Al heeft nu de idee, die wij met de oogen hebben gevolgd, haren hoogsten
vorm aangenomen bij onze honingbijen, daarmede is niet gezegd, dat alles
in den korf onverbeterlijk is. Een meesterstuk, de zeshoekige cel,
bereikt daarin in ieder opzicht hare absolute volmaking, en aan alle
genieën vereenigd zou het onmogelijk zijn iets daaraan te verbeteren,
Geen enkel levend wezen, niet eens de mensch, heeft in zijne sfeer tot
stand gebracht, wat de bij tot stand bracht in de hare; en indien er
eens een geest, die niet tot de aarde behoorde, haar het meest volmaakte
voorwerp van de logica des levens kwam vragen, zou men hem een
eenvoudige honingraat moeten aanbieden.
Doch niet alles evenaart dit meesterstuk. In 't voorbijgaan hebben we
reeds eenige fouten en vergissingen aangeteekend, nu eens in 't oog
vallend, dan weer meer bedekt: de schadelijke overvloedigheid en
werkeloosheid der darren, de parthenogenesis, de gevaren van de
parings-vlucht, het overdreven veel zwermen, het gebrek aan meegevoel,
het haast monsterachtig opofferen van den individu aan de gemeenschap.
Laten we er nog aan toevoegen een zonderlinge neiging om enorme massa's
stuifmeel op te zamelen, die niet gebruikt al spoedig ransig en hard
worden en maar in den weg staan; verder de lange onvruchtbare
tusschenpoos tusschen het eerste zwermen en de bevruchting der tweede
koningin, enz.
Van deze fouten is de ergste, de eenige, die in ons klimaat bijna altijd
noodlottig is, het herhaald zwermen. Doch laat ons, wat dit betreft,
niet vergeten, dat de natuurlijke teeltkeus van onze gewone bij reeds
sedert duizenden van jaren door den mensch is tegengewerkt. Van den
Egyptenaar uit den tijd der Pharao's tot op de boeren van onze dagen
heeft de bijenhouder altijd tegen de wenschen en belangen der soort in
gehandeld. De voorspoedigste korven zijn die, welke slechts één zwerm
uitzenden dadelijk in 't begin van den zomer. Zoo vervullen zij hun
moederlijk verlangen, verzekeren de instandhouding van den moederstok,
de noodzakelijke vernieuwing der koninginnen, en de toekomst van den
zwerm, die zoo talrijk en zoo vroeg in den tijd, gelegenheid heeft
stevige en welvoorziene woningen te bouwen voorliet invallen van den
herfst. 't Is wel zeker, dat, wanneer men ze aan zichzelf overliet, het
bij onze Noordelijke rassen langzamerhand regel geworden zou zijn weinig
te zwermen, daar dan deze korven en hunne afstammelingen alleen de
bezwaren van den winter zouden overleven, die bijna geregeld de door
andere instincten beheerschte kolonies zouden vernietigd hebben. Maar
juist deze voorzichtige, welvarende en goed geacclimatiseerde korven
worden altijd door den mensch vernield, om in 't bezit te komen van
hunne schatten. Hij liet en laat nog in de tot gewoonte geworden
praktijk enkel de uitgeputte moederstokken, de tweede of derde nazwermen
overleven, die zoo ongeveer genoeg hebben om den winter door te komen of
waaraan hij wat honing-afval meedeelt om hunne armelijke provisie aan te
vullen. Het gevolg daarvan is geweest, dat waarschijnlijk de soort is
verzwakt, dat de neiging tot al te veelvuldig zwermen zich erfelijk
heeft ontwikkeld en dat tegenwoordig bijna al onze bijen, vooral de
zwarte, te vaak zwermen. Sedert enkele jaren is de nieuwe methode van
het bijenkweeken met mobielbouw deze gevaarlijke gewoonte komen
bestrijden, en wanneer men ziet, met hoeveel snelheid de teeltkeus
inwerkt op de meeste onzer huisdieren, op ossen, honden, schapen,
paarden, duiven, om ze niet alle op te noemen, dan is 't geoorloofd te
meenen, dat wij over niet te langen tijd een geslacht van bijen zullen
bezitten, die het natuurlijk zwermen bijna geheel zullen opgeven en zich
met alle kracht zullen toeleggen op het inzamelen van honing en
stuifmeel.