden met de _trapsgewijze afdaling_ en
_vereenvoudiging_ van de dierlijke organismen bij het voortschrijden
van de meest samengestelde naar de enkelvoudigste, willen we eens
den werkelijken staat van hun indeeling en ordening nagaan en de
beginselen, die men bij de opstelling daarvan heeft gebruikt; dan
zullen wij de bewijzen voor bedoelde afklimming beter kunnen volgen.
HOOFDSTUK V
OVER DE HUIDIGE INDEELING EN ORDENING DER DIEREN
Voor den vooruitgang der Zoölogische Philosophie en voor ons
eigen oogmerk is het noodig, den _huidigen stand_ van indeeling en
classificeering [15] der dieren onder oogen te zien; te onderzoeken,
hoe men ertoe gekomen is, omtrent welke beginselen men zich moet
verstaan en wat er nog te doen valt, om met die indeeling het dichtst
de Orde zelf der natuur te benaderen.
Maar om eenig profijt uit al die beschouwingen te trekken, moeten we
eerst het eigenlijke doel van indeeling en van groepeering bepalen,
want daartusschen bestaat verschil. Het doel van de _eerste_ toch
is niet alleen, om een gemakkelijk te raadplegen lijst te bezitten,
maar bovenal, om daarmee zooveel mogelijk de Orde voor te stellen,
die de natuur gevolgd heeft bij het voortbrengen van al die dieren,
bijzonderlijk uitgedrukt in hunne onderlinge overeenkomst. Van
een _classificeering_ daarentegen is het doel, met behulp van de
van afstand tot afstand getrokken scheidingslijnen in de algemeene
reeks dezer wezens rustpunten voor onze verbeelding te scheppen,
gemakkelijker reeds waargenomen soorten te kunnen herkennen, het
verband met andere te begrijpen, en nieuwgevonden soorten in elk kader
te kunnen passen. Dit onontbeerlijke hulpmiddel vergemakkelijkt de
studie voor ons kleine menschen, maar in werkelijkheid is het een
totaal onnatuurlijk kunstproduct, gelijk reeds aangetoond.
De juiste bepaling der _overeenkomsten_ zal in onze algemeene
indeelingen steeds de plaats bepalen van 1e., de groote massa's
of hoofdafdeelingen; 2e. de daaraan ondergeschikte groepen;
3e. de bijzondere soorten of rassen. Zietdaar dus het onschatbare
wetenschappelijke voordeel van de kennis der _verwantschappen_;
daar zij het werk van de natuur zelf zijn, zal geen onderzoeker
daaraan ooit willen of kunnen tornen, na ze eenmaal goed begrepen
te hebben. De _algemeene indeeling_ zal dus meer en meer een vasten
en volkomen vorm krijgen, naarmate onze kennis van de betrekkingen
tusschen de samenstellende elementen der natuurrijken vooruit gaat.
Anders is het met de _classificeering_ gesteld, d.w.z. met
die verschillende scheidslijnen, in de algemeene indeeling
getrokken. Waarlijk, zoolang er leemten in onze indeelingen te vullen
zijn, zullen wij altijd van die schijnbaar natuurlijke scheidingen
vinden, maar die illusie zal verdwijnen hoe meer men waarneemt. En
hebben wij er niet reeds verscheidene zien uitvloeien--tenminste onder
de kleinere eenheden--door de talrijke natuurkundige ontdekkingen
van de laatste halve eeuw?
Zoo zijn dan die grenzen, behalve de nog openstaande kloven, altijd
willekeurig en daarom in schommeling, zoolang de natuuronderzoekers
voor hare opstelling geen vaste beginselen overeenkomen.
In het dierenrijk is als zulk een beginsel te beschouwen, _dat
elke klasse dieren moet bevatten, door een bijzonder stelsel van
organisatie onderscheiden_. De strikte uitvoering daarvan is nogal
gemakkelijk. Want ofschoon de natuur niet plotseling van het eene
systeem op het andere overgaat, zoo zijn er toch onderlinge grenzen
te bepalen, daar als regel slechts weinige dieren die grenzen zoo
dicht naderen, dat er twijfel omtrent hun werkelijke klasse kan rijzen.
De scheidslijnen tusschen de onderdeelen der klassen zijn gewoonlijk
moeilijker vast te stellen, daar zij berusten op minder gewichtige
kenmerken, en dientengevolge willekeuriger zijn.
Alvorens nu den huidigen stand van de classificeering der dieren te
onderzoeken, willen we trachten aan te toonen, dat
_de rangschikking der levende wezens in haar groote groepen een reeks
moet vormen,_
en geen netvormige vertakking.
Daar de mensch gedoemd is, om eerst alle mogelijke dwalingen te begaan
alvorens een waarheid te erkennen bij het onderzoek van desbetreffende
feiten, zoo heeft men ontkend, dat de natuurvoortbrengselen in elk
rijk werkelijk een echte reeks zouden kunnen vormen volgens hun
overeenkomst of een _trapsgewijze opklimming_ in algemeene gesteldheid.
Zoo hebben dan verschillende natuurkundigen, met bepaalde, eenigszins
geïsoleerde soorten, geslachten en families voor oogen, zich verbeeld,
dat de levende wezens, al naar hun _natuurlijke betrekkingen_ dichter
of verder van elkaar zouden staan, vergelijkbaar met de verschillende
punten van een landkaart. Zij beschouwen de kleine, wel omschreven
reeksen, die men _natuurlijke families_ genoemd heeft, als zich onder
elkaar te verhouden op de wijze van een _netwerk_. Dit denkbeeld
nu, zoo naar den smaak van sommige modernen, is klaarblijkelijk
een vergissing. En ongetwijfeld zal het weer verdwijnen, als men
de organismen grondiger en algemeener zal kennen, en vooral als
men onderscheid zal maken tusschen kenmerken, die voortvloeien uit
aangenomen verblijfplaatsen en gewoonten, èn uit de meer of minder
volmaakte trap van bewerktuiging.
Intusschen zal ik aantoonen, dat de natuur bij het voortbrengen van
alle dieren en planten, in den langen loop der tijden, wel degelijk
in elk dezer rijken een echte _scala_ gevormd heeft met toenemende
samengesteldheid van organisatie. Maar dat, als wij de natuurvoorwerpen
naar hun natuurlijke betrekkingen rangschikken, die _scala_ slechts
tusschen de hoofdafdeelingen merkbare trappen vertoont, en niet bij de
soorten, of zelfs bij de geslachten. De reden van die bijzonderheid
is, dat de buitengewone verscheidenheid van omstandigheden, waarin
de verschillende soorten verkeeren, geheel onafhankelijk is van hun
toenemend gecompliceerde bewerktuiging, zooals ik zal laten zien, en
dat de eerste in de uitwendige vormen afwijkingen en abnormaliteiten
doet ontstaan, die niet alleen op rekening van de tweede kunnen
gesteld worden.
Er valt dus te bewijzen, dat de trapsgewijze reeks der dieren
voornamelijk de groepeering der hoofdafdeelingen aangaat, en
niet die der soorten of genera. Die reeks dan kan nl. slechts
bepaald worden door de plaatsing der grootere groepen--klassen en
grootere families--omdat deze elk een eigen bijzonder orgaanstelsel
vertoonen. En juist dit vertoont een afdalende orde vanaf het
meestsamengestelde tot het eenvoudigste. Maar op zich zelf beschouwd
vertoont elk lichaamsdeel gèèn zoo regelmatige gradeering, en des
te minder, naarmate het zelf van minder belang is en vatbaarder voor
wijziging door de omstandigheden.
Inderdaad houden de min-gewichtige organen onderling niet steeds
gelijken tred in volmaking of achteruitgang. Als men dan ook alle
soorten van een klasse nagaat, zal men zien, dat zeker lichaamsdeel in
een bepaalde soort de grootste volkomenheid heeft bereikt, terwijl een
ander deel, bij diezelfde soort slechts kommerlijk ontwikkeld zijnde,
bij haar collega een hooge vlucht heeft genomen.
Die onregelmatige variatie in de trapsgewijze ontwikkeling van
bijkomstige lichaamsdeelen komt, doordat deze meer dan andere aan
den invloed van uitwendige omstandigheden zijn blootgesteld. Zij
op hun beurt laten vorm en uitwendig voorkomen niet ongemoeid en
geven het aanzijn aan een zóó verstrekkende en eigenaardig-geordende
veelsoortigheid, dat inplaats evenals de hoofdgroepen in een simpele
lineaire reeks te kunnen gerangschikt worden, deze soorten vaak van hun
eigen afdeelingen zijdelingsche vertakkingen uitmaken, wier uiteinden
werkelijk afzonderlijke punten zijn.
Om het inwendige orgaansysteem te wijzigen is de hulp van
invloedrijke omstandigheden gedurende langer tijd noodig dan voor
de uitwendige. Niettemin merk ik op, dat als de omstandigheden het
noodig maken de natuur--weliswaar zonder sprongen--van het eene
systeem op het andere naburige overgaat. Ja, door dat vermogen heeft
zij ze alle achtereenvolgens kunnen vormen, vanaf de eenvoudigste
tot de meest samengestelde. Zij heeft dat vermogen in die mate,
dat niet alleen de overgang van het eene naar het andere systeem kan
plaats hebben tusschen twee naburige families, maar zelfs in een en
hetzelfde individu.
De stelsels met echte _longen_ voor de _ademhaling_ staan dichter
bij die met _kieuwen_ dan die met _tracheeën_. Zoo schrijdt de
natuur niet alleen van kieuwen tot longen bij naburige klassen en
families,--gelijk visschen en tweeslachtige dieren [16] uitwijzen,
maar die verandering kan zich zelfs in een enkel individu voltrekken,
dat dus achtereenvolgens de beide systemen gebruikt. Men weet, dat de
kikvorsch in larvalen toestand als dikkopje ademt door kieuwen, als
volkomen dier echter door longen. Maar nergens ziet men een trachee-
in een longsysteem overgaan.
Naar waarheid kan men dus zeggen, dat in elk natuurrijk de groote
groepen in een enkele, trapsgewijze reeks te rangschikken zijn,
overeenkomstig de toenemend samengestelde bewerktuiging, en dat deze
serie aan het begin de eenvoudigste en aan het eind de best-uitgeruste
en -georiënteerde organismen moet bevatten.
Zoo schijnt de werkelijke orde van de natuur te zijn, en zoo blijkt
bij de meest-nauwlettende waarneming en gezette studie van alle
eigenaardigheden van haar verloop.
Sinds wij in onze indeeling der natuurproducten de noodzakelijkheid
hebben beseft, om hunne onderlinge _betrekkingen_, ook tusschen de
verschillende groepen in aanmerking te nemen, kunnen we die reeks niet
meer naar welgevallen schikken. En de aldus nieuw-verworven kennis
omtrent den loop van de natuur dwingt ons, hare Orde aan te nemen.
Voor de systematiek is het eerst-verkregen resultaat van deze
werkmethode, dat de beide uiteinden der reeks de meest-uiteenloopende
wezens moeten bevatten, omdat ze verwantschappelijk, en dus organisch,
het verst van elkaar staan; aan het eene einde de meest-volkomene,
aan het andere noodwendig de ònvolkomenste, d.w.z. de eenvoudigste.
Bij de planten kent men van deze _natuurlijke reeks_ nog slechts
het ééne uiteinde goed, d.w.z. men weet, dat de cryptogamen daar
behooren. Doordat van we de planten nog niet zooveel weten als van
vele dieren, is het andere einde alsnog onzekerder. Daaruit volgt,
dat wij bij de planten nog geen vasten gids hebben voor de betrekkingen
tusschen de groote groepen, gelijk voor geslachten en families.
Bij de dieren echter zijn de twee uiteinden der reeks voorgoed
vastgesteld. Want zoolang het natuurlijke stelsel van kracht zal zijn
zullen noodwendig de zoogdieren de bovenste, de afgietseldiertjes de
onderste plaats innemen.
Er is dus, voor _dieren_ zoowel als voor _planten_ een Orde,
voortvloeiende uit de "middelen", ingesteld in de natuur door den
Oppersten Schepper aller dingen. Zij, de Natuur, is niet anders dan
de algemeene en onveranderlijke Orde, door den verheven Veroorzaker in
alles ingeschapen, en het geheel van de daarovergestelde algemeene en
bijzondere wetten. Door die voortdurend gebruikte middelen roept zij
onafgebroken haar voortbrengselen tot aanzijn, verandert en vernieuwt
ze onophoudelijk en bewaart alzoo overal de Orde des Geheels.
Wij zullen zien, dat deze natuurlijke orde--waarvan wij reeds
verschillende stukken bezitten in de goedbekende families en
geslachten--wat de dieren betreft thans in zijn geheel boven alle
willekeur is vastgesteld.
Maar de groote verscheidenheid der bekende dieren en het licht,
door de vergelijkende anatomie op hun samenstelling geworpen, doen
ons thans de middelen aan de hand, om ze alle definitief in te deelen
en de juiste plaats hunner voornaamste afdeelingen vast te stellen.
Een en ander zal men ontegenzeggelijk moeten toestemmen. Onderzoeken
we nu den
_Huidigen stand van indeeling en classificeering der Dieren._
Daar doel en beginselen dezer beide in den aanvang hunner bewerking
ten eenen male miskend werden, deed de arbeid der natuuronderzoekers
nog lang de stumperigheid onzer denkbeelden gevoelen. Het ging met
de natuurwetenschappen als met alle andere, waar men zich eerst laat
is gaan bezinnen op de grondleggende, regelende beginselen. Inplaats
van de levende wezens te classificeeren volgens een onomstootelijke
orde, had men slechts een overzichtelijke rangschikking op het oog,
en bleef daardoor vol willekeur.
Zoo bijv. gebruikte men wegens de duistere betrekkingen tusschen de
groote planten-groepen langen tijd kunstmatige botanische systemen. Zij
boden alle gemak van willekeurige groepeeringen. Ieder auteur stelde
naar eigen smaak een nieuw stelsel op. De heele _natuurlijke indeeling_
werd dan ook voor de planten opgeofferd. Eerst sinds het erkennen van
het belang der voortplantingsorganen, en vooral van sommige daarvan
boven andere begint de botanische systematiek meer volkomen te worden.
Bij de dieren evenwel zijn in het algemeen de betrekkingen,
die de groote groepen characteriseeren veel gemakkelijker te
onderscheiden. Verscheidene zulke groepen werden dan ook reeds bij het
begin van de beoefening der natuurlijke historie als zoodanig herkend.
Zoo verdeelde Aristoteles de dieren in twee hoofdafdeelingen,
"klassen", t.w.
1e. Dieren met bloed:
Levend-barende viervoeters,
Eierleggende viervoeters,
Visschen,
Vogels.
2e. Dieren zonder bloed:
Mollusca,
Crustacea,
Testacea,
Insecta.
De hoofdindeeling in twee groote groepen was vrij goed, maar het
door Aristoteles gebruikte criterium slecht. Immers, hij gaf den naam
bloed aan de voornaamste dierlijke vloeistof met roode kleur. En in
de meening, dat de dieren van de tweede groep alle slechts witte
of witachtige sappen hadden, beschouwde hij ze eens en vooral als
bloedeloos.
Zoo was dan het eerste ontwerp voor een classificatie der dieren,
althans het oudste, waarvan wij kennis dragen. Maar tevens is 't
het eerste voorbeeld van een indeeling in omgekeerde volgorde aan de
natuurlijke, daar men een, hoewel nog zeer gebrekkige, voortschrijding
vindt van het meer samengestelde naar het eenvoudigere.
Sinds dien tijd heeft men algemeen bij het indeelen der dieren die
verkeerde richting gevolgd, wat onze kennis van het natuurlijke proces
kennelijk heeft in den weg gestaan.
Moderne natuurvorschers hebben gemeend, de onderscheiding van
Aristoteles te verbeteren, door zijn eerste afdeeling te noemen _dieren
met rood bloed_ en de tweede _dieren met wit bloed_. Men weet echter
tegenwoordig, hoe onbevredigend deze kenschetsing is, aangezien er
ongewervelde dieren zijn met rood bloed (vele _anneliden_).
Volgens mij verdienen de lichaamsdeelen der dieren niet langer den naam
_bloed_ als ze niet meer circuleeren in slagaderlijke en aderlijke
vaten. Die vochten zijn dan zoo vereenvoudigd, zoo onvolkomen in
de samenstelling hunner elementen, dat men ze ten onrechte met
òmloopende vloeistoffen zou gelijk stellen. Bloed toe te schrijven
aan straaldieren of polypen zou dan ook gelijk staan met hetzelfde
te doen aan de planten.
Om alle dubbelzinnigheden en hypothetische beschouwingen te vermijden
heb ik op mijn eersten cursus in het Museum in het voorjaar van 1794
het geheel der bekende dieren in twee volkomen scherp onderscheiden
secties verdeeld, te weten:
Gewervelde dieren, (Vertebrata)
Ongewervelde dieren, (Evertebrata)
Ik deed aan mijn leerlingen opmerken, dat de _wervelkolom_ bij de
betreffende dieren het bezit van een meer of minder ontwikkeld geraamte
aanduidt, en een bouwplan naar verhouding; terwijl haar ontbreken
bij andere deze niet alleen zuiver van de eerste onderscheidt, maar
tevens beteekent, dat zij volgens een totaal verschillend stelsel
zijn georganiseerd.
Van Aristoteles tot Linnaeus verscheen niets van belang op het gebied
van onze systematiek. Maar in de laatste eeuw hebben de groote
natuurkundigen talrijke bijzondere waarnemingen omtrent de dieren
gedaan, voornamelijk over de ongewervelde. Sommige hebben hun anatomie
meer of minder volledig bekend gemaakt; andere beschreven nauwkeurig en
uitvoerig de gedaanteverwisselingen en gewoonten van een groot aantal
dezer dieren. En het gevolg van hun kostbare waarnemingen is geweest,
dat een uiterst belangrijk feitenmateriaal ter onzer kennis is gekomen.