XVII.

Nemen we nu de evolutie der Apinen of althans der Apiten eenmaal aan,

daar ze waarschijnlijker is dan het tegendeel, dan rijst de vraag welke

vaste en algemeene richting deze evolutie neemt? Ze schijnt dezelfde

lijn te volgen als de onze. Klaarblijkelijk streeft ze er naar

inspanning, onveiligheid, gebrek te verminderen, en het welzijn, de

gunstige kansen en het gezag der soort te bevorderen. Aan dit doeleinde

schroomt ze niet het individu ten offer te brengen en geeft door de

gemeenschappelijke voordeelen van kracht en geluk vergoeding voor de

trouwens denkbeeldige en ongelukkige onafhankelijkheid der eenzaamheid.

't Heeft er veel van alsof de natuur, evenals Pericles bij Thucidides,

het er voor houdt, dat de individuen gelukkiger zijn in een stad, die in

haar geheel voorspoedig is, zelfs indien zij er moeten lijden, dan

wanneer het individu welvaart geniet en de staat kwijnt. Ze beschermt

den ijverigen slaaf in de machtige stad, en geeft den voorbijganger, die

geen taak heeft in deze onbestendige associatie, aan de vele vijanden

zonder naam en gedaante prijs, die schuilen in alle oogenblikken des

tijds, alle bewegingen van 't heelal, alle oneffenheden van de ruimte.

't Is nu niet de tijd om over deze gedachte der natuur te disputeeren,

noch om ons af te vragen, of het den mensch betaamt zich daarnaar te

richten; doch 't is wel zeker, dat overal waar de oneindige massa ons in

de gelegenheid stelt den schijn eener idee te vatten, die schijn dezen

weg inslaat, waarvan we het einde niet kennen. Wat ons aangaat zal 't

voldoende zijn te constateeren, met hoeveel zorg de natuur er zich op

toelegt, al wat op de vijandelijke inertie der materie eenmaal is

veroverd, te bewaren en vast te leggen in het zich ontwikkelend ras. Ze

zet een punt achter de welgeslaagde poging en legt den achteruitgang,

die onvermijdelijk zou zijn na die inspanning, allerlei speciale en

welwillende wetten in den weg. Deze vooruitgang, dien men bij de

verstandelijk meest ontwikkelde soorten moeielijk zou kunnen loochenen,

heeft wellicht geen ander doel dan die beweging zelf en weet niet waar

hij heen gaat. In ieder geval, in een wereld waarin niets, uitgenomen

enkele feiten van dezen aard, op een duidelijken wil wijst, is het van

veel beteekenis enkele wezens zich trapsgewijze en onafgebroken te zien

ontwikkelen, sedert den dag, waarop wij onze oogen geopend hebben; en al

hadden de bijen ons niets anders geopenbaard dan deze geheimzinnige

spiraal van licht in den alles overheerschenden nacht, dan zou dit

genoeg zijn om ons den tijd niet te doen betreuren, gewijd aan de studie

hunner kleine daden en nederige gewoonten, die zoo ver af staan van en

toch eigenlijk zoo dicht bij onze groote passies en onze trotsche

bestemming.

Het leven der bijen · 第 133 / 136 题