1e. De kiem met toebehooren (zaadlobben, perisperm) en zaad.

2e. De geslachtsdeelen der bloemen: de stamper en meeldraden.

3e. De hulsels van deze: kroon, kelk, enz.

4e. De vruchthulsels of pericarp.

5e. De ongeslachtelijke voortplantingsorganen.

Deze beginselen geven aan de natuurwetenschap een ongekende

duurzaamheid en houvast. De daarop gegronde betrekkingen zijn

volstrekt niet onderworpen aan wisselvalligheden van opvatting. Onze

algemeene indeelingen worden hechter, en naarmate wij ze met behulp

dezer middelen volmaken, naderen zij meer en meer tot de Orde der

natuur zelf.

Na het belang der verwantschap gevoeld te hebben, zag men inderdaad,

vooral sinds de laatste jaren, pogingen opkomen tot 't opstellen van

het z.g. "_natuurlijke systeem_" zijnde niets anders dan de door den

mensch uitgestippelde schets van den gang der natuur bij het doen

ontstaan harer schepselen.

Tegenwoordig moet men in Frankrijk niets meer hebben van die

kunstmatige stelsels, gebaseerd op kenmerken, die strijden met de

natuurlijke _betrekkingen_ tusschen de betreffende wezens, en waarop

berustende indeelingen schadelijk zijn voor den voortgang van onze

natuurkennis.

Ten opzichte der dieren is men tegenwoordig terecht overtuigd,

dat natuurlijke verwantschap alleen uit hun organisatie bepaald kan

worden. Bijgevolg zal de zoölogie het daarvoor verlangde licht meest

aan de vergelijkende anatomen ontleenen. Maar het zij opgemerkt,

dat wij voornamelijk de feiten uit hun werken moeten vergaren, en

niet altijd de daaruit getrokken conclusies. Want maar al te dikwijls

gaan deze van misleidende gezichtspunten uit, die ons zouden kunnen

hinderen in het zien van de wetten en het ware plan der natuur. De

mensch schijnt veroordeeld om bij elk nieuw-ontdekt feit te verdwalen

in de aanwijzing van de oorzaak. Zoo vruchtbaar is zijn verbeelding

in het scheppen van ideeën, waarbij hij dan al te zeer verzuimt zijn

oordeel te doen leiden door algemeene samenvattende beschouwingen,

die waarnemingen en andere feiten hem bieden kunnen.

Bij gereedelijke beoordeeling van de _natuurlijke betrekkingen_

tusschen de voorwerpen, blijken de naar dat beginsel bij elkaar

gegroepeerde soorten z.g. _geslachten_ te vormen. De geslachten, op

dezelfde wijze tot eenheden van hooger orde gerangschikt, stellen de

_families_ samen, deze op hun beurt _orden_, deze de hoofd-indeeling

der _klassen_ en zij weer die der _Rijken_.

Overal moeten dus de naar waarde geschatte natuurlijke betrekkingen

ons leiden bij het opstellen van al die afdeelingen.

Men is gerechtigd, aan te nemen, dat een indeeling der heele

reeks wezens van een Rijk op grond der onderlinge overeenkomsten

de _natuurlijke Orde_ zelf laat zien. Maar--gelijk ik in het vorige

hoofdstuk heb aangetoond--moet men daarbij voor oogen houden, dat de

verschillende om studie-redenen op te stellen afdeelingen volstrekt

niet in de natuur voorkomen, maar inderdaad kunstmatig zijn, ofschoon

natuurlijke deelen van die door de natuur ingestelde orde.

Voeg daarbij, dat onder de dieren de verwantschap hoofdzakelijk naar

de organisatie bepaald moet worden, en dat de hierbij toegepaste

beginselen niet den minsten twijfel aan hun gegrondheid moeten

laten, en men heeft bij alle beschouwingen een stevige basis voor de

_zoölogische philosophie_.

Elke wetenschap moet immers haar philosophie hebben, en slechts

op dezen weg kan zij ware vorderingen maken. Vergeefs zullen de

natuuronderzoekers hun tijd besteden met het beschrijven van nieuwe

soorten, en elke schakeering en kleine bijzonderheid gebruiken om

de geweldige lijst van ingeschreven soorten te vergrooten, i.e.w.,

om op alle manieren genera op te stellen en hun normen voortdurend

te wijzigen. Als de wijsbegeerte der wetenschap verwaarloosd wordt,

zullen zij werkelijken vooruitgang derven en het heele werk onvoltooid

blijven.

Eerst sinds het vaststellen der nauwere of meer verwijderde

betrekkingen tusschen de verschillende natuurvoortbrengselen en hun

afdeelingen heeft de natuurwetenschap eenige stevigheid van beginselen

gekregen en een philosophie, die haar werkelijk tot dien rang verheft.

Welk een voordeel trekt onze systematiek niet elken dag ter harer

volmaking uit de voortgezette bestudeering der overeenkomsten! Zoo

heb ik daarbij bevonden, dat de _infusiediertjes_ niet langer

met de polypen in dezelfde klasse konden worden vereenigd; dat de

_straaldieren_ evenmin daarmee saamgesmolten mochten worden; en dat

de geleiachtige dieren zooals de kwallen en naburige geslachten,

die Linne en Bruguiere zelfs onder de weekdieren plaatsten, wezenlijk

dichter stonden bij de zeeëgels en daarmee een afzonderlijke klasse

moesten vormen(†).

Voorts kwam ik bij die studieën tot de overtuiging dat de _wormen_

een afzonderlijke afdeeling vormden, zeer verschillend van de

_straaldieren_ en a fortiori van de _polypen_; dat de _spinachtigen_

geen deel meer uitmaken konden van de klasse der insecten en dat de

_rankpootigen_ noch ringwormen noch weekdieren waren.

Tenslotte kon ik door genoemde studiën tal van wezenlijke verbeteringen

aanbrengen in de afdeeling zelf der mollusken en bevond ik, dat de

_pteropoden_, zeer verwant met--schoon gescheiden van--de gasteropoden,

niet tusschen deze en de cephalopoden mochten geplaatst worden,

maar tusschen de hun naburige koplooze en de buikpootige weekdieren

in. Deze _pteropoden_ toch hebben geen oogen, gelijk alle acephalen,

en bijna geen kop, Hyalaea zelfs heelemaal niet. (Zie in hoofdstuk

VII de bijzondere indeeling der Mollusca).

Zoodra bij de gewassen de studie der overeenkomsten tusschen de

verschillende bekende families ons beter ingelicht zal hebben

omtrent den rang, dien elk in de algemeene reeks moet innemen, zal

ook hun indeeling geen plaats meer laten voor willekeur en meer gaan

overeenkomen met de Natuurlijke Orde zelve.

Zoo zijn dan de onderlinge betrekkingen van zoo kennelijk belang, dat

men haar bestudeering tegenwoordig moet beschouwen als de voornaamste

voor de bevordering der natuurwetenschap.

HOOFDSTUK III

OVER DE SOORT BIJ DE LEVENDE WEZENS EN HET BEGRIP DAARAAN TE HECHTEN

Het is geen bagatel, nauwkeurig het begrip te bepalen, dat we ons

te vormen hebben van z.g. _soorten_ onder de levende wezens, en

te onderzoeken, of inderdaad _soorten_ absoluut standvastig zijn,

dus even oud als de natuur zelf en alle van den aanvang af in hun

tegenwoordigen toestand bestaan hebben; of zij niet, onderworpen aan

mogelijke wijzigingen hunner omstandigheden, op de duur van karakter

en vorm veranderd zijn, zij het ook uiterst langzaam?

De oplossing van deze vraag is niet alleen van belang voor zoölogie

en botanie, maar ook voor de geschiedenis van den aardbol.

In een van de volgende hoofdstukken zal ik laten zien, dat elke soort

onder den invloed van de haar langen tijd omringende omstandigheden,

_gewoonten_ heeft aangenomen, welke op haar beurt een omvormende

werking hebben op de deelen van elk individu der soort, zoodat zij

deze met zichzelf in overeenstemming brengen.

Laten wij echter eerst eens het bestaande _soort_-begrip in oogenschouw

nemen.

_Soort_ noemt men elke verzameling van overeenkomstige individus,

die door huns gelijken zijn voortgebracht.

Deze bepaling is juist, want al wat leeft gelijkt steeds ten naaste bij

op datgene, waaruit het voortkomt. Maar men voegt er de onderstelling

aan toe, dat de een soort samenstellende eenheden nooit in specifieke

kenmerken veranderen en de _soort_ bijgevolg in de natuur volkomen

vast-staat.

Alleen tegen deze onderstelling wil ik den strijd aanbinden, wijl

zékere waarnemingen ten duidelijkste haar ongegrondheid doen blijken.

De bijna algemeene aanname [8] dat de _soorten_ levende wezens

door onveranderlijke kenmerken duurzaam onderscheiden zijn en hun

aanzijn even oud is als de natuur zelf, werd opgesteld in een tijd,

toen men nog niet voldoende had waargenomen en de natuurkennis nog

vrijwel nihil was. Elken dag wordt zij echter gelogenstraft voor

wie gereedelijk hun oogen den kost gegeven hebben, de natuur lang

gadegeslagen en met vrucht de groote en rijke collecties hebben

geraadpleegd in onze _Musea_.

Ieder, die zich veel met natuurlijke historie heeft beziggehouden,

weet dan ook, dat tegenwoordig de natuurvorschers de grootste moeite

hebben met de soortbepaling. In onwetendheid, dat _soorten_ inderdaad

slechts constant zijn ten opzichte "hunner" eigene omstandigheden

zoolang deze duren, en dat sommige afwijkende individuen rassen

vormen, overgaande in die van een naburige soort, bestempelen de

systematici willekeurig sommige exemplaren in verschillende landen

en levensvoorwaarden als variëteiten, andere als soorten. Daardoor

wordt dat gedeelte van het werk, dat de soortbepaling betreft, met

den dag gebrekkiger, d.w.z. verwarder en vol hindernissen.

Men heeft nu inderdaad reeds lang verzamelingen van individuen

bemerkt, die in samenstelling hunner deelen zòò op elkaar lijken en

van geslacht op geslacht zoolang men ze kent dezelfde blijven, dat men

zich gerechtigd waande ze te beschouwen als vormende onveranderlijke

_soorten_.

Daar men er intusschen geen acht op geslagen heeft, dat de elementen

van een soort zich zoo lang moeten bestendigen, als de hun levenswijze

beïnvloedende omstandigheden zich niet in wezen wijzigden, en daar de

heerschende vooroordeelen ingenomen waren met dat eeuwige "voortteelen

van gelijke individuen", zoo heeft men de soorten onveranderlijk en

even oud als de natuur geacht, elk afzonderlijk geschapen door den

oppersten Veroorzaker van al het bestaande.

Ongetwijfeld bestaat er niets dan door den wil van den oppersten

Schepper aller dingen. Maar kunnen wij hem regelen toekennen voor

de uitoefening van zijn wil en de gevolgde wegen vaststellen? Heeft

zijn oneindige macht niet een _orde der dingen_ kunnen scheppen,

die achtereenvolgens het aanzijn gaf aan alles, bekend en onbekend?

Waarlijk, hoe ook zijn wil geweest zij, de onmetelijkheid zijner macht

is steeds dezelfde. En hoe deze opperste wil zich ook volvoerd moge

hebben, niets kan er de grootte van verminderen.

Terwijl ik dus voor de besluiten van deze eeuwige wijsheid ontzag

heb, beperk ik mij binnen de grenzen van een eenvoudig waarnemer der

natuur. Indien ik dus op de wegen, waarlangs zij hare werken volvoert,

iets aan den dag breng, zal ik, zonder vrees mij te vergissen, zeggen,

dat 't den Schepper behaagd heeft, hetzelve zoo'n eigenschap en kracht

toe te kennen.

Het _soort_-begrip, dat men zich gevormd had, was vrij eenvoudig en

begrijpelijk en scheen bevestigd door de onderlinge vormgelijkenis

der nakomelingen. Zoo is het nòg gesteld met zeer veel z.g. "soorten",

die wij elken dag zien.

Intusschen, hoe meer onze kennis omtrent de verschillende organismen

vooruitgaat, waarmee haast alle deelen van de aardoppervlakte bedekt

zijn, hoe grooter wordt onze verlegenheid bij de soortbepalingen en

a fortiori bij de begrenzing en onderscheiding van geslachten.

Naarmate onze verzamelingen van natuurproducten rijker worden,

zien we bijna alle open plaatsen zich vullen en onze scheidslijnen

vervagen(†). Wij vinden ons bepaald tot willekeurige definities, die

ons nu eens de geringste verschillen doet aangrijpen als kenmerken

van een _soort_, dan weer van variëteiten.

Ik herhaal het, hoe rijker onze collecties, hoe meer de bewijzen,

dat alles min of meer onderling is genuanceerd, de verschillen zich

verdoezelen en de natuur ons meestentijds slechts ondergeschikte en

soms zelfs kinderachtige bijzonderheden overlaat om onderscheidingen

op te stellen.

Menig genus onder de planten en dieren is door de vele _soorten_ zoo

uitgebreid, dat hun bestudeering bijna ondoenlijk is geworden. Deze

soorten toch,--in reeksen gerangschikt naar hun natuurlijke

overeenkomst,--vertoonen zulke geringe verschillen met hun buren, dat

zij in elkaar overgaan, eenigszins door elkaar loopen en met geen enkel

middel hun kleine onderlinge verschillen onder woorden te brengen zijn.

Slechts zij, die zich lang en veel bezig hebben gehouden met

de determineering van _soorten_--en rijke collecties hebben

geraadpleegd--kunnen weten, hoezeer deze vloeiend in elkaar overgaan,

en hoe hun hier en daar schijnbaar geïsoleerd voorkomen slechts

veroorzaakt wordt door het ons nog ontbreken van andere, meer naburige

maar nog niet verzamelde vormen.

Ik wil daarmee niet zeggen, dat de bestaande dieren een enkelvoudige

en gelijkmatige reeks vormen, maar veeleer een onregelmatige vertakte

serie zonder plotselinge overgangen tusschen de deelen--althans niet

van huis uit, indien ze er al mochten zijn door het verloren gaan

van enkele soorten.

Daaruit volgt, dat de _soorten_, die elken tak van de algemeene

reeks beëindigen, minstens aan een kant met andere, naburige soorten

samenhangen. Ziedaar wat ik thans, door kennis van zaken vermag aan

te toonen.

Ik heb geen enkele onderstelling noodig: ik roep alle waarnemende

natuurvorschers tot getuigen.

Niet alleen vele geslachten, maar heele orden en soms zelfs klassen

leveren ons reeds bijna volledige deelen van den aangeduiden

toestand. Als men dan uit de volgens de natuurlijke verwantschap in

reeksen gerangschikte _soorten_ één uitkiest en een eind verderop weer

één, dan zullen die twee soorten bij vergelijking groote verschillen

vertoonen.

Zoo zijn wij eenmaal begonnen de meest voor de hand liggende

natuurvoortbrengselen te zien. Toen waren de geslachts- en

soorts-kenmerken gemakkelijk op te stellen. Maar bij onze tegenwoordige

rijke verzamelingen zou men bij het vervolgen van bovengenoemde reeks

tusschen die twee zoo uiteenloopende soorten van de eene schakeering

vloeiend in de andere overgaan zonder opmerkelijke verschillen te

ontmoeten.

Ik stel hier de vraag, welk ervaren zoöloog of botanicus is niet

doordrongen van de grondslagen van het zoo juist uiteengezette?

Hoe kan men thans de _soorten_ bestudeeren of bevredigend determineeren

van die menigte polypen, straaldieren, wormen van allerlei orden en

vooral onder de insecten, waar alleen reeds de geslachten der _dag-_

en _nachtvlinders_, _motten_, _vliegen_, _sluipwespen_, _korenmotten_,

_bokkevers_, _loopkevers_ en _rozentorren_ zooveel verwante soorten

omvatten, die in allerlei schakeeringen vrijwel in elkander loopen?

Welk een menigte schelpen vertoonen ons niet de weekdieren van

alle landen en uit alle zeeën, die al onze onderscheidingsmiddelen

uit-putten.

Als men opstijgt tot de visschen, kruipende dieren, vogels, zelfs tot

de zoogdieren, overal zal men, behoudens nog aan te vullen gapingen,

schakeeringen ontwaren, die naburige soorten en zelfs geslachten onder

elkaar verbinden en vrijwel geen vat meer geven aan ons vernuft tot

het opstellen van goede verschilpunten.

Laat niet de botanie in haar verschillende onderdeelen een volkomen

overeenkomstigen stand van zaken zien? Welke moeilijkheden ondervindt

men inderdaad tegenwoordig niet bij de studie en bepaling der species

in de genera: _Lichen_, _Fucus_, _Carex_, _Poa_, _Piper_, _Euphorbia_,

_Erica_, _Hieracium_, _Solanum_, _Geranium_, _Mimosa_, etc. etc.!

Toen men deze geslachten vormde, kende men er nog slechts een klein

aantal soorten van, en was hun onderscheiding gemakkelijk. Maar

tegenwoordig, nu bijna alle leemten er tusschen gevuld zijn, dalen

onze soort-diagnosen noodwendig tot bijzonderheden af, en ook dat is

nog dikwijls onvoldoende.

Laat ons, dit alles ter dege vastgesteld zijnde, eens zoeken naar de

mogelijke oorzaken; of de natuur de middelen ertoe bezit, en of de

waarneming ons ten dien opzichte verder heeft kunnen brengen.

Menigvuldige feiten leeren, dat naarmate de leden van een soort

veranderen van standplaats, klimaat of levenswijze, zij daarvan

invloeden ondergaan, die gaandeweg de gesteldheid en verhoudingen

hunner deelen, hun vorm, functies, ja zelfs hun samenstelling wijzigen,

zoodat mettertijd hun heele wezen deelt in de ondergane veranderingen.

In hetzelfde klimaat doen eerst de verschillen in plaatselijke

omstandigheden de eraan blootgestelden varieeren. Maar allengs brengen

deze voortdurende invloeden bij de groepsgewijze onder dezelfde

levensvoorwaarden zich voortplantende individuen afwijkingen teweeg,

die c.q. van essentieel belang worden; zoodat na talrijke opvolgende

geslachten de _soort_ tenslotte in een nieuwe omgevormd is, van de

eerste onderscheiden.

Als bijvoorbeeld de zaden van een gras of andere vochtige-weide-plant

altemet naar de helling van een naburigen heuvel worden overgebracht,

waar de grond, schoon hooger gelegen, nog frisch genoeg is om de

plant te doen voortbestaan; als zij vervolgens, na vele generatiën

hoe langer hoe verder een droge en bijna dorre berghelling bestijgt en

ze slaagt erin, zich te handhaven en voort te planten; dan zal ze zóó

veranderd zijn, dat de botanici er een aparte _soort_ van zullen maken.

Hetzelfde gebeurt met de dieren, door omstandigheden gedwongen te

veranderen van klimaat, levenswijs en gewoonten. Maar de genoemde

oorzaken eischen ten hunnen aanzien nog meer tijd dan bij de planten,

om noemenswaardige wijzigingen teweeg te brengen.

De opvatting van hen, welke onder den naam _soort_ een verzameling

gelijksoortige wezens samen vatten, die zichzelf-gelijkblijvend

voortplanten en wier bestaan als zoodanig dus van dezelfde stonde

dagteekent als dat der natuur zelve, achtte het onmogelijk, dat

exemplaren, tot twee verschillende soorten behoorende, zich zouden

kunnen vermaagschappen.

Ongelukkig heeft de waarneming tot op heden geleerd, dat deze

beschouwing geenszins gegrond is. Want de onder de planten zoo

veelvuldige bastaarden en de zoo vaak bij de dieren opgemerkte paringen

tusschen individuen van zeer verschillende _soorten_ doen zien, dat

de gewaande vaste grenzen tusschen die soorten niet zoo stevig waren

als men wel dacht.

Weliswaar hebben veelal zulke singuliere paringen, vooral als zij heel

ongerijmd zijn, geen resultaat; althans zijn de nakomelingen in het

algemeen onvruchtbaar. Maar anderzijds weet men, dat in het geval van

elkaar nader staande ouders deze gebreken zich niet voordoen. Langs

dezen weg zijn dan ook inderdaad variëteiten te teelen, die ten slotte

rassen worden, en mettertijd z.g. "soorten". (N.B.!, vert.)

Laten wij, om te beoordeelen, of het _soort_-begrip eenigen waren grond

heeft, terugkomen op onze reeds uiteengezette beschouwingen. Zij doen

ons zien:

1e. Dat alle organismen van den aardbol in veel tijds letterlijk door

de natuur zijn voortgebracht.

2e. Dat de natuur tot op heden steeds begonnen is met het vormen

van de eenvoudigste organismen, en deze slechts langs directen weg;

ik bedoel: die eerste beginselen van organisatie, die men _generatio

spontanea_ noemt.

3e. Dat, waar die eerste beginselen van dier en plant gevormd zijn in

passende plaatsen en omstandigheden, de functies van het beginnend

leven en de organische bewegingen allengs noodwendig de organen

ontwikkeld en mettertijd gedifferentieerd hebben [9].

4e. Dat de aan de eerste levensuitingen van het organisme in

allen deele inhaerente groeikracht het aanzijn heeft gegeven aan

de verschillende wijzen van vermenigvuldigen en voortplanting,

en dat daardoor de verkregen vooruitgang in bewerktuiging, vorm en

verscheidenheid der deelen bewaard is gebleven.

5e. Dat op den langen duur met behulp van de (natuurlijk gunstige)

omstandigheden, van de veranderingen, door alle punten van het

aardoppervlak ondergaan, i.e.w. van de macht van nieuwe standplaatsen

en gewoonten tot wijziging der organen, álle thans levende wezens

onmerkbaar tot hun tegenwoordige gedaante gevormd zijn.

6e. Dat tenslotte, daar de levende lichamen elk voor zich in gelijken

trant zekere veranderingen in organisatie ondergaan hebben, ook de

z.g. "_sóórten_" onmerkbaar en achtereenvolgens aldus gevormd zijn,

slechts een betrekkelijke standvastigheid hebben, en niet even oud

als de natuur kunnen zijn.

Maar,--zal men zeggen,--zou men van deze onderstellingen

niet weerhouden worden alleen al door de beschouwing van de

bewonderenswaardige verscheidenheid in _instincten_ der verschillende

dieren en al de wonderen hunner _vaardigheid_?

Wie zou zijn stelsel zóó ver durven doorvoeren, te zeggen, dat de

natuur alléén die verbazend veelvoudige middelen, listen, handgrepen,

voorzorgen en geduld geschapen heeft, waarvan de _bouwkunst_ der dieren

ons zooveel voorbeelden levert? Is alleen wat wij ten dien aanzien

bij de _insecten_ waarnemen niet reeds duizend maal voldoende om ons

te doen gevoelen, dat de grenzen der natuurmacht haar volstrekt niet

veroorloven, zooveel voortreffelijks motu proprio voort te brengen

en den hardnekkigsten philosooph te overtuigen, dat hiervoor alleen

de wil van den oppersten schepper aller dingen noodig en volmachtig

is geweest?

Zonder twijfel zou het een stoutmoedige of liever geheel waanzinnige

bewering zijn, grenzen toe te kennen aan het vermogen van den

eersten Alveroorzaker. Maar daarom valt nog niet te ontkennen, dat

die oneindige macht bepaalde dingen heeft kunnen willen, waarvan we

in de natuur de kennelijke teekenen zien.

Laat dit zoo zijn; als ik zie, dat de _natuur_ zelf de genoemde

wonderen, de organismen met leven en gevoel voortbrengt; dat zij

hun organen en functies op ongekende schaal heeft vermenigvuldigd;

dat zij alleenlijk door middel der gewoontevormende _behoeften_

de bron heeft geschapen van alle handelingen en vermogens (vanaf de

eenvoudigste tot aan het _instinct_, _schranderheid_ en tenslotte

_oordeel_), moet ik dan niet in dat kunnen der natuur, in de Orde

der dingen erkennen: de uitvoering van des verhevenen Scheppers wil,

dat de natuur dat vermogen zou hebben?

Zal ik minder de grootheid van die eerste Oorzaak van alles bewonderen,

als het haar behaagd heeft, aldus te handelen, dan indien zij zich

voortdurend door wilsdaden bezig hield met de details van alle

bijzondere scheppingen, veranderingen, ontwikkelingen, verstoringen

en vernieuwingen, i.e.w. met alle wijzigingen, die zich algemeen in

het bestaande voltrekken?

Ik hoop dan ook te bewijzen, dat de natuur de middelen heeft, om zelf

datgene voort te brengen, wat we in haar bewonderen.

Intusschen werpt men nog tegen, dat al wat men ziet bij de levende

wezens van een onveranderlijke vormbestendigheid getuigt. En men denkt,

dat alle dieren, wier geschiedenis sinds 2-3000 jaar ons overgeleverd

is, steeds dezelfde zijn, niets verloren noch gewonnen hebben in

volmaking en vorm hunner organen.

Terwijl die schijnbare standvastigheid sinds lang voor een feitelijke

waarheid doorgaat, heeft men haar zoo juist nog bijzonderlijk trachten

te bewijzen in een Rapport over de door Geoffroy in Aegypte verzamelde

natuurhistorica. De rapporteurs drukken zich als volgt uit:

"De collectie heeft vooreerst dit eigenaardige, dat zij om zoo

te zeggen dieren van alle eeuwen bevat. Reeds sinds lang wenschte

men te weten, of de soorten mettertijd van vorm veranderen. Deze

schijnbaar beuzelachtige vraag is niettemin van wezenlijk belang

voor de geschiedenis van den aardbol en daardoor voor de oplossing

van duizend andere, die te maken hebben met de ernstigste voorwerpen

van menschelijke vereering.

"Nooit was men beter in de gelegenheid, haar uit te maken voor een

groot aantal merkwaardige soorten en nog duizenden andere. Het schijnt,

alsof het bijgeloof der oude Aegyptenaren geïnspireerd ware door de

natuur om een monument van haar geschiedenis achter te laten".

Zoölogische Philosophie Of beschouwingen over de Natuurlijke Historie der dieren etc. · 第 3 / 16 段