Bovendien, wij hebben eigenlijk niet de bevoegdheid, in naam van ons
verstand de fouten der bijen te veroordeelen. Zien we onder ons het
verstand en het bewustzijn niet langen tijd leven te midden van
dwalingen en fouten zonder ze op te merken, en nog langer zonder
genezing aan te brengen? Indien er één wezen bestaat, dat door zijn
bestemming er speciaal, bijna organisch toe is aangewezen zich ten volle
bewust te worden, volgens de zuivere rede te leven en het
gemeenschappelijk leven te organiseeren, dan is het wel de mensch. En
toch, zie eens wat hij er van maakt, en vergelijk eens de gebreken van
den bijenkorf met die van onze maatschappij. Indien wij bijen waren, die
de menschen waarnamen, dan zou onze verbazing groot zijn, als we b.v. de
onlogische en onjuiste organisatie van den arbeid zagen bij een stam van
wezens, die ons toch overigens met een eminent verstand begaafd leken.
We zouden zien hoe de oppervlakte der aarde, de eenige bron van alle
gemeenschappelijk leven, moeizaam en ontoereikend werd bebouwd door twee
of drie tiende van de gansche bevolking; hoe een ander tiende in
volslagen werkeloosheid het beste doel der produkten van dien arbeid
verslond; hoe de overige zeven tiende, tot een eeuwigdurenden
half-honger veroordeeld, hunne krachten onophoudelijk moesten inspannen
voor vreemdsoortig en onvruchtbaar werk, waarvan ze zelven nooit
voordeel trekken en dat er enkel toe schijnt te dienen, het leven der
leegloopers nog ingewikkelder en onverklaarbaarder te maken. We zouden
er uit afleiden, dat het verstand en de zedelijkheid dezer wezens tot
een gansch andere wereld behoorden dan de onze en dat ze principes
volgden, die wij maar niet zonden wenschen te begrijpen. Laat ons dit
overzicht over onze gebreken maar niet verder voortzetten. Ze staan ons
toch altijd voor den geest. Doch 't is waar, al zijn ze daar, ze richten
er al heel weinig uit. Niet veel meer dan van eeuw tot eeuw staat een
hunner even op, schudt voor een oogenblik den slaap van zich af, stoot
een kreet van verbazing uit, rekt den pijnlijken arm eens, die het hoofd
heeft gestut, verandert van houding, legt zich weer neder en slaapt
opnieuw in, totdat een nieuwe pijn, gevolg van de doffe vermoeienis der
rust, het wederom wekt.