XIV.

Al heeft nu de idee, die wij met de oogen hebben gevolgd, haren hoogsten

vorm aangenomen bij onze honingbijen, daarmede is niet gezegd, dat alles

in den korf onverbeterlijk is. Een meesterstuk, de zeshoekige cel,

bereikt daarin in ieder opzicht hare absolute volmaking, en aan alle

genieën vereenigd zou het onmogelijk zijn iets daaraan te verbeteren,

Geen enkel levend wezen, niet eens de mensch, heeft in zijne sfeer tot

stand gebracht, wat de bij tot stand bracht in de hare; en indien er

eens een geest, die niet tot de aarde behoorde, haar het meest volmaakte

voorwerp van de logica des levens kwam vragen, zou men hem een

eenvoudige honingraat moeten aanbieden.

Doch niet alles evenaart dit meesterstuk. In 't voorbijgaan hebben we

reeds eenige fouten en vergissingen aangeteekend, nu eens in 't oog

vallend, dan weer meer bedekt: de schadelijke overvloedigheid en

werkeloosheid der darren, de parthenogenesis, de gevaren van de

parings-vlucht, het overdreven veel zwermen, het gebrek aan meegevoel,

het haast monsterachtig opofferen van den individu aan de gemeenschap.

Laten we er nog aan toevoegen een zonderlinge neiging om enorme massa's

stuifmeel op te zamelen, die niet gebruikt al spoedig ransig en hard

worden en maar in den weg staan; verder de lange onvruchtbare

tusschenpoos tusschen het eerste zwermen en de bevruchting der tweede

koningin, enz.

Van deze fouten is de ergste, de eenige, die in ons klimaat bijna altijd

noodlottig is, het herhaald zwermen. Doch laat ons, wat dit betreft,

niet vergeten, dat de natuurlijke teeltkeus van onze gewone bij reeds

sedert duizenden van jaren door den mensch is tegengewerkt. Van den

Egyptenaar uit den tijd der Pharao's tot op de boeren van onze dagen

heeft de bijenhouder altijd tegen de wenschen en belangen der soort in

gehandeld. De voorspoedigste korven zijn die, welke slechts één zwerm

uitzenden dadelijk in 't begin van den zomer. Zoo vervullen zij hun

moederlijk verlangen, verzekeren de instandhouding van den moederstok,

de noodzakelijke vernieuwing der koninginnen, en de toekomst van den

zwerm, die zoo talrijk en zoo vroeg in den tijd, gelegenheid heeft

stevige en welvoorziene woningen te bouwen voorliet invallen van den

herfst. 't Is wel zeker, dat, wanneer men ze aan zichzelf overliet, het

bij onze Noordelijke rassen langzamerhand regel geworden zou zijn weinig

te zwermen, daar dan deze korven en hunne afstammelingen alleen de

bezwaren van den winter zouden overleven, die bijna geregeld de door

andere instincten beheerschte kolonies zouden vernietigd hebben. Maar

juist deze voorzichtige, welvarende en goed geacclimatiseerde korven

worden altijd door den mensch vernield, om in 't bezit te komen van

hunne schatten. Hij liet en laat nog in de tot gewoonte geworden

praktijk enkel de uitgeputte moederstokken, de tweede of derde nazwermen

overleven, die zoo ongeveer genoeg hebben om den winter door te komen of

waaraan hij wat honing-afval meedeelt om hunne armelijke provisie aan te

vullen. Het gevolg daarvan is geweest, dat waarschijnlijk de soort is

verzwakt, dat de neiging tot al te veelvuldig zwermen zich erfelijk

heeft ontwikkeld en dat tegenwoordig bijna al onze bijen, vooral de

zwarte, te vaak zwermen. Sedert enkele jaren is de nieuwe methode van

het bijenkweeken met mobielbouw deze gevaarlijke gewoonte komen

bestrijden, en wanneer men ziet, met hoeveel snelheid de teeltkeus

inwerkt op de meeste onzer huisdieren, op ossen, honden, schapen,

paarden, duiven, om ze niet alle op te noemen, dan is 't geoorloofd te

meenen, dat wij over niet te langen tijd een geslacht van bijen zullen

bezitten, die het natuurlijk zwermen bijna geheel zullen opgeven en zich

met alle kracht zullen toeleggen op het inzamelen van honing en

stuifmeel.

Het leven der bijen · 第 130 / 136 题