"Men kan," zoo vervolgt het rapport, "de vlucht zijner verbeelding

nauw meester worden, als men die volkomen herkenbare dieren ziet, met

de kleinste beentjes en haartjes nog bewaard, die 2-3000 jaar geleden

in Thebe of Memphis hun eigen priesters en altaren hadden... Maar

zonder ons te verliezen in al die gedachten daarover willen we ons

bepalen tot het resultaat uit dat deel der verzameling van Geoffroy,

dat deze dieren volmaakt overeenkomen met die van tegenwoordig" [10].

Ik verwerp niet de volkomen overeenstemming van die dieren met de

leden van dezelfde, thans levende soorten in dat land. Het zou ook

vreemd zijn, als 't anders ware. Want ligging en klimaat van Aegypte

zijn nog thans ten naaste bij dezelfde als destijds. Zoodat dus de

nòg onder gelijke omstandigheden levende vogels er niet gedwongen

kunnen zijn, hun gewoonten te veranderen.

Voorts, wie voelt er niet, dat de vogels, die zich zoo makkelijk kunnen

verplaatsen en passende kwartieren opzoeken, minder dan menig ander

dier onderworpen zijn aan de verschuivingen in locale omstandigheden,

en daardoor minder in hun gewoonten belemmerd.

Inderdaad is er in de zoo juist meegedeelde waarneming niets strijdigs

met mijn eigen desbetreffende beschouwingen, of een bewijs, dat die

dieren altijd in de natuur zouden bestaan hebben. Ze toont slechts

aan, dat zij 2-3000 jaar geleden in Aegypte leefden. En een iegelijk,

die éénigszins gewend is, na te denken en daarbij de gedenkteekenen

gade te slaan getuigende voor den hoogen ouderdom der natuur, zal

gereedelijk een tijdsverloop van 2-3000 jaar in dat verband naar

waarde weten te schatten.

Voorzeker zal ook altijd de schijnbare _standvastigheid_ van de dingen

der natuur door den gemeenen man voor de _werkelijkheid_ worden

gehouden, omdat men in het algemeen over alles slechts oordeelt in

verhouding tot zichzelf.

Voor den mensch,--die zijn opvattingen hieromtrent altijd grondt

op de door hemzelf bemerkte veranderingen,--zijn de tusschenpoozen

tusschen die mutaties _toestanden_ van oogenschijnlijk onbepaalde

_bestendigheid_, door den korten levensduur der individuen van

zijn soort. Daar ook de annalen zijner waarnemingen en feiten,

in kronieken geboekstaafd, zich slechts uitstrekken over eenige

duizenden jaren,--een langen duur voor hem zelf, maar uiterst kort in

verhouding tot de aeonen, waarin zich de groote veranderingen van de

aardkorst voltrekken,--schijnt alles op zijn planeet hem _duurzaam_

toe, en is hij geneigd tot afwijzen van de teekenen, welke de rond

hem opgehoopte of in den grond onder zijn voeten begraven monumenten

hem overal vertoonen.

Grootheden in ruimte en tijd zijn betrekkelijk. Laat de mensch

zich deze waarheid goed voor den geest houden, en hij zal zich wat

inbinden in zijn beslissingen ten opzichte van de _duurzaamheid_

in de natuur. [11]

De bewijzen voor de onmerkbare veranderingen der soorten en exemplaren,

naarmate ze worden gedwongen tot wijzigen hunner gewoonten of aannemen

van nieuwe, zijn niet alleen beperkt tot de beschouwing van de--al

te kleine--overzienbare tijdruimten. Want daarenboven wordt de

onderhavige quaestie op 't zeerst verduidelijkt door een schat van

waarnemingen gedurende tal van jaren verzameld. En ik kan zeggen,

dat onze feitenkennis tegenwoordig te ver is voortgeschreden, dan

dat de gezochte oplossing niet voor de hand zou liggen.

Behalve dat wij de invloeden en gevolgen van de heteroclite bevruchting

kennen, weten wij thans bijv. beslist, dat een straf volgehouden

verandering in verblijfplaats en levensgewoonten bij de dieren na

voldoenden tijd een zeer opmerkelijke omvorming der betreffende

exemplaren teweegbrengt.

Een vrijelijk in de vlakte levend en voortdurend rondrennend dier,

en een vogel, wiens nooddruft hem steeds over groote afstanden de

lucht doet doorklieven, ondergaan bij opsluiting in dierentuin, stal,

kooi of hoenderpark mettertijd opmerkelijke afwijkingen, vooral na

een reeks geslachten in hun nieuwen staat.

Het eerste dier verliest er grootendeels zijn licht- en vlugheid;

zijn lichaam wordt dik, zijn leden verliezen aan kracht en lenigheid

en zijn eigenschappen zijn niet meer dezelfde. Het tweede wordt log

en vleezig in allen deele en kan bijna niet meer vliegen.

In het 6e hoofdstuk van dit eerste deel zal ik gelegenheid hebben,

met welbekende feiten te bewijzen, dat afwijkende _omstandigheden_

het vermogen bezitten, om den dieren nieuwe behoeften bij te brengen

en tot nieuwe _handelingen_ te voeren; dat _déze_ nieuwe _gewoonten_

en _neigingen_ meebrengen, het meer of minder veelvuldige gebruik van

een of ander orgaan hetzelve weer wijzigt, hetzij door versterking,

ontwikkeling en uitbreiding, hetzij door verzwakken, vermageren,

en het per-slot zelfs doet verdwijnen.

Bij de gewassen zal men een dergelijken invloed zien van nieuwe

omstandigheden op hun levenswijze en den toestand hunner deelen. Zoodat

men bij de reeds lang door ons gekweekte niet over de veroorzaakte

omwenteling verwonderd zal zijn.

Zoo laat, gelijk reeds opgemerkt, de natuur ons strikt genomen slechts

op- en uit elkaar volgende individuen zien; _soorten_ echter zijn

slechts tijdelijk onveranderlijk.

Om de bestudeering en kennis van zooveel verschillende voorwerpen te

vergemakkelijken is het niettemin nuttig, den naam _soort_ te geven aan

elke verzameling van overeenkomstige enkelingen die zich in dezelfde

gedaante voortplanten zoolang hun omstandigheden niet voldoende gaan

afwijken om ook hun gewoonten, eigenaardigheden en vorm te wijzigen.

_Over de zoogenaamde uitgestorven soorten_

Het is nog steeds een vraag voor mij, of de middelen, door de natuur

gebruikt om het bestaan aan haar soorten en rassen te verzekeren,

zóó onvoldoende zijn geweest, dat sommige van hen thans geheel zouden

zijn vernietigd of uitgestorven.

Intusschen vertoonen ons de op zoo verschillende plaatsen in den grond

begraven overblijfselen de resten van een menigte verschillende dieren,

waarvan slechts een zeer klein deel met de ons bekende, thans levende

volkomen overeenstemmen.

Kan men daaruit nu met eenigen schijn van grond besluiten, dat

die fossiele soorten niet meer bestaan in de natuur? Er zijn nog

zooveel deelen van het aardoppervlak niet bezocht, zooveel andere,

waar vorschende blikken de natuur slechts terloops opnamen, en nog

andere, zooals verschillende deelen van den zeebodem, wiens dierlijke

bewoners we niet vermogen te verzamelen, dat de onbekende soorten

wel door deze oorden geherbergd zouden kunnen worden(†).

Als er werkelijk soorten zijn verloren gegaan, dàn waarschijnlijk

slechts onder de groote dieren uit de land-streken van onzen aardbol,

daar waar de mensch door zijn absolute heerschappij alle exemplaren

heeft kunnen dooden van die species, die hij niet heeft willen bewaren

of temmen. Daardoor is het mogelijk, dat de geslachten _Palaeotherium_,

_Anoplotherium_, _Megalonyx_, _Megatherium_, _Mastodon_ van Cuvier

en eenige andere soorten van reeds bekende genera niet meer in de

natuur bestaan. Intusschen is dat ook eenvoudig niet meer dan een

mogelijkheid.

Maar de dieren, die leven in den boezem der wateren, vooral in zee,

en bovendien alle kleinere soorten te land, welke lucht ademen, zijn

beveiligd tegen uitdelging door den mensch. Zij vermenigvuldigen zich

zoo snel, en de middelen om zich aan zijn vervolging en hinderlagen

te onttrekken zijn van dien aard, dat hij naar allen schijn een van

die soorten niet totaal kan uitroeien(†).

Dus _kunnen_ slechts de grootste soorten landdieren blootstaan aan

verdelging van de zijde des menschen, ofschoon dit feit nog niet

volledig bewezen is.

Niettemin behooren er onder de, van zoovele dieren gevonden,

fossiele overblijfselen een groot aantal tot soorten, wier volkomen

overeenkomstige levende analoga niet bekend zijn. De meeste van hen

zijn weekdieren met schelpen, welke laatste ons dan ook alleen zijn

overgebleven.

Omdat nu veel van die fossiele schelpen verschillen vertoonen,

waardoor men meent ze niet gelijk te mogen stellen met naburige,

levende, zijn het daarom noodwendig uitgestorven soorten? Waarom zouden

die verloren gegaan zijn, waar de mensch hun uitroeiïng niet heeft

kunnen bewerkstelligen? Ware het in tegendeel niet mogelijk, dat die

bedoelde fossielen nog bestonden, maar tot de tegenwoordig levende,

naburige soorten waren omgevormd?(†). De volgende beschouwingen en

opmerkingen maken dit vermoeden zeer waarschijnlijk.

Elk welingelicht waarnemer weet, dat niets op aarde in denzelfden

toestand verhardt. Alles ondergaat er mettertijd meer of minder

ingrijpende wijzigingen, al naar den aard van het voorwerp, en zijn

omstandigheden. Hooggelegen plaatsen verlagen zich onophoudelijk

door de wisselende inwerking van zonneschijn, regen en nog

andere oorzaken; al wat ervan loslaat wordt meegesleurd naar de

diepten. Rivier- en zeebeddingen veranderen van gedaante en diepte en

verplaatsen zich onmerkbaar. I.e.w. alles hier op aard is onderhevig

aan beurtwisselingen in ligging, gestalte en aanzicht, en zelfs de

klimaten der verschillende landstreken zijn niet standvastig.

Waar nu,--gelijk ik zal beproeven aan te toonen,--afwijkende

omstandigheden voor de levende wezens (en vooral voor de dieren)

veranderingen in behoeften, gewoonten en levenswijzen meebrengen; en

waar deze wijzigingen de organen en hun deelen ombouwen of ontwikkelen,

zoo gevoelt men wel, dat elk levend wezen zachtjes aan varieeren moet,

vooral in de uitwendige deelen of kenmerken, ofschoon dat eerst na

gereeden tijd merkbaar wordt.

Men zij dus niet al te zeer verwonderd, dat onder de talrijke fossiele

resten uit alle landen der wereld van zoovele eertijds bestaande

dieren, er zoo weinige zijn, waarvan we de levende analoga kennen.

Integendeel, het meest verwonderlijk is nog, onder die menigvuldige

fossiele overblijfselen van weleer eenige te ontmoeten, wier

representanten nog heden bestaan. Dit feit, door onze palaeontologische

verzamelingen bewezen, doet ons vermoeden, dat juist deze de jongste

zijn. Zij hadden buiten twijfel nog geen tijd gehad, van gedaante

te veranderen.

De onderzoekers, die de waarnemingen omtrent de fossielen wilden

verklaren alsmede de omwentelingen op verschillende punten van

de aardkorst hebben,--onbewust van de afwijkingen, die de dieren

mettertijd meestal ondergaan,--ondersteld, dat een _algemeene aardramp_

had plaats gehad, die alles 't onderst boven gekeerd en de toenmaals

bestaande soorten grootendeels vernietigd had.

Jammer genoeg, dat dit gemakkelijke redmiddel uit de moeilijkheid bij

een poging tot verklaren der onbegrepen natuurverschijnselen slechts

grondt in de verbeelding, en door geen enkel bewijs gestaafd wordt.

_Plaatselijke catastrophen_, veroorzaakt bijv. door aardbevingen,

vulcanen en andere bijzondere oorzaken zijn voldoende bekend en in de

daardoor geteisterde streken heeft men verdervingen kunnen aanschouwen.

Maar waartoe een onbewezen _algemeene wereldramp_ aan te nemen,

als het beter bekende verloop der natuur in allen deele voldoende

rekenschap geeft van hare feiten? Als men overweegt, dat eenerzijds

de natuur niet plotseling werkt en zij overal bedachtzaam en stap

voor stap tewerk gaat, en anderzijds de bijzondere of plaatselijke

oorzaken der verstoringen, omwentelingen en ontzettingen den ganschen

aanblik onzer aarde kunnen verklaren--en nochtans onderworpen zijn aan

hare wetten en algemeenen loop,--zoo zal men--de onderstellingen--als

onnoodig--verwerpen, dat een wereldramp een groot deel van de eigen

werken der natuur is komen opbreken en verwoesten.

Hiermee genoeg over een onderwerp, dat licht ware uit te breiden;

beschouwen wij thans de algemeene en wezenlijke eigenschappen der

dieren.

HOOFDSTUK IV

ALGEMEENE OPMERKINGEN OVER DE DIEREN

In de dieren hebben wij levende wezens, in het algemeen zeer

opmerkelijk door eigenschappen, die onze bewondering en bestudeering

overwaard zijn. In gestalte, samenstelling en vermogens oneindig

verschillend, zijn ze in staat om zich--althans met sommige

deelen--te bewegen, zonder een stuwkracht van buiten af maar door

een _prikkelende oorzaak_, (bij den één 'n inwendige, bij den ander

een uitwendige.) Meerendeels kunnen ze van plaats veranderen en alle

bezitten ze bepaalde, bij uitstek prikkelbare deelen.

Men ziet, hoe bij verplaatsing de een kruipt, loopt, rent of springt,

de ander zich op vleugelen in de lucht verheft en de ruimte doorkruist,

weer andere rondzwemmen in den schoot van het water waarin zij leven.

Daar de dieren niet--gelijk de planten--voedsel onder hun naaste

bereik vinden,--de roofdieren zelfs hun buit moeten opzoeken en

vervolgen--werd het vermogen tot bewegen en verplaatsen vereischt om

zich het noodige voedsel te kunnen verschaffen.

Daar voorts de dieren geen tweeslachtigheid vertoonen zoodanig,

dat zij aan zich zelf genoeg zouden hebben(†), was het voor de

voortplanting noodzakelijk, zich te kunnen verplaatsen tot het

volvoeren der bevruchting en ook, dat de omgeving de mogelijkheid

daartoe vergemakkelijkte voor die dieren, welke, als de _oesters_,

niet van plaats kunnen veranderen.

Aangezien dus dit vermogen tot beweging en verplaatsing in het belang

was van hun eigen voortbestaan en dat van de soort is het door de

behoeften aangeworven en verkregen.

In het tweede deel zullen wij den oorsprong zoeken van die merkwaardige

eigenschap en nog van de belangrijkste overige. Maar intusschen

zullen wij omtrent de dieren de volgende voor de hand liggende

opmerkingen maken.

1e. Dat sommige zich slechts geheel of gedeeltelijk bewegen nadat

hun prikkelbaarheid is opgewekt, nochtans geen enkele gewaarwording

ondervinden en dat van "wil" geen sprake kan zijn. Dit zijn de meest

onvolkomene.

2e. Dat andere dieren daarenboven in staat zijn tot het ondervinden

van gewaarwordingen, en ze innerlijk een zeer duister besef van

hun bestaan hebben, doordat ze slechts handelen door de inwendige

aandriften van begeerten die hen drijven tot een of ander voorwerp,

zoodat hun wil steeds afhankelijk meezwalkt.

3e. Dat weer andere niet alleen bovengenoemde bewegingen en

gewaarwordingen vertoonen, maar bovendien in staat zijn tot het vormen

van, zij het nog vage, voorstellingen, en hun handelen door een wil

overheerst wordt, nochtans onderworpen aan aandriften, die hen nog

uitsluitend tot bepaalde voorwerpen voeren.

4e. Dat ten slotte de meest volmaakte dieren in hooge mate alle

vorige eigenschappen vertoonen maar zich bovendien verheugen in het

vermogen tot heldere en nauwkeurige voorstellingen over de voorwerpen,

die hun zinnen hebben beroerd en hun aandacht getrokken, ja, die

voorstellingen tot op zekere hoogte vergelijken, combineeren en tot

samenstellingen en oordeelen verwerken; i.e.w. zij kunnen denken en

hun minder zwaar gekluisterde wil veroorlooft hun meer verschillende

handelingen te volbrengen.

Bij de laagste dieren zijn de levensacties schier zonder energie

en alleen de _prikkelbaarheid_ is genoeg voor de uitvoering der

vitale bewegingen. Maar vermits de levensenergie aangroeit met het

samengestelder worden van het organisme komt er een oogenblik,

dat hetzelve, om zich met de noodige snelheid te kunnen roeren,

grooter middelen van noode heeft. Daartoe is de spierwerking bij

den bloedsomloop toegepast, waarvan een aanjaging van den sapstroom

het gevolg was. Deze is vervolgens aangewakkerd in verhouding tot de

ervoor aangewende spierkracht. Daar tenslotte geen enkele spier kan

arbeiden zonder nerveusen influx, zoo is deze laatste overal noodig

bevonden voor de betreffende stroomversnelling.

Aldus heeft de natuur aan de--onvoldoende geworden--prikkelbaarheid

de spier- en zenuwwerking weten toe te voegen. Schoon de eerste

door de laatste wordt opgewekt, geschiedt dat nooit langs den weg

van het gevoel. In het tweede deel hoop ik dan ook aan te toonen,

dat gevoeligheid volstrekt niet noodig is voor de uitvoering van

vitale bewegingen, zelfs niet bij de hoogste dieren.

Zoo zijn dan de verschillende bestaande dieren niet alleen door

bijzonderheden van uitwendigen vorm, lichaamsgesteldheid, formaat,

enz. kennelijk van elkaar onderscheiden, maar ook door de vermogens,

waarmee zij zijn begiftigd. Sommige--de minst volkomene--zijn in dit

opzicht het meest beperkt, geen andere dan de typische levens-functies

vertoonende en zich niet bewegende dan door een kracht buiten

henzelf; daarentegen nemen van andere de vaardigheden allengs in

getal en volledigheid toe, totdat zij bij de meest volkomene een

bewonderenswaardig geheel vertoonen.

Deze feiten verbazen ons niet langer, als we eenmaal erkend hebben,

dat elke verkregen eigenschap het gevolg is van een bijzonder orgaan

of orgaanstelsel en dat vervolgens van het laagste tot het hoogste

dier het organisme geleidelijk samengestelder wordt, zoodat al die

lichaamsdeelen, tot de belangrijkste toe, achtereenvolgens ontstaan op

de verschillende trappen van het dierenrijk, en dan gaandeweg worden

door de ondergane wijzigingen, die hen aanpassen aan den toestand

van het betreffende organisme en zij eindelijk door hun samenspel in

de hoogere dieren die zoozeer gecompliceerde bewerktuiging vormen,

waarvan de meest verscheidene en opperste functies het gevolg zijn.

De beschouwing van de inwendige samenstelling der dieren en haar

verschillende systemen, en van de onderscheidene bijzondere organen

moeten dus voornamelijk onze aandacht richten bij de studie der dieren.

Zijn de dieren als natuurvoortbrengselen reeds bij uitstek

onderscheiden door hun beweeglijkheid, nog meer zijn ze het door

gevoeligheid.

Maar evenals de eerste nog zeer beperkt en onwillekeurig is bij de

laagste dieren en slechts tot stand komt door prikkels van buiten af,

maar, bij het volmaakter worden, ten slotte in het dier zelf--aan

zijn wil onderworpen--ontspringt, zoo is ook het gevoel in zijn

aanvang nog zeer duister en begrensd en roept vervolgens, bij verder

voortschrijdende ontwikkeling, op zijn hoogtepunt in de dieren de

elementen van het verstand in 't leven.

Inderdaad hebben de hoogere dieren eenvoudige en zelfs meer

samengestelde voorstellingen, hartstochten, geheugen, ja zij

dróómen,--d.w.z. dat die voorstellingen ongewild kunnen terugkomen--en

ze zijn tot op zekere hoogte vatbaar voor africhting. Is dat geen

merkwaardige uitkomst van de macht der natuur?

Aan een levend wezen het vermogen te geven, zich zelfstandig te

bewegen, de wereld buiten zich waar te nemen, er zich voorstellingen

van te vormen door de ontvangen indrukken met andere te vergelijken

en ook die voorstellingen weer te vergelijken en samen te stellen en

zich een óórdeel te vormen, (d.i. een voorstelling van andere orde)

i.e.w. te _denken_, dat is niet alleen het grootste wonder, waartoe

de natuur-kracht heeft kunnen komen, maar bovendien bewijst 't de

noodzakelijkheid van een aanzienlijk tijdsverloop, daar de natuur

alles geleidelijk tot stand brengt.

Vergeleken met de tijdperken, die wij bij onze gewone berekeningen

làng noemen, is er ongetwijfeld een enorme tijd en een aanmerkelijke

opvolgende variatie van omstandigheden noodig geweest om de organisatie

tot dien graad van samengesteldheid en ontwikkeling te hebben kunnen

opvoeren, die wij bij de meest volmaakte dieren zien. En waar reeds

de talrijke verschillende lagen, waaruit de aardkost bestaat, een

stellig getuigenis zijn van haar hoogen ouderdom, en waar de zeer

langzame maar aanhoudende verplaatsingen der zeebekkens,--bewezen

door vele sporen, die zij op hun weg hebben achtergelaten--, dezen

ouderdom nog bevestigen, zoo draagt een beschouwing van de door

de hoogste organismen bereikte volmaaktheid er harerzijds toe bij,

om deze waarheid allerwaarschijnlijkst te maken. [12]

Maar om dit nieuwe bewijs stevig te kunnen grondvesten, zullen we

eerst den vooruitgang zelf der organismen in het volle daglicht moeten

stellen. Men zal zoo mogelijk de werkelijkheid daarvan moeten aantoonen

en ten slotte de betreffende best-gestaafde feiten verzamelen en de

middelen opzoeken, die de natuur bezit, om het bestaan aan al haar

schepselen mogelijk te maken.

Ondertusschen merken wij op, dat ofschoon men de wezens van

de verschillende natuurrijken algemeen aanduidt met den naam

_natuurproducten_, men niettemin aan die uitdrukking geen enkel

positief begrip schijnt vast te knoopen.

Klaarblijkelijk staat het vooropgezette oordeel omtrent "afzonderlijke

scheppingen" de erkenning in den weg, dat de natuur zelf het

aanzijn vermag te geven aan zooveel verschillende wezens, hun rassen

onophoudelijk ofschoon geleidelijk te wijzigen en de overal waargenomen

algemeene Orde in stand te houden.

Wij willen alle meeningen over die belangrijke zaken ter zijde laten en

overal de natuur zelf bevragen om niet door onze verbeelding misleid

te worden.

Ten einde in gedachten alle bestaande dieren te omvademen en ze

gemakkelijk onder een gezichtspunt te brengen zij eraan herinnerd, dat

alle natuurproducten sinds lang in drie rijken verdeeld zijn, onder

de benamingen _dieren-_, _planten-_, en _delfstoffen-rijk_. Door die

indeeling worden de tot elk dier rijken behoorende wezens als onderling

gelijkwaardige vergeleken ondanks hun zeer uiteenloopenden oorsprong.

Reeds geruimen tijd heb ik een andere, meer kenschetsende indeeling

passender bevonden. Ik onderscheid nl. alle natuurvoortbrengselen in

twee groepen:

1e. Bewerktuigde, levende lichamen.

2e. Onbewerktuigde, levenlooze lichamen.

Planten en dieren vormen de eerste groep. Zij hebben, gelijk bekend,

de vermogens zich te voeden, te groeien en zich voort te planten en

zijn noodzakelijkerwijs onderworpen aan den dood.

Maar wat men niet zoo goed weet, omdat de gangbare onderstellingen

anders luiden, is, dat de levende lichamen bij de verrichtingen hunner

organen en bewegingen zelf hun eigen stoffen en afscheidingsproducten

bereiden [13]. En wat men nog minder weet, dat déze weer door hun

ontleding het ontstaan geven aan alle samengestelde, anorganische

stoffen in de natuur, wier verschillende soorten zich vermeerderen--al

naar de omstandigheden--door onmerkbaar ondergane veranderingen die hen

vereenvoudigen en op den duur de volledige ontbinding bewerkstelligen

hunner samenstellende elementen.(†)

De verschillende vaste en vloeibare levenlooze stoffen stellen de

tweede groep natuurvoortbrengselen samen, die meerendeels bekend zijn

onder den naam _mineralen_.

Men kan zeggen, dat er zich tusschen het al- en niet-levende een

onmetelijke _gaping_ bevindt, die verbiedt, deze twee soorten op één

lijn te stellen, noch ze door tusschentrappen te verbinden, wat men

tevergeefs beproefd heeft.

De levende wezens vallen vanzelf in twee afzonderlijke rijken,

gebaseerd op werkelijke verschillen, die de _planten_ van de _dieren_

scheiden. En,--ondanks al het daarover beweerde--ben ik overtuigd,

dat er op geen enkel punt een werkelijke overgang is tusschen die

twee rijken(†), en bijgevolg er noch dierplanten, (uitgedrukt door

het woord _zoöphyten_) noch plantdieren zijn.

De prikkelbaarheid in alle of bepaalde deelen is de meest algemeene

eigenschap der dieren, méér dan het vermogen tot willekeurige

bewegingen en gevoel, méér zelfs dan de spijsverteering. Alle planten,

de z.g. "_gevoelige_" niet uitgezonderd, noch die, welke bij de minste

aanraking of een zuchtje wind bepaalde deelen bewegen, zijn geheel

verstoken van _prikkelbaarheid_, wat ik elders heb aangetoond.

Men weet, dat de prikkelbaarheid een wezenlijke eigenschap is voor

de dieren, (althans voor sommige hunner deelen die niet opgeheven

kan worden bij het levende dier zoolang het betreffende deel niet

beschadigd is). Zij uit zich in een oogenblikkelijke samentrekking van

alle prikkelbare deelen bij aanraking door een vreemd lichaam. Deze

samentrekking houdt tegelijk met haar oorzaak op en vernieuwt

zich evenzooveel keeren, als het betreffende deel, na ontspanning,

weerom geprikkeld wordt. Iets dergelijks nu is in geenen deele bij

de planten waargenomen.

Zoölogische Philosophie Of beschouwingen over de Natuurlijke Historie der dieren etc. · 第 4 / 16 段