't Is mogelijk dat dit alles ijdel is, en dat onze spiraal van licht en
die der bijen evenzeer enkel schijnt om de duisternis op te vroolijken.
't Is ook mogelijk dat een geweldig incident van buiten af komend, van
een andere wereld of van een nieuw natuurverschijnsel, plotseling een
beslissende richting geeft aan dat pogen of het voor goed vernietigt.
Doch laat ons onzen weg vervolgen alsof er niets abnormaals gebeuren
zou. Al wisten we, dat morgen eene of andere openbaring, b.v. de
aanraking met een oudere en meer lichtgevende planeet, onze gansche
natuur zou in de war brengen, de diep in ons binnenste gewortelde
hartstochten, wetten en waarheden van ons wezen zou onderdrukken, dan
nog zou 't het verstandigst wezen in het heden al onze belangstelling te
wijden aan die hartstochten, wetten en waarheden, ze in onzen geest tot
harmonie te brengen, en getrouw te blijven aan onze bestemming, die
hierin bestaat, de duistere machten van het leven aan ons te onderwerpen
en tot een eenigszins hooger peil te brengen in ons zelven en rondom
ons. 't Kan zijn dat er in de nieuwe openbaring niets van blijft
bestaan, doch 't kan _niet_ zijn, dat zij die tot den einde toe hunne
zending, de menschelijke zending bij uitnemendheid, hebben vervuld, niet
in de eerste rijen zouden staan om deze openbaring te ontvangen: en
zelfs indien ze hun mocht leeren, dat de eenige ware plicht bestond in
niet vragen en zich er in schikken, dat men niet weten kan, dan zullen
zij beter dan anderen dezen plicht weten te begrijpen en er partij van
te trekken.