Nu dwingt ons de _wijsgeerige_ belangstelling in de betreffende

wetenschappen--ofschoon minder algemeen gevoeld dan de economische--tot

scheiding van het kunstmatige en het natuurlijke en de behandeling

van het eerste binnen passende grenzen te houden, om aan het tweede

alle verdiende aandacht te schenken.

Die hulpmiddelen zijn:

1e. De systematische algemeene en bijzondere indeeling.

2e. De klassen.

3e. De orden.

4e. De families.

5e. De geslachten.

6e. De nomenclatuur, zoowel der verschillende afdeelingen

als der bijzondere voorwerpen.

Deze 6, in de natuurwetenschappen algemeen gebruikelijke, echte

kunst-middelen moeten dienen tot het rangschikken, indeelen,

bestudeeren, vergelijken, herkennen en aanhalen van de verschillende

waargenomen natuurvoortbrengselen. Iets dergelijks heeft de natuur niet

gedaan, en inplaats ons zelf te misleiden door ons werk met het hare te

verwarren, moeten wij erkennen, dat de _klassen_, _orden_, _families_,

_geslachten_ en desbetreffende _nomenclatuur_ hulpmiddelen van onze

vinding zijn, weliswaar onmisbaar, maar die men moet gebruiken volgens

overeengekomen beginselen om willekeurige veranderingen te vermijden,

die alle voordeel zouden te niet doen.

Zonder twijfel moest men onvermijdelijk de natuurvoortbrengselen

_groepeeren_ en onder hen verschillende indeelingen opstellen, zooals

klassen, orden, families en geslachten en z.g. _soorten_ afpalen

en al deze grootheden benoemen. De grenzen van ons kunnen eischen

het en wij behoeven zulke middelen als hulp bij het vastleggen van

onze kennis omtrent die wonderbaarlijke menigte tot in 't oneindige

verschillende, waarneembare natuurvormen.

Maar deze classificaties, dikwijls zoo gelukkig door de natuurvorschers

bedacht, evenals haar indeelingen en onderverdeelingen, zijn geheel en

al kunstmatig. Niets van dat alles bevindt zich in de natuur, ondanks

den grondslag, daaraan schijnbaar gegeven door zekere in schijn op

zichzelf staande deelen van de ons bekende natuurlijke reeks. Men kan

dan ook verzekeren, dat de natuur klassen, orden, families, geslachten

noch soorten werkelijk in constanten vorm heeft voortgebracht, maar

alleen individuen die elkaar opvolgen en gelijken op hun voortbrengers

[5]. Deze enkelingen nu behooren tot oneindig-verschillende rassen,

geschakeerd in allerlei vormen en allerlei graden van bewerktuiging die

onveranderd blijven zoolang geen oorzaak tot verandering op hen werkt.

Laten wij enkele korte uiteenzettingen geven omtrent elk der zes

genoemde hulpmiddelen.

_Systematische rangschikking._ Zoo noem ik--hetzij in het algemeen,

hetzij in het bijzonder--elke reeks dieren of planten, die niet

overeenkomt met de natuurlijke orde, d.w.z. deze noch geheel, noch

gedeeltelijk weergeeft en bijgevolg niet gegrond is op welbepaalde

onderlinge verhoudingen.

Men heeft tegenwoordig allen grond tot de erkenning, dat in de

natuur een gestelde orde heerscht onder al haar levende wezens,

volgens welke orde zij oorspronkelijk gevormd zijn.

Deze orde zelf bestaat in elk organisch rijk in wezen éénig en

ongedeeld en is te kennen uit de bijzondere en algemeene betrekkingen

tusschen haar verschillende samenstellende deelen. De organismen aan

beide einden van zoo'n geordende reeks hebben onderling het minst

wezenlijk verband en vertoonen in samenstelling en vorm de grootst

mogelijke verschillen.

Die orde zal, naarmate we haar leeren kennen, de systematische of

kunstmatige rangschikking vervangen, opgesteld om gemakkelijk de

verschillende waargenomen natuurvoorwerpen te groepeeren. Inderdaad

heeft men daarbij in de beginne slechts aan hun gemakkelijke

onderscheiding gedacht. En de werkelijke natuurlijke orde heeft men

des te langer ondoorvorscht gelaten, daar men haar bestaan zelfs

niet vermoedde.

Daardoor ontstonden allerlei kunstmatige systemen en methoden, gegrond

op zóó willekeurige beschouwingen, dat zij bijna door iederen auteur

beginselwijzigingen ondergingen.

Het _sexueele systeem_ van Linnaeus, zoo vernuftig het is,

vertegenwoordigt een algemeene _systematische indeeling_ der planten;

en de _entomologie_ van Fabricius een bijzondere dito voor de insecten.

De _philosophie_ der natuurwetenschappen heeft in den laatsten

tijd haar bekende vorderingen moeten maken, om ons--tenminste in

Frankrijk--te overtuigen van de noodzakelijkheid het _natuurlijke

systeem_ te bestudeeren, d.w.z. in onze indeelingen de natuurlijke

orde zelf te zoeken. Want deze is de eenige blijvende, onafhankelijke

van alle willekeur en de aandacht des onderzoekers waardige.

Bij de planten is de natuurlijke methode uiterst moeilijk te volgen,

door de nog duistere inwendige organisatie dier wezens en de mogelijke

verschillen daarin bij de onderscheidene families. Intusschen

heeft men na de geleerde onderzoekingen van Antoine Laurent de

Jussieu een grooten stap gedaan naar het natuurlijke systeem in de

botanie. Talrijke families zijn gevormd op het onderzoek der onderlinge

betrekkingen. Maar ons rest nog een deugdelijke bepaling van de

algemeene verhoudingen al dezer families onder elkaar en bijgevolg

van de heele Orde. Het begin daarvan heeft men werkelijk gevonden,

maar het midden en vooral het einde zijn nog aan willekeur ten prooi.

Met de dieren is het anders gesteld. Hun veel uitgesprokener

organisatie in verschillende meer begrijpelijke stelsels heeft hun

bewerking bevorderd. De natuurlijke Orde in het dierenrijk is dan

ook tegenwoordig in hoofdtrekken vast en voldoende omlijnd. Alleen

de grenzen der klassen, orden, families en geslachten zijn nog aan

willekeur prijsgegeven. De onder de dieren opgestelde _systematische

rangschikkingen_ zijn nog slechts bijzondere, die bijvoorbeeld leden

van één klasse betreffen, bijvoorbeeld van de _vogels_ of _visschen_.

Bij de levende wezens zijn de determineer-kenmerken voor de natuurlijke

betrekkingen van des te minder wezenlijken aard, hoe meer men afdaalt

van het algemeene tot het bijzondere, en de ware Orde der natuur

wordt zoo hoe langer hoe moeilijker herkenbaar.

_De klassen._ Men geeft den naam _klassen_ aan de algemeene

hoofd-afdeelingen van een natuurrijk. Over de andere namen spreken

we straks.

Hoe meer onze kennis vordert omtrent de betrekkingen tusschen de

samenstellende elementen van een rijk, hoe beter en natuurlijker

de opgestelde _klassen_ zijn, als men met die betrekkingen rekening

heeft gehouden. Desniettemin zijn zelfs tusschen de beste klassen de

grenzen kennelijk kunstmatig. Zij ondergaan dan ook steeds willekeurige

wijzigingen van den kant der auteurs, zoolang deze het niet eens

zijn over zekere betreffende hulp-principes, en zich daaraan niet

onderwerpen.

Zoo zullen dan, zelfs indien de natuurlijke Orde in een rijk volkomen

bekend was, de op te stellen _klassen_ altijd echt kunstmatige

verdeelsels blijven.

Intusschen schijnen vooral in het dierenrijk verscheidene van die

afdeelingen werkelijk door de natuur zelf geformeerd te zijn. En

zeker zal men nog lang nauwelijks gelooven, dat de zoogdieren,

vogels, enz. géén wèl onderscheiden, natuurlijke klassen zijn. En

toch is dat slechts inbeelding en tegelijk een gevolg van de grenzen

onzer kennis omtrent de bestaande of voormalige dieren. Hoe meer die

voortschrijdt, hoe meer bewijzen verkrijgen we, dat de grenzen, zelfs

van de meest-afgezonderd schijnende klassen, zich door onze nieuwe

ontdekkingen zien uitgewischt. Zoo schijnen al de _vogelbekdieren_ en

_mieren-egels_ het bestaan aan te duiden van overgangsvormen tusschen

vogels en zoogdieren. Hoeveel zou de natuurwetenschap er niet bij

winnen, als het groote Australische gebied, en nog verscheiden andere,

ons beter bekend waren.

Als _klassen_ de afdeelingen van den eersten graad zijn, volgt

daaruit, dat _daarin_ gevormde indeelingen zelf geen klassen kunnen

zijn; want dat is klaarblijkelijk minder passend. Toch doet men dat

wel. Brisson heeft, in zijn _Ornithologie_, de klasse der vogels

in verschillende bijzondere "klassen" verdeeld. Gelijk overal de

natuur aan wetten, zoo moet ook de wetenschap aan regels onderworpen

zijn. Bij gebreke daaraan,--of als zij niet opgevolgd worden--blijven

haar voortbrengselen onbestendig en haar doel gemist.

Moderne natuurkundigen hebben een verdeeling van een klasse in

meerdere _onderklassen_ ingevoerd, en anderen hebben dit denkbeeld

zelfs toegepast op geslachten, zoodat er _sub-genera_ gevormd

werden. Weldra zal ons systeem onder-klassen, -orden, -families,

-geslachten en -soorten rijk zijn. Dat is een onberaden misbruik dat

de rangorde en eenvoud van indeeling vernietigt, door Linnaeus in zijn

voorbeeld gesteld en door ieder aangenomen. De verscheidenheid der

tot een klasse behoorende dieren of planten is soms zoo groot, dat

het noodig is, daaronder veel afdeelingen en onder-afdeelingen op te

stellen. Maar het belang der wetenschap vordert voor elk daarvan steeds

den grootst mogelijken eenvoud, om de studie te vergemakkelijken. Dat

belang laat al die afdeelingen toe, maar verzet zich tegen een eigen

naam voor elk. Er moet een einde komen aan dat namenmisbruik, anders

zou de nomenclatuur nog een moeilijker onderwerp worden, dan de dingen

zelf, waar het om gaat.

_De Orden._ Den naam _orde_ moet men geven aan de voornaamste

afdeelingen van een klasse. En als deze zelf weer onder-verdeeling

toelaten, zijn die onderdeelen geen _orden_ meer. Die naam zou haar

kwalijk passen.

Zoo is bijvoorbeeld de klasse der weekdieren gereedelijk in twee

groote partijen te verdeelen, de eene met een kop, oogen enz. en

zich voortplantend door paring, de andere zonder kop en oogen

en paring. Deze _cephale_ en _acephale_ mollusken moeten dus als

de twee orden van die klasse beschouwd worden. Intusschen is elk

daarvan in meerdere merkwaardige parten te deelen. Maar dat is nog

geen reden om deze nu _orden_ of zelfs _onder-orden_ te noemen. Zij

kunnen als secties beschouwd worden, als groote families, zelf voor

onderverdeeling vatbaar.

Laat ons in onze hulpmiddelen den grooten eenvoud en rangorde bewaren,

door Linnaeus ingesteld. En laten we die orden voorzoover noodig in

onderdeelen splitsen, zonder bijzondere benamingen.

De orden moeten geteekend zijn door belangrijke kenmerken, alle

opgenomen leden betreffende. Maar men moet haar geen bijzondere naam

geven, toepasselijk op die leden zelf. Hetzelfde moet 't geval zijn

met de noodzakelijk onder de orden te formeeren secties.

_De Families._ Men geeft de naam _familie_ aan systematische groepen,

die eenerzijds kleiner zijn dan de (klassen en) orden, anderzijds

grooter dan de genera. Maar hoe natuurlijk ook de families zijn door

de onderlinge verwantschap van alle erin vervatte geslachten, toch

zijn de haar afbakenende grenzen altijd kunstmatig. De natuurvorschers

zullen dan ook door de verdere studie der natuurvoortbrengselen en

het vinden van nieuwe families steeds hare grenzen wijzigen. De een

verdeelt een familie in verscheiden nieuwe, de ander vereenigt er

verschillende tot één, weer een ander voegt eraan toe en verschuift

zoo de haar toegekende grenzen.

Als alle (_soorten_ genoemde) rassen van een natuurrijk volmaakt bekend

waren, en eveneens de ware betrekkingen tusschen elk daarvan alsmede

tusschen de verschillende gevormde groepen, zoodat overal het werkelijk

natuurlijk verband in de verdeeling der soorten tot stand gebracht

ware, dan zouden de klassen, orden, secties, en geslachten families

zijn van verschillende grootten. Want al die afdeelingen zouden grooter

of kleiner porties zijn der natuurlijke Orde. In dat geval zouden de

grenzen daartusschen uiterst lastig zijn vast te stellen. Willekeur

zou ze onophoudelijk doen varieeren en men zou het er slechts over

eens zijn, voor zoover ze door gapingen duidelijk afgeperkt zijn.

Gelukkig voor de in te voeren kunstbegrippen zijn er nog zóóveel

soorten dieren en planten onbekend--en daarbij vele wellicht voor

altoos, wegens de ontoegankelijkheid van hun verblijfplaats of andere

omstandigheden--dat de ontstane gapingen in de reeks, zoowel de dieren

als de planten ons nog lang--wellicht voorgoed--de begrenzing der

meeste afdeelingen zal mogelijk maken.

Gebruik en noodzaak vereischen voor elke familie en elk geslacht een

eigen, toepasselijken naam. Daaruit volgt, dat de schommelingen

in grenzen, uitbreiding en bepaling der families steeds

nomenclatuur-veranderingen zullen veroorzaken.

_De Geslachten._ Men geeft den naam _geslacht_ aan een vereeniging

van soorten volgens hun onderlinge betrekkingen en stelt aldus kleine

reeksen op, omschreven door willekeurig-gekozen grenzen.

Bij een goed genus gelijken alle bestreken soorten in de meest

wezenlijke en talrijke trekken op elkaar, moeten natuurlijkerwijze

naast elkaar geschikt worden en verschillende slechts onderling in

min-gewichtige opzichten, maar voldoende ter onderscheiding.

Zoo zijn de goede geslachten inderdaad kleine _families_,

d.w.z. werkelijke deelen der Natuurorde.

Maar gelijk de uitbreiding der als _families_ betitelde reeksen

gevarieerd worden door de auteurs, die willekeurig in de betreffende

grondleggende normen afwijken, zoo zijn ook de grenzen der _genera_

blootgesteld aan oneindige veranderingen, wijl zijlieden naar hun

believen hun determineerkenmerken wijzigen. En daar de geslachten elk

een eigen naam vereischen en elke verandering in de genusbepaling

bijna altijd naamswijziging meebrengt, zoo kan men moeilijk de

schade berekenen, welke die eeuwige wijzigingen aan den voortgang

der natuurwetenschappen toebrengen, hoe zij de synonymie overstelpen,

de nomenclatuur overladen en de studie lastig en onaangenaam maken.

Wanneer zullen de natuurkenners zich aan algemeen overeengekomen

beginselen onderwerpen, voor het opstellen van genera, enz. enz.? Maar,

verleid door de natuurlijke betrekkingen, herkend tusschen de

samengebrachte voorwerpen, gelooven zij bijna allen nog, dat de

opgestelde _geslachten_, _families_, _orden_ en _klassen_ werkelijk

natuurlijk zijn. Zij bedenken niet, dat weliswaar de goede reeksen,

op grond der onderlinge betrekkingen opgesteld, werkelijk in de

natuur bestaan,--als grooter of kleiner deelen harer Orde--maar dat

de scheidingslijnen, noodwendig van afstand tot afstand te trekken

om de Natuurorde in te deelen, daar geenszins zijn.

Bijgevolg zijn de geslachten, families, verschillende secties, orden

en zelfs de klassen werkelijke _kunstbegrippen_, hoe natuurlijk

de welgevormde series ook mogen zijn, die deze onderscheidene

afdeelingen uitmaken. Ongetwijfeld is hun opstelling noodig en ze

strekt klaarblijkelijk tot nut. Maar zij moet onderworpen worden aan

overeengekomen en algemeen erkende regelen, opdat niet door voortdurend

misbruik alle opgeleverde voordeel te loor ga.

_De Nomenclatuur_, het zesde kunstbegrip. Zoo noemt men het stelsel

van namen, toegekend, zoowel aan de afzonderlijke voorwerpen (alle

rassen of soorten) als aan de verschillende groepen daarvan (alle

genera, families en klassen).

Tot duidelijke aanduiding van het voorwerp onzer nomenclatuur,--die

slechts namen van soorten, genera, families en klassen behelst--moet

men haar onderscheiden van die eener ándere tak van wetenschap,

de _technologie_, welke uitsluitend deelen van natuurproducten

betreft. [6]

Stellig is de nomenclatuur in de natuurlijke historie een

noodzakelijk kunstbegrip, om onze denkbeelden omtrent de waargenomen

natuurvoortbrengselen vast te leggen en beide te kunnen overbrengen.

Gewis moet dit hulpmiddel, als alle andere, onderworpen worden aan

overeengekomen en algemeen opvolgende regelen. Weliswaar ontstaat het

algemeene en beklagenswaardige misbruik hoofdzakelijk door de steeds

talrijker verkeerde inkruipsels in de overige kunstbegrippen. Inderdaad

ondergaat de _nomenclatuur_ onbegrensde wijziging, doordat bij gebrek

aan vaste regels voor de vorming van _geslachten_, _families_ en

_klassen_ deze grootheden aan allerlei willekeur zijn blootgesteld. En

de reeds zoo uitgebreide _synonymie_ zal steeds aangroeien, en steeds

minder zulk een fnuikende wanorde kunnen goed maken.

Dat was nooit geschied, indien men niet in aanmerking had genomen, dat

alle in de serie van levende wezens te trekken scheidslijnen in wezen

kunstmatig zijn, behalve voor zoover ze volgen uit nog openstaande

gapingen. Maar men heeft dat niet bedacht. Men twijfelt dienaangaande

zelfs niet, en tot op onze dagen hebben de natuurvorschers vrijwel niet

anders beoogd, dan verscheidenheden tusschen de voorwerpen opstellen,

wat ik hoop aan te toonen [7].

Ziedaar de gevolgen van het verzuim te onderscheiden tusschen het

werkelijk-_kunstmatige_ en het natuurlijke en van het feit, dat men

zich niet beijverd heeft, passende regels te vinden, om de op te

stellen afdeelingen minder willekeurig te bepalen.

HOOFDSTUK II

BELANG VAN EEN BESCHOUWING OVER DE NATUURLIJKE OVEREENKOMSTEN

Men heeft onder de levende wezens den naam _overeenkomst_ tusschen twee

vergeleken voorwerpen gegeven aan trekken van analogie of gelijkenis,

in hun geheel genomen, waarbij men inmiddels aan de gewichtigste de

meeste waarde hecht. Hoe gelijkvormiger en omvattender ze zijn, hoe

belangrijker zijn die onderlinge betrekkingen. Zij duiden een soort

verwantschap aan tusschen de betreffende levende wezens en doen de

noodzakelijkheid gevoelen ze in onze indeelingen volgens den graad

hunner overeenkomst bijeen te plaatsen.

Welk een veranderden loop hebben de natuurwetenschappen niet genomen,

sinds men ernstig is begonnen, aandacht te schenken aan de onderlinge

overeenkomsten en vooral sinds men hun ware beginselen en waarde heeft

vastgesteld. Vòòr deze verandering waren onze botanische indeelingen

geheel ten prooi aan willekeur en aan mededinging onder de kunstmatige

stelsels van alle schrijvers. En in het dierenrijk vertoonde

de indeeling der ongewervelden--de meerderheid van alle bekende

dieren--zeer heterogene verzamelingen, bijvoorbeeld onder den naam

_insecten_ of _wormen_, van zeer uiteenloopende, ver-verwante dieren.

Gelukkig is de stand van zaken in dit opzicht veranderd. Voortaan is

men verzekerd van voortuitgang, bij de verdere studie der natuurlijke

historie.

Een beschouwing der _natuurlijke overeenkomsten_ verhindert elke

willekeur van onzen kant bij de pogingen tot een stelselmatige

indeeling der levende wezens. Zij toont ons de natuurwet, die ons

moet leiden in het natuurlijke systeem. Zij dwingt de natuurkenners

tot accoord omtrent den toe te kennen rang aan de voornaamste

samenstellende groepen van hun stelsel en voorts aan de bijzondere

voorwerpen, waaruit die zijn opgebouwd. Ten slotte brengt zij hen tot

het weergeven van de Orde zelve, die de natuur heeft gevolgd bij het

voortbrengen van haar schepselen.

Zoo moet dan de overeenkomst tusschen de verschillende dieren ons

voornaamste voorwerp van onderzoek zijn vóór elke indeeling of

classificatie.

De betrekkingen, waarover wij het hier hebben, betreffen niet

alleen die tusschen de soorten onderling, maar ook al de nauwere of

meer verwijderde algemeene betrekkingen tusschen de verschillende

vergeleken groepen.

Deze overeenkomsten, ofschoon--al naar het belang van de betreffende

deelen--van zeer verschillenden graad, kunnen zich inmiddels tot de

gedaante der uitwendige lichaamsdeelen uitstrekken. Als zij zoover

gaan, dat niet slechts de in-, maar ook de uitwendige organen geen

enkel aanwijsbaar verschil bieden, dan zijn de beschouwde voorwerpen

individuen van dezelfde soort. Maar als, ondanks vèrgaande, wezenlijke

overeenkomst, de uitwendige deelen voelbare verschillen vertoonen,

dan zijn het onderscheidene soorten van eenzelfde geslacht.

Het belangrijke onderzoek naar de onderlinge betrekkingen bepaalt

zich niet tot het vergelijken van klassen, families of zelfs soorten,

maar omvat ook een behandeling van de samenstellende deelen der

individuen. De vergelijking van gelijksoortige deelen met elkaar levert

een gewichtig middel tot herkenning van specifieke overeenkomst of

verschil tusschen de dieren.

Men heeft namelijk opgemerkt, dat de verhouding en schikking der

deelen van alle individuen van een soort of ras steeds dezelfde

blijven. Men heeft daaruit terecht besloten, dat bij onderzoek van

een paar afzonderlijke deelen is uit te maken, tot welke bekende of

nieuwe soort deze behooren.

Dit middel bevordert zeer onze kennis der natuurvoortbrengselen

in het tijdperk der waarneming. Maar de daaruit voortvloeiende

determinaties kunnen slechts beperkten tijd geldig zijn, want van

de rassen zelf verandert de toestand der deelen naarmate de op hen

in werkende omstandigheden zelf zich belangrijk wijzigen. Daar die

veranderingen zich uiterst langzaam en onmerkbaar voltrekken, schijnen

de verhoudingen en schikkingen den waarnemer steeds onveranderlijk

dezelfde. En als hij er ontmoet, die wèl afgeweken zijn, zoo meent hij,

die die verandering niet heeft zien plaats grijpen dat de bemerkte

verschillen altijd hebben bestaan.

Waar blijft het niettemin, dat men bij vergelijking van gelijksoortige

deelen van verschillende individuen de meerdere of mindere

overeenkomst tusschen die deelen gemakkelijk en zeker bepaalt, en

ze bijgevolg herkent als te behooren tot individuen van dezelfde dan

wel verschillende soort.

Slechts de algemeene gevolgtrekking gaat mank, als zijnde te overhaast

opgesteld. Bij meer dan een gelegenheid zal ik dat in den loop van

dit werk kunnen bewijzen.

De betrekkingen zijn steeds volledig, als zij slechts op de beschouwing

berusten van een op zichzelf genomen deel. Maar niettemin is haar

belang evenredig met het min of meer essentieele van het desbetreffende

deel.

Er zijn dus graden in de bevonden overeenkomsten te bepalen en de

belangrijkheid der betreffende deelen is van verschillende waarde. Deze

kennis zou waarlijk zonder toepassing en nut gebleven zijn, als

men bij de levende wezens niet had leeren onderscheiden tusschen

meer en minder wichtige deelen en als men bij de eerste niet het

geëigende beginsel had gevonden om tusschen hen (niet-willekeurige)

waarde-graden op te stellen.

Bij de dieren leveren de wezenlijke deelen voor instandhouding van

het leven en bij de planten die voor de voortplanting de belangrijkste

_overeenkomsten_.

Daarom zal men de onderlinge betrekkingen bij de dieren steeds voor

alles naar de inwendige _samenstelling_ bepalen en bij de planten

naar de _voortplantings_organen. Maar daar beide deze gewichtigste

deelen van verschillenden aard zijn, is het eenige passende middel,

om hun belangrijkheid uit te maken: te onderzoeken, welk hunner van

nature 't meest gebruikt wordt en het belang dier functie voor het

betreffende dier.

Bij de dieren worden terecht drieërlei bijzondere soorten organen

uitgezocht als de geschiktste voor het leveren der voornaamste

overeenkomsten.

In volgorde van gewicht zijn zij:

1e. _De gevoelsorganen_: de zenuwen met een middelpunt van

verbindingen, enkelvoudig (hersenen) of meervoudig (buikganglieketen).

2e. _De ademhalingsorganen_: de longen, kieuwen en tracheeën.

3e. _Het apparaat voor den bloedsomloop_: de slagaders en aders,

meest met een middelpunt van werking: het _hart_.

De eerste twee dezer organen worden meer algemeen gebruikt door de

natuur en zijn daardoor belangrijker dan het derde, want zij komen

nog voor bij de twee klassen ónder de crustaceeën, terwijl het

laatstgenoemde daar ontbreekt.

Van de twee eerstgenoemde winnen het weer de gevoelsorganen in

belang voor de onderlinge overeenkomsten, want zij veroorzaken

de meest-typische dierlijke functies en zonder hen zou er geen

spierbeweging plaats hebben.

Voor de gewassen, waar alleen de voortplantingsorganen punten van

overeenkomst-bepaling geven, zou ik die deelen in volgorde van waarde

aldus geven:

Zoölogische Philosophie Of beschouwingen over de Natuurlijke Historie der dieren etc. · 第 2 / 16 段