Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net/
Wetenschap
Zoölogische Philosophie
Of beschouwingen over de Natuurlijke Historie der Dieren etc. door
J. B. P. A. Lamarck. vertaald door Dr. J. Metzelaar. Met een woord
vooraf van Prof. Dr. C. Ph. Sluiter
Eerste Deel
La postérité vous admirera,
elle vous vengera, mon pêre.
(Gedenkteeken voor Lamarck,
Jardin des Plantes, Parijs.)
Uitgegeven door de Maatschappij voor Goede en Goedkoope
Lectuur--Amsterdam
Gedrukt ter drukkerij van de Wereldbibliotheek
VOORWOORD
Door Prof. Dr. C. Ph. Sluiter
Het ligt in den aard der bijzondere takken van wetenschap, dat het
feitenmateriaal en de methoden van onderzoek van geslacht op geslacht
worden overgenomen, maar dat de philosophische achtergrond, waarop de
onderzoekers van toenmaals stonden, niet gekend, of tenminste vergeten
wordt. Hierdoor wordt dikwijls onrecht aangedaan aan hun nagedachtenis,
aan de waardeering van hun arbeid. Dit geldt zeker voor een aantal
land- en tijdgenooten van Lamarck, de z.g. materialistische philosophen
uit den Revolutie-tijd, en zeker niet het minst voor Lamarck.
Het heeft zijn eigenaardige moeilijkheden, om een man als Lamarck naar
waarde te schatten, meer dan een eeuw, nadat zijn belangrijkste werken:
"Philosophie Zoologique" in 1809 en "Histoire naturelle des Animaux
sans vertèbres" in 1815-1822 verschenen. In den veelbewogen tijd
van zijn eigen leven werd zijn beteekenis voor de ontwikkeling der
biologische wetenschap zoo goed als geheel miskend. Zijn "Philosophie
Zoologique" werd doodgezwegen of hoogstens met spot begroet, en
zelfs zijn geestverwanten en vrienden, zooals Latreille en Geoffroy
St. Hilaire waardeerden in hem vooral den grooten vakgeleerde, zoodat
laatstgenoemde hem zelfs als den "Franschen Linnaeus" begroette,
wat al zeer weinig de groote gaven van Lamarck weergeeft.
Van zijn talrijke geschriften hebben de meeste thans voor ons nog
slechts historische waarde; niemand zal meer naar zijn chemische of
physische verhandelingen grijpen, of zelfs naar zijn "Flore française"
of naar zijn "Histoire naturelle des Animaux sans vertèbres" om zich
over plant of dier op de hoogte te stellen. Maar... geldt datzelfde
ook voor zijn "Philosophie Zoologique"? Mij dunkt van niet en zoo was
het, naar ik meen, een goede gedachte de "Philosophie Zoologique" voor
een grooteren kring in het hollandsch toegankelijk te maken. Onder de
verschillende evolutietheorieën, die heden ten dage bij de biologen
meer of minder instemming vinden, neemt nog altijd het lamarckisme,
of "neolamarckisme", zooals het in zijn gewijzigden vorm heet, een
belangrijke plaats in.
Doordat het zich aansluit aan het onmiddellijk waargenomene
in de natuur, n.l. de aanpassing der dieren aan de uitwendige
omstandigheden, is het voor velen de meest aanneembare, misschien de
meest "menschelijke" voorstelling geworden, al is men zich zeer goed
van de bezwaren bewust, die er tegen in gebracht kunnen worden.
Het is zeer gemakkelijk, de leer van Lamarck belachlijk te maken,
door enkele voorbeelden, uit hun verband gerukt, als typische specimina
van zijn voorstellingen ten beste te geven. Maar leest men zijn eigen,
oorspronkelijk werk zonder bevooroordeeling, dan is zeker spotternij
het laatste, wat men bij zich zal voelen opkomen. Diepe ernst en
volkomen overtuiging spreekt uit alles, wat hij schrijft. Het is waar,
de taal is niet boeiend, bloemrijk of meeslepend, hij vervalt telkens
in herhalingen, maar toch blijft men doorlezen en begrijpt meer en
meer, dat aan de gewone voorstelling van het Lamarckisme in hand-
en leerboeken een belangrijk iets ontbreekt, n.l. de wijsgeerige
achtergrond, die aan al zijn beschouwingen een dieperen zin
geeft. Weliswaar maakt zijn philosophische natuurbeschouwing op ons
vaak een wat naïeven indruk; begrippen uit zijn tijd als de "fluida"
zijn voorstellingen, waar wij tegenwoordig niet verder mee komen. Maar
ook hierin hebben wij zijn wijze van denken te beoordeelen naar den
tijd, waarin hij leefde, en dan ziet men, hoe hij telkens met een
helderzienden blik en goed doordachte redeneering tot inzichten kwam,
die niet veel afwijken van wat wij nu op hechteren grondslag omtrent
de beteekenis van verschillende organen weten. Men denke bijv. aan zijn
tegenstelling der groote- tegenover de overige hersenen, overeenkomende
met onze tegenwoordige opvatting van Neencephalon en Palaeëncephalon
(Edinger).
Evenwel, het bleven veelal geniale concepties, die slechts zelden
door eigen onderzoek getracht werden bewaarheid te worden. Uitgaande
van de grondgedachten was zijn systeem uiterst zorgvuldig en
goedberedeneerd opgebouwd. Bleek echter de grondstelling onhoudbaar,
dan zijn natuurlijk ook de verdere besluiten, waartoe hij komt,
voor ons van geen belang. (Dit geldt bijna voor al zijn physische
en chemische verhandelingen). Bij zijn biologischen gedachtengang
volgt men echter ook thans nog Lamarck met groote belangstelling,
al zal er altijd wel een zekere twijfel blijven bestaan.
Maar... dit geldt voor alle evolutietheorieën, en of het daarom
wenschelijk is, vooreerst ze maar alle te laten rusten, en alleen
waarnemingen te verzamelen, moge ieder voor zich uitmaken. De meeste
biologen zullen toch wel eenige voorliefde hebben voor een bepaalde
richting en dan is het zeker goed in het origineel het werk van een
geniaal man als Lamarck te leeren kennen, die voorzeker de eerste
ernstige en stellig niet de minst logisch denkende evolutionist was.
VOORREDE VAN DEN VERTALER
_Motto_: "Peut-il y avoir, en histoire naturelle
une considération plus importante, et à laquelle
on doive donner plus d'attention que celle que
je viens d'exposer?"
Lamarck, _Phil. Zoöl. cap._ VII, _fin_.
Van de Philosophie Zoologique van Jean Baptiste de Lamarck bestond
nog steeds geen Hollandsche uitgave; en toch mag die in onzen tijd
van oplevende belangstelling voor dezen classicus der afstammingsleer
een behoefte heeten. Want van de toenemende waardeering voor zijne
denkbeelden onder de zoölogen, met name de palaeozoölogen getuigen
de verschillende richtingen der lamarckisten en neolamarckianen.
Voorzeker zijn de leidende gedachten van Lamarck van blijvende waarde,
ondanks de verouderde détails. En laten wij over deze laatste, al
mogen zij ons thans ook zelfs wat wonderlijk voorkomen, niet te hard
oordeelen, en bedenken, dat wij moderne biologen op de schouders
van deze pioniers zijn opgeheven! Wijzen wij o.m. op de treffende
onderscheiding tusschen organisatie- en aanpassingskenmerken in
hoofdstuk V en VI.
Uiterst curieus zijn voor een zoöloog de "toevoegingen" aan het einde,
waaruit hij met één slag het conflict begrijpt tusschen Lamarck en
een man als Cuvier. Maar zijn glimlach besterve bij de magistrale
slotalinea!
Deze vertaling is gebaseerd op de oorspronkelijke editie van 1809
(Paris, Libraire Dentu). Aan de directie van het K. Z. G. Natura Artis
Magistra onze dank voor de vriendelijkheid, uit zijn bibliotheek
dit zeldzame werk te hebben mogen leenen!--De herdruk bezorgd door
Ch. Martins (Paris 1873) bevat, naast enkele emendaties, nogal
wat kleine fouten; hierop schijnt ook de herdruk van 1907 alsmede
de Duitsche bewerking van Prof. Arnold Lang te berusten, al welke
uitgaven mij ter beschikking stonden, en waaruit slechts zelden,
en dan met vermelding, geput is.
Van annoteeren is geheel afgezien. Hiervoor zij in de eerste plaats
verwezen naar de "Geschichte des Lamarckismus" van Dr. Adolf Wagner
(Stuttgart 1909); voorts naar cap. VII-IX van F. Kühner, "Lamarck,
die Lehre vom Leben", Eug. Diederichs, Jena 1913.--Ten gerieve van
den niet geheel deskundigen lezer is echter bij sommige al te sterk
verouderde plaatsen een waarschuwend () geplaatst.
In de lijsten van het VIIIe hoofdstuk in het origineel komen de genera
voor onder hun latijnsche of verfranschte, jazelfs onder de Fransche
namen. Ik heb daarin meer eenheid gebracht door de wetenschappelijke
nomenclatuur voorop te stellen en daaraan zooveel mogelijk het
Hollandsche aequivalent toe te voegen.
De vertaling is een onverkorte, in die beteekenis, dat vrijwel
geen enkele zin van den hoofdtext is weggelaten (Dit geldt niet
voor de noten!). Wel heb ik mij veelal veroorloofd, de wijdloopige
uitdrukkingswijze wat te bekorten: den stijl dus bondiger te maken
waardoor het volumen tot op ongeveer 9/10 is terug-gebracht. Mogelijk,
dat de lectuur hier en daar op den modernen lezer alsnog een eenigszins
breedsprakigen indruk maakt door de vele herhalingen. Uit eerbied voor
den peetvader der Biologie heb ik mij echter niet aan coupures willen
bezondigen. Ook is er bij de woordkeuze rekening gehouden met het feit,
dat wij hier een werk voor ons hebben van meer dan een eeuw oud.
En hiermee heb ik mijn bescheiden daad van piëteit verricht tegenover
den zoo vereerden Meester.
Tot slot wil ik hier dank brengen aan hen, die mij bij de vertaling
zijn behulpzaam geweest, en wel naast Professor Sluiter in de eerste
plaats aan den heer Justus Meyer, Zandvoort.
Amsterdam, April 1921. Dr. J. METZELAAR
VOORREDE
De ondervinding, bij het onderwijs opgedaan, heeft mij doen gevoelen,
hoezeer op het oogenblik een zoölogische philosophie, d.w.z. een geheel
van voorschriften en beginselen der dierstudie--ook toepasselijk op
andere deelen der natuurwetenschap--van pas zou zijn, aangezien onze
zoölogische kennis sinds ongeveer 30 jaar aanmerkelijk is gevorderd.
Ik heb daarom een schets van die philosophie trachten te ontwerpen
ten gebruike bij mijn lessen en tot beter begrip van mijn leerlingen:
destijds had ik geen ander doel.
Maar daar ik, om te komen tot het opstellen van beginselen en regelen
als studiegids verplicht was de samenstelling der onderscheidene
bekende dieren te onderzoeken, te letten op de bijzondere verschillen
bij elke dier-familie, -orde en -klasse, de eigenschappen te
vergelijken, die alle rassen van dieren eraan ontleenen, kortom:
de meest algemeene verschijnselen in de voornaamste gevallen te
leeren kennen, zoo werd ik gaandeweg geleid tot zeer belangwekkende
wetenschappelijke overwegingen en tot het onderzoeken van de
moeilijkste zoölogische vraagstukken.
Hoe kon ik ook die eigenaardige trapsgewijze afdaling der dierlijke
organismen in een reeks van de volkomenste tot de onvolkomenste onder
oogen zien, zonder den grond te onderzoeken van dat onbetwistbare en
merkwaardige feit, door zeer veel bewijzen gestaafd? Moest ik wel niet
denken, dat de natuur achtereenvolgens de verschillende levensvormen
had voortgebracht, al voortschrijdende van het eenvoudige tot het
samengestelde? Immers, aldus trapsgewijs opklimmende in de reeks
der dieren wordt de organisatie allengs samengestelder op een hoogst
opmerkelijke manier.
Deze gedachte werd in mijn oogen des te waarschijnlijker, toen ik
besefte, dat de allereenvoudigste organismen geen enkel bijzonder
orgaan of vermogen vertoonen, maar alleen die, welke aan alle
levende wezens gemeen zijn; en dat, naarmate de natuur geleidelijk de
onderscheidene bijzondere organen schiep, en aldus meer en meer de
dierlijke organisatie verwikkelde, de dieren al naar hun organische
geleding verschillende speciale vermogens verkregen, talrijk en op
den voorgrond tredend bij de meest volkomene onder hen.
Deze aandacht-boeiende beschouwingen deden mij weldra onderzoeken,
waaruit het leven werkelijk bestaat en welke voorwaarden dat
natuurverschijnsel stelt om zich zelf voort te brengen en lichamelijk
te bestendigen. Ik kon mij te minder aan dat onderzoek onttrekken,
overtuigd als ik was, uitsluitend bij de simpelste organismen de
oplossing te kunnen vinden van een klaarblijkelijk zoo moeilijk
probleem, daar alleen deze _alle_ noodzakelijke levensvoorwaarden
vertoonen en niets verwarrends daarenboven.
Daar dus de levensvoorwaarden op den laagsten trap van bewerktuiging
volledig en tegelijk in hun eenvoudigsten vorm aanwezig zijn, ging
het erom, te weten, hoe dezelve door een of andere wijziging tot een
minder eenvoudige had kunnen leiden en tot de àl samengestelder trappen
der dierenreeks. Ik meende de oplossing van mijn probleem te zien, met
behulp der volgende beschouwingen waartoe de waarneming mij geleid had:
Ten eerste bewijzen een menigte bekende feiten, dat het voortdurend
gebruik van een orgaan tot zijn ontwikkeling bijdraagt, het versterkt
en zelfs vergroot, terwijl een tot gewoonte geworden niet-gebruik
die ontwikkeling benadeelt, het ontwaardigt en gaandeweg doet afnemen
en ten slotte doet verdwijnen, indien dat onbruik langdurig aanhoudt
bij alle nakomelingen. Men begrijpt dus, dat als een verandering van
omstandigheden een dierenras dwingt tot wijziging van gewoonten, de
minder gebruikte organen dan meer en meer ten gronde gaan. Anderzijds
ontwikkelen zich de veel-gebruikte deelen beter en erlangen afmetingen
en kracht in verhouding tot het gebruik, dat de individuen ervan maken.
Ten tweede werd ik al nadenkend overtuigd, dat naarmate de vloeistoffen
van een organisme in beweging versneld worden, zij het doorstroomende
zachte celweefsel wijzigen, er doorgangen en verschillende kanalen
in openen, kortom er verschillende organen doen ontstaan, al naar
hun eigene organisatie.
Op grond dezer beide overwegingen beschouwde ik het als zeker, dat
de _vloeistofbeweging_ in de dieren--allengs met de samengestelder
wordende bewerktuiging versneld--en de _invloed_ der nieuwe
_omstandigheden_--waaraan ze blootgesteld werden bij de verspreiding
over de bewoonbare wereld--de twee voorname oorzaken waren, die hen
tot den tegenwoordigen toestand gebracht hebben.
Ik heb mij in dit werk volstrekt niet bepaald tot het uiteenzetten
der wezenlijke levensvoorwaarden bij de eenvoudigste organismen of der
oorzaken van de toenemende verwikkeling der dierlijke organisatie vanaf
de onvolmaakste tot de volmaakste. Maar daar ik in de mogelijkheid
geloof de physische gezien het vervolg] oorzaken van het _gevoel_
te leeren kennen, waarover zooveel dieren beschikken, heb ik ook
daarmede mij beziggehouden.
Overtuigd, dat geen enkele stof zelf het vermogen tot voelen kan hebben
en het gevoel zelf zich slechts openbaart bij de verrichtingen van een
daarop ingericht orgaan-systeem, heb ik gezocht naar het mechanisme
van dat bewonderenswaardige verschijnsel, en ik geloof het gevonden
te hebben.
Bij het inzamelen van positieve waarnemingen hieraangaande werd het
mij duidelijk, dat tot het tot stand komen van _gevoel_ reeds een
zeer samengesteld zenuwtoestel noodig is, en in veel hooger mate nog
voor _intelligentie_.
Ik ben daardoor overtuigd geworden, dat een zeer onvolkomen
zenuwstelsel--gelijk bij de laaggeplaatste dieren, waar het voor 't
eerst optrad--in dien toestand slechts in staat is tot het opwekken
der spierbewegingen en nog niet van eenig gevoel. Op dat stadium
vertoont het slechts zenuwknoopen waarvan vezels uitgaan, en noch
een buikstreng, noch ruggemerg, noch hersenen.
In verder voortgeschreden toestand zien we die genoemde deelen
optreden; het middelpunt van het gevoel is de hersenen, vanwaar de
zenuwen ontspringen naar eenige bijzondere zintuigen. De betreffende
dieren verheugen zich dan in het vermogen tot gevoel.
Vervolgens heb ik getracht het mechanisme te bepalen, waardoor
gewaarwordingen geschieden, en aangetoond, dat deze bij dieren zonder
verstandsorgaan niet meer dan een indruk teweegbrengen, volstrekt nog
geen gedachte, óók als zij, ondanks de aanwezigheid van zoo'n orgaan,
niet worden opgemerkt.
Ik heb, om de waarheid te zeggen, bij mijzelf nog niet uitgemaakt,
of in dat mechanisme de gewaarwordingen geschieden door uitzenden van
zenuwfluida vanaf het geprikkelde punt, of enkel door een beweging
(trilling, _vert._) in datzelfde fluidum. Dat inmiddels de duur
van zekere gewaarwordingen evenredig is met dien der veroorzaakte
indrukken doet mij naar de laatste meening overhellen.
Mijn waarnemingen zouden geen voldoende licht gebracht hebben over
het onderhavige onderwerp, als ik niet tot de erkenning en het bewijs
gekomen was, dat gevoel en prikkelbaarheid twee zeer verschillende
verschijnselen zijn; dat zij geenerlei gemeenschappelijken oorsprong
hebben, zooals men heeft gedacht; dat het eerste n.l. een vermogen
is, eigen aan bepaalde dieren, een bijzonder stel werktuigen
vereischende, terwijl de tweede zooiets niet behoeft en aan alle
dierlijke organisatie gemeen is.
Door verwarring dezer beide nu zal men zich licht kunnen vergissen in
den uitleg der meeste verschijnselen op het gebied van bewerktuiging
der dieren. Vooral als men de beginselen van gevoel en beweging en
den zetel hiervan bij de betreffende dieren proefondervindelijk tracht
uit te vorschen.
Nadat men bijv. jeugdige dieren had onthoofd of het ruggemerg
doorgesneden tusschen achterhoofd en atlas of er een sonde in
gestoken had, heeft men verschillende bewegingen--veroorzaakt door
luchtinblazing in de longen--gehouden voor een bewijs van het weer
opleven van het gevoel. Intusschen zijn deze gevolgen slechts te
danken: eenerzijds aan de niet-uitgebluschte _prikkelbaarheid_--die
immers nog eenigen tijd na den dood aanhoudt,--anderzijds aan bepaalde
spiertrekkingen, door die inblazing opgewekt, als de ruggestreng nog
niet over de heele lengte door de sonde is verwoest.
Als ik nu niet de organische werkkracht, die beweging en gevoel
teweegbrengt _had leeren kennen_ als volkomen onafhankelijk van
elkaar--ofschoon voor beide nerveuse inwerking noodig is--en als ik
niet opgemerkt had, dat men verschillende spieren kan bewegen zonder
eenige gewaarwording daarvan, en ook omgekeerd, dan had ik die in
diertjes zonder hoofd of hersenen opgewekte bewegingen voor teekenen
van _gevoel_ gehouden, en ik zou mij vergist hebben.
Indien een individu niet in staat is--van nature of anderszins--om
van een gewaarwording te getuigen, en niet door geluiden uiting geeft
aan de geleden pijn, zoo heeft men geen enkel ander zeker teeken voor
zoo'n gewaarwording, dan de wetenschap, dat het stel gevoelsorganen
niet verwoest, en ongeschonden is. Spierbewegingen zonder meer zijn
nog geen bewijs voor gevoel.
Nadat ik mijn inzichten omtrent deze dingen gevormd had, ging ik het
_innerlijke gevoel_ beschouwen, d.w.z. dat levensbesef slechts eigen
aan dieren in staat tot voelen. Ik bracht het in verband met alle
bekende, correspondeerende feiten, alsmede mijne eigene waarnemingen
en kwam weldra tot de slotsom, dat dit innerlijke gevoel een wezenlijke
kracht is, die men niet stilzwijgend voorbij kan gaan.
Niets schijnt mij inderdaad belangrijker dan _dit innerlijke_ gevoel
(bij den mensch en de dieren met een daarop ingericht, zenuwstelsel)
opgewekt door physische en psychische [1] behoeften en op zijn beurt
weer de bron, waaruit bewegingen en handelingen hun middelen tot
uitvoering putten. Niemand had er aandacht aan besteed, voor zoover
ik weet, zoodat alle mogelijke verklaringen voor de voornaamste
verschijnselen in het dierlijk organisme onvoldoende bleven door
deze leemte in de kennis van een hunner hoofdoorzaken. Intusschen
hebben wij een soort donker besef van het bestaan van deze innerlijke
macht bij het gewagen van de ontroeringen, die wij zelf in tallooze
omstandigheden ondergaan. Want het woord _gemoedsbeweging_ (dat ik
niet gevormd heb) wordt in het spraakgebruik nogal vaak aangewend,
om bovengenoemde feiten aan te duiden.
Toen ik gemerkt had, dat het innerlijk gevoel door verschillende
oorzaken vermag bewogen te worden en dan kan optreden als opwekker van
handelingen, werd ik getroffen door de menigvuldige bekende feiten,
die dit bevestigen; terwijl de moeilijkheden omtrent de oorzakelijke
prikkels tot actie, die mij al sinds lang bezwaard hadden, mij thans
geheel verdwenen bleken.
Mijzelf nogal geslaagd achtende in het vatten van een waarheid--n.l. om
de kracht, die de bewegingen der dieren voortbrengt, toe te schrijven
aan het innerlijke gevoel--had ik intusschen nog maar een deel van
de moeilijkheden van dat onderzoek opgeruimd. Want klaarblijkelijk
bezitten niet alle bekende dieren een zenuwstelsel en kunnen 't ook
niet bezitten. Derhalve zijn ook niet alle met dat innerlijke gevoel
begaafd, en hebben dus bij hen de uitgevoerde bewegingen een anderen
oorsprong.
Eenmaal zoover gekomen werd het mij weldra duidelijk, dat een groot
aantal dieren zich in hetzelfde geval moesten bevinden als de planten,
wier leven niet zou kunnen bestaan en zich daadwerkelijk bestendigen
zonder prikkels van buitenaf.
En daar ik al dikwerf gemerkt had, dat de natuur verschillende middelen
aanwendt om tot hetzelfde doel te komen, bleef hieromtrent bij mij
geen twijfel meer bestaan.
Zoo geloof ik dan, dat de laagste dieren, zonder zenuwstelsel, slechts
leven met behulp van de prikkels, uit de buitenwereld ontvangen,
d.w.z. doordat fijne en immer-beweeglijke fluida uit de omgeving
onophoudelijk in de organismen doordringen en er het leven onderhouden,
voorzoover hun toestand dit mogelijk maakt. Deze zoo vaak overwogen
gedachte nu, naar allen schijn door zooveel feiten bevestigd, en
bij mijn weten door geen enkel tegengesproken en waarvoor ook het
plantenleven kennelijk getuigt, zij werpt m.i. een straal van licht
op de hoofdoorzaak van leven en beweging der dieren, waaraan zij
alles verschuldigd zijn, wat hen bezielt.
Deze beschouwing in verband brengende met de beide vorige--d.w.z. met
die aangaande de uitwerking der fluidenbeweging in de dieren
en 2e de veranderingen in hun omstandigheden en gewoonten--kon
ik de verbindingsdraad vatten tusschen de talrijke oorzaken der
verschijnselen van het dierlijk organisme naar zijn ontwikkeling en
verscheidenheid. Weldra zag ik het belang van dat middel van de natuur,
dat daarin bestaat, dat de nieuwgevormde individuën alles bewaren,
wat de voorouders door hun levens-loop en inwerking der omstandigheden
verworven hadden.
Toen ik nu had opgemerkt, dat bewegingen bij de dieren nooit worden
meegedeeld maar opgewekt, begreep ik, dat de natuur, eerst gedwongen
aan het omringend milieu de _opwekkende kracht_ te ontleenen tot
de bewegingen en handelingen der lagere dieren, deze kracht--bij de
groeiende samengesteldheid van de dierlijke organisatie--heeft weten
te verleggen naar hun innerlijk, en haar ten slotte ter beschikking
van het individu stelde.
Dit zijn de voornaamste onderwerpen, die ik heb trachten op te stellen
en te ontwikkelen in dit werk.
Zoo biedt dan de _Zoölogische Philosophie_ de resultaten van mijn
studiën over de dieren, hun algemeene en bijzondere eigenschappen,
de oorzaken van de verschillende ontwikkeling van hun organisatie,
en de vermogens, die zij daaraan ontleenen. Voor de samenstelling heb
ik het voornaamste materiaal gebruikt, verzameld voor een ontworpen
werk over de levende wezens onder den titel _Biologie_, hetwelk niet
door mij voltooid zal worden.
De talrijke opgesomde feiten staan vast, en de eruit afgeleide
gevolgtrekkingen schijnen mij dwingend juist en derhalve, naar mijn
overtuiging, moeilijk te verbeteren.
Intusschen--dit spreekt vanzelf--zullen verscheidene nieuwe
beschouwingen in dit werk al dadelijk den lezer ongunstig stemmen
door den natuurlijke weerstand van gevestigde meeningen tegen
opstandige nieuwe. Daar nu deze macht van oude ideeën over nieuwe
dit vooroordeel begunstigt, vooral als er eenig belang--hoe klein
ook--op het spel staat, zoo is bijgevolg, hoe moeilijk het ontdekken
van nieuwe waarheden bij de natuurstudie ook zij, de strijd voor hun
erkenning nog veel zwaarder.
Deze moeilijkheden van verschillenden oorsprong zijn in den grond
eerder vóór-, dan nadeelig voor ons weten. Want door die stroefheid
bij het toelaten van nieuwe denkbeelden zijn er een menigte schoon
schijnende, maar zonderlinge en ongegronde ideeën die, nauw geboren,
weer terugzinken in de vergetelheid. Ondertusschen worden soms
uitstekende inzichten en deugdelijke gedachten om dezelfde reden
verworpen of verwaarloosd. Maar beter, dat een eenmaal erkende waarheid
lang moet strijden zonder rechtmatige belangstelling te ondervinden,
dan dat alle voortbrengselen der weelderige menschelijke verbeelding
voetstoots aangenomen worden.
Hoe meer ik hierover peins, in 't bijzonder over de vele oorzaken,
die ons oordeel kunnen wijzigen, hoe meer ik overtuigd raak, dat,
uitgezonderd de door niemand betwijfelbare stoffelijke en abstracte
[2] feiten, alles verder slechts meening of redeneering is. En zooals
bekend, kan men tegenover de eene redeneering steeds de andere
stellen. Hoezeer dan ook de onderscheidene menschelijke meeningen
kennelijk mogen verschillen--in waarschijnlijkheid, bewijskracht of
zelfs in waarde--zoo komt het me toch voor, dat wij hen niet moeten
laken, die de onze afwijzen.
Moet men nu de meest-verspreide meeningen slechts gegrond achten? De
ondervinding leert toch, dat de verlichtste personen met het
meest-ontwikkelde verstand ten allen tijde slechts een kleine
minderheid vormen. Ontegenzeggelijk moesten de gezaghebbenden in de
wetenschap niet elkaar tellen, maar naar _waarde schatten_, ofschoon
inderdaad die appreciatie zeer moeilijk is.
Intusschen is het door de vele strenge voorwaarden voor een goed
oordeel nog niet altijd zeker, dat de als autoriteiten beschouwden
de zaken volkomen juist beoordeelen.
Voor den mensch zijn dus besliste waarheden, waarop hij met zekerheid
staat kan maken slechts: waarneembare feiten zonder de eruit afgeleide
gevolgtrekkingen; het bestaan van de natuur, die deze dingen vertoont
en ten slotte de wetten, die beweging en verandering harer deelen
beheerschen. Daarbuiten is alles onzekerheid, al hebben ook sommige
gevolgtrekkingen, theoriën, meeningen enz. veel meer waarschijnlijkheid
dan andere. Men kan op geen enkel der laatstgenoemde dingen bouwen,
daar zij, die deze verstandsbewerkingen uitvoeren, niet met zekerheid
de bij uitstek ware elementen daartoe uitsluitend en vollediglijk
gebruikt hebben. Daar voor ons niets vaststaat dan het bestaan van
lichamen, die onze zintuigen aandoen, en hun werkelijke eigenschappen,
en voorts de kenbare stoffelijke en abstracte feiten, moeten de in dit
werk uiteengezette gedachten, redeneeringen en uitleggingen eenvoudig
beschouwd worden als voorgeslagen meeningen mijnerzijds aangaande
den mogelijken toedracht van zaken.
Hoe dit zij, terwijl ik mij wijdde aan de waarnemingen, die leidden
tot de in dit werk uiteengezette beschouwingen heb ik ze met
vreugde overeenkomstig de waarheid bevonden, als belooning voor de
vermoeienissen mijner studiën en overdenkingen. En met hun publicatie
bedoel ik een uitnoodiging aan de verlichte natuurvrienden om ze na
te gaan en te beproeven en er hun eigen, passende gevolgtrekkingen
uit af te leiden.
Daar deze weg mij de eenige schijnt, die leidt, althans dicht
nadert tot de kennis van de waarheid, en deze kennis klaarblijkelijk
voordeeliger is dan de dwaling in haar plaats, zoo twijfel ik niet
aan zijn juistheid.
Men zal opmerken, dat ik met bijzonder behagen het tweede, en
vooral het derde deel van dit werk behandeld heb en zij mij veel
belangstelling ingeboezemd hebben. Ondertusschen moeten toch ook de
beginselen van de natuurlijke historie, die mij in het eerste deel
hebben beziggehouden, minstens beschouwd worden als zeer nuttige
dingen voor de wetenschap, daar zij het meest aansluiten bij de tot
heden geldende meeningen.
Ik zou voorts dit werk aanzienlijk hebben kunnen uitbreiden,
door elk onderdeel, naar zijn belangwekkenden inhoud, geheel uit
te werken. Maar, tot recht verstand mijner opmerkingen, gaf ik er
den voorkeur aan, mij tot een strikt noodzakelijke uiteenzetting te
beperken. Daardoor heb ik mijn lezers tijd bespaard, zonder hen aan
wanbegrip bloot te stellen.
Ik zal mijn voorgestelde doel bereikt hebben, als de vrienden der
natuurwetenschap voor zich in dit werk eenige nuttige inzichten
en beginselen vinden; als de hier uiteengezette eigen waarnemingen
bevestigd of accoord bevonden worden door hen, die zich met dezelfde
onderwerpen hebben beziggehouden; en indien de eruit ontsproten
gedachten, welke zij ook zijn, onze kennis kunnen vermeerderen of
ons op weg brengen naar onbekende waarheden.
INLEIDING
Om die bereikbare, stellige kennis te verkrijgen, die ons waarlijk
van nut is, moet men m.i. de natuur waarnemen, haar voortbrengselen
bestudeeren, de characteriseerende algemeene en bijzondere verhoudingen
opsporen, voorts de alom heerschende _orde_ trachten te begrijpen,
alsmede den voortgang der natuur, hare wetten, en de duizenderlei
middelen, door haar gebruikt om die orde te bewerkstelligen. Aldus
smaakt men tevens de zoetste genietingen, zoo geëigend als tegenwicht
tegenover de onvermijdelijke moeiten des levens.
Inderdaad, wat is er belangwekkender in de waarneming der natuur
dan de studie der dieren, het beschouwen van het verband van hun
samenstelling met die des menschen en van het vermogen van gewoonten,
levenswijze, klimaat en woonplaats om hun organen, eigenschappen
en eigenaardigheden te wijzigen? Of het onderzoek der verschillende
onder hen aangetroffen orgaanstelsels, waarnaar men de meer of minder
verwijderde betrekkingen vaststelt, die de plaats van een iegelijk
hunner in het natuurlijk systeem bepalen? Wat is er interessanter,
dan de algemeene indeeling, waartoe wij deze dieren brengen op grond
hunner grooter of kleiner samengesteldheid van bouw? Een indeeling,
die kon leiden tot de kennis van den weg zelf, dien de natuur gevolgd
heeft bij het scheppen van alle soorten.
Zeker, ontegenzeggelijk zijn al deze beschouwingen en nog verscheiden
andere, waartoe de dierstudie noodzakelijk leidt, zeer belangwekkend
voor alle natuurvrienden, die het ware in alles zoeken.
Merkwaardig intusschen, dat wij de voornaamste verschijnselen eerst
ter overdenking kregen sinds de voorkeur begon voor de studie der
lagere dieren, voornamelijk gebaseerd op hun anatomische onderzoek.
Niet minder merkwaardig is het, te moeten erkennen, dat bijna steeds
door de voortgezette onderzoekingen van de geringste objecten en
schijnbare kleinigheden in de natuur de belangrijke kennis gewonnen
is, leidende tot de ontdekking harer wetten en middelen en van
haar beloop. Deze waarheid, reeds door veel belangrijke feiten
bevestigd, zal in dit werk nog nader blijken en ons meer dan ooit
ervan overtuigen, dat bij de natuurstudie volstrekt niets verwaarloosd
mag worden.
Het voorwerp van de studie der dieren is niet uitsluitend, hunne
verschillende rassen te leeren kennen, en alle onderscheiden bijzondere
eigenaardigheden daartusschen te bepalen. Maar het geldt ook, te komen
tot de kennis van den oorsprong hunner vermogens, de oorzaaken van het
ontstaan en onderhouden van hun leven en voorts van de merkwaardige
voortschrijding hunner organisatie en van het aantal en de ontwikkeling
hunner vermogens.
Aan hun wortel zijn ongetwijfeld het physische en psychische één;
en men kan deze waarheid klaar doen uitkomen bij de studie van de
bewerktuiging der verschillende bekende dierorden. Het uit den wortel
ontsprotene is eerst nauwelijks, later duidelijk in twee groepen
onderscheiden, welke op zichzelf genomen eertijds mij--en velen nu
nog--toeschenen niets gemeenschappelijks te hebben.
Ondertusschen heeft men reeds den invloed leeren kennen van het
physische op het psychische [3]. Maar blijkbaar heeft men aan het
omgekeerde proces nog niet voldoende aandacht besteed. Voorwaar, deze
twee dingorden van gemeenschappelijken oorsprong werken op elkaar in,
vooral als zij het meest gescheiden lijken, en men is tegenwoordig
in staat, te bewijzen, dat zij elkaar onderling wijzigen.
Om de gemeenschappelijke afkomst van de twee resulteerende gebieden
aan te toonen, die in hun grootste onderscheiding het "_physische_"
en "_psychische_" uitmaken, heeft men een verkeerden weg gekozen. Men
is n.l. begonnen deze twee zoo kennelijk onderscheiden object-groepen
te bestudeeren bij den mensch zelf, wiens ten uiterste samengesteld
en volmaakt organisme in de oorzaken der levensverschijnselen,
gevoelens en functies het ingewikkeldst is, en waar het bijgevolg
't moeilijkst valt, den bron van zooveel verschijnselen te begrijpen.
Na het menschelijk organisme ter dege bestudeerd te hebben, had
men--inplaats van dadelijk te zoeken naar de "oorzaken" van het leven,
het physieke en psychische gevoel, kortom de hoogste menschelijke
vermogens--de organisatie der andere dieren moeten beschouwen,
de daartusschen bestaande verschillen, alsmede het verband met hun
resp. verrichtingen.
Indien men dat gedaan had, indien men den _vooruitgang_ in
samenstelling beschouwd had vanaf het eenvoudigste dier tot den mensch
toe, alsmede het achtereenvolgens verkrijgen van bijzondere nieuwe
organen, hoe de _behoeften_,--eerst nog in zeer gering, later in
groeiend aantal--den tendens tot hen bevredigende handelingen hebben
meegebracht, hoe de geregeld en versterkt uitgevoerde handelingen
de ontwikkeling van de haar volbrengende organen hebben veroorzaakt;
hoe de beweging-wekkende kracht bij de laagste dieren buiten hen kan
gelegen zijn en hen inmiddels toch bezielen. Hoe ten slotte deze kracht
in het dier zelf overgebracht en vastgelegd is, en hoe zij de bron
is geworden van het gevoel, en ten slotte van de verstandshandelingen.
Ik kan er bijvoegen, dat als men deze methode gevolgd had, men dan in
het geheel niet het _gevoel_ als de algemeene en onmiddellijke oorzaak
der bewegingen zou beschouwd hebben en het leven als een opvolging
van bewegingen, uitgevoerd krachtens de door verschillende organen
ontvangen gewaarwordingen, of anders, dat alle vitale bewegingen
voortgebracht werden door indrukken, in de gevoelige deelen
ontvangen. (_Rapp. du phys. et du moral de l'Homme, pp. 38-39, 85_).
Deze oorzaak zou tot op zekere hoogte gegrond schijnen ten opzichte
der hoogste dieren. Maar als het er zoo mee stond bij alles wat leeft,
dan zou dat àl het vermogen tot voelen bezitten. Men zou ons echter
nog moeten bewijzen, dat de planten of zelfs maar alle dieren in dat
geval verkeeren.
Ik erken in een dergelijke "algemeene" onderstelling volstrekt niet
den waren gang der natuur. Bij de grondvesting van het leven is zij
geenszins dadelijk begonnen met het stellen van een zoo uitnemend
vermogen als het gevoel. Zij heeft niet vermocht dit te scheppen in
de nog zoo onvolkomen onderste klassen van het dierenrijk.
De levende natuur heeft alles langzamerhand en gaandeweg gedaan,
daar kan men niet meer aan twijfelen.
Onder de verschillende onderwerpen, die ik mij voorstel in dit werk
uiteen te zetten, zal ik juist trachten aan te toonen,--door overal
bekende feiten aan te voeren--, dat de natuur in steeds samengestelder
diervormen progressief de verschillende bijzondere organen en functies
geschapen heeft.
Lang geleden dacht men, dat er een soort ladder of trapsgewijze keten
bestond tusschen de verschillende levensvormen. Bonnet heeft deze
meening ontwikkeld, maar hij heeft haar gansch niet bewezen met aan
de organisatie zelve ontleende werkelijke organieke feiten, wat toch
wel noodig was, vooral wat de dieren betreft. Hij kon dat ook niet,
want in zijn tijd had men nog niet de middelen ertoe.
Bij de bestudeering van dieren van alle klassen is er nog heel wat meer
te zien dan alleen hun toenemende samengestelde bewerktuiging. Hoe de
omstandigheden nieuwe behoeften meebrengen, deze weer handelingen,
deze weer, door herhaling, gewoonten en neigingen als resultaat van
het meerder of minder gebruik van een of ander orgaan: door welke
natuurlijke middelen al het door 't organisme verkregene te bewaren
en te volmaken is, enz. enz., dat zijn zeer belangrijke onderwerpen
voor de rationeele philosophie.
Maar deze dierenstudie, vooral van de lagere, werd zoolang
verwaarloosd, het vermoeden van hun groote belang lag nog zoover af,
en men is daarmee nog eerst zoo kortgeleden begonnen, dat men alle
reden heeft bij de voortzetting nog veel nieuw licht te verwachten.
Toen men begon werkelijk natuurlijke historie te studeeren en elk
rijk de aandacht der natuurvorschers kreeg, hebben de dierkundigen
hoofdzakelijk de gewervelde dieren onderzocht, d.w.z. de _zoogdieren_,
_vogels_, _kruipende dieren_ en ten slotte de _visschen_. Bij deze
klassen scheen de studie der soorten, grooter en beter bestembaar
als ze gewoonlijk zijn en meer ontwikkeld van bouw en functies,
meer te beloven dan die der ongewervelden.
En inderdaad, de uitermate kleine afmetingen der meeste ongewervelde
dieren, hun beperkte vermogens en het meer verwijderde verband hunner
organen met die van den mensch vergeleken bij de hoogere dieren,
heeft hen a.h.w. door het vulgus doen veracht en en hun zelfs tot
op onze dagen van de zijde der natuuronderzoekers slechts een zeer
matige belangstelling doen ten deel vallen.
Intusschen begint men terug te komen van dit vooroordeel, zoo
schadelijk voor de vooruitgang onzer kennis. Want sinds eenige
jaren lang deze eigenaardige dieren nauwlettend onderzocht zijn,
moet men bekennen, dat hun onderzoek zoowel voor den natuurvorscher
als den philosooph allerbelangwekkendst is, omdat het over talrijke
problemen der natuurlijke historie en dierkunde een licht werpt,
dat ànders moeilijk te verkrijgen zou zijn.
Belast met het onderwijs in de door mij dusgenoemde "_ongewervelde
dieren_" in het Museum voor Natuurlijke Historie gaven mij de
onderzoekingen aangaande deze talrijke dieren, het verzamelen van
de hen betreffende waarnemingen en feiten, en eindelijk het inzicht,
te danken aan hunne vergelijkende anatomie mij weldra een zeer hoog
denkbeeld van de belangstelling, welke die studie verdient.
Inderdaad moet het onderzoek van de _ongewervelden_ den natuurkenner
wel bijzonderlijk interesseeren, 1e. omdat de soorten dezer dieren
veel talrijker zijn dan van de gewervelden; 2e. omdat ze daardoor meer
gevarieerd zijn; 3e. wijl die variaties in samenstelling veel grooter,
ingrijpender en eigenaardig zijn; 4e. omdat de weg, dien de natuur
volgt om successievelijk de verschillende dierlijke organen te vormen
veel duidelijker uitgedrukt is in de mutaties, die zij ondergaan bij
de evertebraten en we daardoor veel beter het ontstaan zelf van de
organisatie, de oorzaak van hun samenstelling en ontwikkeling kunnen
begrijpen, dan door alle beschouwing van de meer volkomen dieren,
zooals de gewervelde.
Toen ik doordrongen was van deze waarheden voelde ik wel, dat om
ze aan mijn leerlingen te geven ik, in plaats van mij dadelijk in
bijzonderheden te verliezen, hun vóór alles de algemeene verhoudingen
omtrent alle dieren moest toonen; het verband des geheels, alsmede de
wezenlijk daarop betrekking hebbende beschouwingen. Vervolgens stelde
ik mij voor, de voornaamste momenten te bespreken, die dit geheel
verdeelen, om ze onder elkaar te vergelijken en elk afzonderlijk
beter te doen kennen.
Het ware middel toch, om te komen tot een deugdelijke kennis van een
onderwerp, zelfs tot in de kleinste onderdeelen, is: te beginnen met
het in zijn geheel te beschouwen; door te onderzoeken, òf massa, òf
uitgebreidheid, òf het geheel der samenstellende deelen. Dan moet
men zijn aard en oorsprong onderzoeken, welk verband er bestaat
met andere bekende verschijnselen, in één woord, het onder alle
gezichtspunten beschouwen, die licht kunnen verschaffen omtrent de
hun betreffende algemeene geldigheden. Men splitst vervolgens dat
onderwerp in zijn voornaamste deelen om ze afzonderlijk te beschouwen
in alle verhoudingen, die ons te hunnen opzichte kunnen inlichten. En
aldus voortgaande met verdeelen en onderverdeelen dringt men tot in de
kleinste details door, waarvan de bijzonderheden onderzocht worden,
tot de geringste toe. Aan het eind van dit onderzoek trekt men er de
conclusies uit en gaandeweg wordt zoo de wijsbegeerte dezer wetenschap
opgesteld en verbeterd.
Alleen langs dezen weg kan het menschelijk verstand de meest
uitgebreide, deugdelijke en stevig gegrondveste kennis erlangen,
in welke wetenschap ook. En alleen door deze wijze van analyse maakt
zij wezenlijke vorderingen en worden de betreffende onderwerpen nooit
verward maar volkomen doorgrond.
Ongelukkig is men bij de natuurstudie niet genoeg gewend deze methode
te volgen. De wel erkende noodzaak de afzonderlijke voorwerpen goed
waar te nemen heeft de gewoonte doen ontstaan, zich daarbij en bij hun
kleinste details te bepalen, zoodat zij voor de meeste natuurvorschers
het voornaamste onderwerp van studie geworden zijn. Het zou intusschen
voor de natuurwetenschappen een werkelijke remming zijn [4], indien men
in de waargenomen objecten slechts hardnekkiglijk den vorm, afmeting,
uitwendig voorkomen tot in de kleinste details, kleur enz. bleef zien,
en als die systematici zich niet verwaardigden zich tot beschouwingen
van hoogere orde op te werken, zooals het onderzoek naar de natuur
van het onderhavige voorwerp, naar de oorzaken der wijzigingen
en variaties, waaraan het is onderworpen, naar hunne onderlinge
betrekkingen en die met de andere bekende voorwerpen, enz.
Doordat men niet genoeg de geschetste methode volgt, merkt men zooveel
uiteenloopende richtingen op in het dienaangaande geleeraarde, zoowel
in de boeken, als elders, begrijpen de systematische specialisten
slechts hoogst moeilijk het algemeene verband tusschen de natuurvormen
of het ware plan der natuur en erkennen zij bijna geen harer wetten.
Eenerzijds nu overtuigd, dat men niet een methode moet volgen die
dusdanig de gedachten beperkt en benauwt, en anderzijds verplicht,
een nieuwe uitgave van mijn _Systeem der ongewervelde Dieren_ te
bezorgen, daar de snelle vorderingen der vergelijkende anatomie,
de nieuwe ontdekkingen der zoölogen en mijne eigene waarnemingen
mij in staat stelden, dit werk te verbeteren, heb ik gemeend in
een afzonderlijk werk onder den titel _Zoölogische Philosophie_ te
moeten verzamelen. 1e. De algemeene beginselen voor de studie van
het dierenrijk; 2e. de belangrijke waarnemingen, waarmee men daarbij
rekening moet houden; 3e. overwegingen betreffende de wetmatige
_groepeering_ der dieren en hun meest passende classificeering; 4e. de
gewichtigste gevolgtrekkingen natuurlijkerwijze uit een en ander af
te leiden en die de ware _philosophie_ der wetenschap grondvesten.
De "_Zoölogische philosophie_" is niet anders dan een omgewerkte
verbeterde en zeer vermeerderde uitgave mijner "_Onderzoekingen over
levende Wezens_". Zij is verdeeld in drie deelen, en elk daarvan weer
in verschillende hoofdstukken.
In het eerste deel, dat de voornaamste waargenomen feiten moet
bevatten en de algemeene beginselen der natuurwetenschappen, zal ik
eerst datgene behandelen, wat ik noem hun _kunstmatige hulpmiddelen_,
het belang van een beschouwing van de _overeenkomsten_ en van het
ons te vormen begrip van dusgenoemde levende "_soorten_". Na de
_algemeene geldigheden_ omtrent de dieren ontwikkeld te hebben,
zal ik uiteenzetten: primo de bewijzen voor een _trapsgewijze
afklimming_ in organisatie, die heerscht van het eene einde tot
het andere van een dierketen, waarbij de meest volkomen dieren aan
het begin zijn geplaatst; secundo zal ik aantoonen den invloed der
_omstandigheden en gewoonten_ op de dierlijke organen, als zijnde de
bron der oorzaken, die hun ontwikkeling bevorderen of remmen. Ik zal
dat gedeelte beëindigen met een beschouwing van de _natuurlijke orde_
der dieren en een eposé van hun _groepeering_ en _indeeling_.
In het tweede deel hoop ik mijn denkbeelden te geven over de orde
en gesteldheid, die den kern van het dierlijke leven uitmaken en ik
zal de wezenlijke bestaansvoorwaarden van dat bewonderenswaardige
natuurverschijnsel aanwijzen. Vervolgens zal ik de oorzaken trachten
te bepalen, die prikkelen tot organische bewegingen; die van
"spanning" en prikkelbaarheid; de eigenschappen van het celweefsel;
de eenige voorwaarden waarbij _generatio spontanea_ kan optreden;
de klaarblijkelijke gevolgen van de levensuitingen enz. enz.
In het derde deel zal ik ten slotte mijn gedachten uitspreken omtrent
de physieke oorzaken van het gevoel, de actieve vermogens en de
verstandshandelingen van zekere dieren.
Ik zal daarbij behandelen; 1e. den oorsprong en de vorming van het
zenuwstelsel; 2e. het "zenuwfluidum", slechts indirect te kennen, maar
welks bestaan bewezen wordt door de aan hetzelve bij uitstek eigen
verschijnselen; 3e. de stoffelijke gevoeligheid en het mechanisme der
gewaarwordingen; 4e. de kracht, die de bewegingen en handelingen der
dieren voortbrengt; 5e. den bron van den wil of het vermogen daartoe;
6e. de ideeën en hun verschillende rangorde; 7e. ten slotte eenige
bijzondere uitingen van het verstand, zooals de aandacht, de gedachten,
de verbeelding, de herinnering, enz.
De in het tweede en derde deel uiteengezette beschouwingen behelzen
ongetwijfeld zeer moeilijke en zelfs schijnbaar onoplosbare
onderwerpen. Maar ze zijn zoo belangwekkend, dat ook al de pogingen
ten hunnen opzichte van nut kunnen zijn, hetzij door het aantoonen
van nog niet opgemerkte waarheden, hetzij door den weg te banen,
die tot haar kan leiden.
ZOÖLOGISCHE PHILOSOPHIE
EERSTE DEEL
Beschouwingen over de natuurlijke historie der Dieren, hun
eigenaardigheden, verhoudingen, organisatie, rangschikking en indeeling
in soorten
HOOFDSTUK I
DE KUNSTMATIGE HULPMIDDELEN DER NATUURWETENSCHAPPEN
Overal in de natuur, waar de mensch zich zet tot het vergaren
van kennis, is hij gedwongen, verschillende middelen te gebruiken,
1e. om orde te scheppen tusschen de oneindig-talrijke en gevarieerde
beschouwde voorwerpen; 2e. om zonder verwarring in die onmetelijke
menigte òf belangwekkende groepen te onderscheiden, òf elk voorwerp op
zichzelf; 3e. tenslotte om alles wat men vernomen en gedacht heeft aan
zijns gelijken mee te deelen. Het daarbij door ons benoodigde dan vormt
wat ik noem de "_kunstmatige hulpmiddelen_" der natuurwetenschappen,
niet te verwarren met de wetten en handelingen zelf der natuur.
Evenzeer als het noodig is, in die wetenschap het kunstmatige van het
natuurlijke te onderscheiden, zoo moet men ook twee heel verschillende
drijfveeren tot natuurstudie uiteenhouden.
De eene is een "_economische_", omdat zij ontstaat uit de
menschelijke behoeften aan nooddruft en verpoozing met betrekking
tot de natuurvoortbrengselen, die hij zich ten nutte wil maken. Uit
dien hoofde interesseert hij zich slechts voor zulke, waarvan hij
voordeel wacht.
De andere, hiervan zeer verschillende drijfveer is de _wijsgeerige_,
die ons doet wenschen de natuur zelf in al haar geledingen te leeren
kennen, om haar beloop, wetten en verrichtingen te begrijpen, ons een
denkbeeld te vormen, van alles, wat zij laat ontstaan en bestaan,
i.e.w., die soort kennis verschaft, die den waren natuurvorscher
kenmerkt. Den weinigen van deze geestesrichting interesseeren alle
waarneembare natuurverschijnselen gelijkelijk.
De economische en amusements-behoeften deden eerst de verschillende
_hulpmiddelen_ bedenken, bij de natuurwetenschap in gebruik. Eenmaal
doordrongen van de belangstelling in de natuurstudie pasten wij hen
daarbij verder toe. Zoo zijn die middelen onontbeerlijk, zoowel bij
de bestudeering van bepaalde voorwerpen als ter bevordering der
natuurwetenschappen (i.h.a.), en ter oriënteering in haar enorme
hoeveelheid verschillende objecten.