XVI.

Bovendien, wij hebben eigenlijk niet de bevoegdheid, in naam van ons

verstand de fouten der bijen te veroordeelen. Zien we onder ons het

verstand en het bewustzijn niet langen tijd leven te midden van

dwalingen en fouten zonder ze op te merken, en nog langer zonder

genezing aan te brengen? Indien er één wezen bestaat, dat door zijn

bestemming er speciaal, bijna organisch toe is aangewezen zich ten volle

bewust te worden, volgens de zuivere rede te leven en het

gemeenschappelijk leven te organiseeren, dan is het wel de mensch. En

toch, zie eens wat hij er van maakt, en vergelijk eens de gebreken van

den bijenkorf met die van onze maatschappij. Indien wij bijen waren, die

de menschen waarnamen, dan zou onze verbazing groot zijn, als we b.v. de

onlogische en onjuiste organisatie van den arbeid zagen bij een stam van

wezens, die ons toch overigens met een eminent verstand begaafd leken.

We zouden zien hoe de oppervlakte der aarde, de eenige bron van alle

gemeenschappelijk leven, moeizaam en ontoereikend werd bebouwd door twee

of drie tiende van de gansche bevolking; hoe een ander tiende in

volslagen werkeloosheid het beste doel der produkten van dien arbeid

verslond; hoe de overige zeven tiende, tot een eeuwigdurenden

half-honger veroordeeld, hunne krachten onophoudelijk moesten inspannen

voor vreemdsoortig en onvruchtbaar werk, waarvan ze zelven nooit

voordeel trekken en dat er enkel toe schijnt te dienen, het leven der

leegloopers nog ingewikkelder en onverklaarbaarder te maken. We zouden

er uit afleiden, dat het verstand en de zedelijkheid dezer wezens tot

een gansch andere wereld behoorden dan de onze en dat ze principes

volgden, die wij maar niet zonden wenschen te begrijpen. Laat ons dit

overzicht over onze gebreken maar niet verder voortzetten. Ze staan ons

toch altijd voor den geest. Doch 't is waar, al zijn ze daar, ze richten

er al heel weinig uit. Niet veel meer dan van eeuw tot eeuw staat een

hunner even op, schudt voor een oogenblik den slaap van zich af, stoot

een kreet van verbazing uit, rekt den pijnlijken arm eens, die het hoofd

heeft gestut, verandert van houding, legt zich weer neder en slaapt

opnieuw in, totdat een nieuwe pijn, gevolg van de doffe vermoeienis der

rust, het wederom wekt.

Het leven der bijen · 第 132 / 136 题