XIII.

Hier is alles georganiseerd, evenals in onze korven. Waarschijnlijk is

er maar ééne moeder[1] en verder zijn er geslachtloozen en darren. Zelfs

zijn sommige bijzonderheden er beter geregeld. De mannetjes zijn er b.v.

niet geheel werkeloos, ze scheiden was af. De toegang tot de stad wordt

met meer zorg verdedigd: gedurende de koude nachten is hij afgesloten

door een poort, in de warme nachten door een soort gordijn, dat lucht

doorlaat.

Doch de republiek is minder sterk, het leven der leden minder veilig, de

welvaart beperkter dan bij onze bijen, en overal waar men deze laatsten

er in brengt, hebben de Meliponiten de neiging, voor hen de plaats te

ruimen. Het denkbeeld van broederschap hoeft zich gelijkelijk en

prachtig in de beide rassen ontwikkeld, behalve op één punt, waarop het

bij een van hen nauwelijks verder is dan wat het reeds bij de beperkte

familie der Hommels bereikt had. Dit punt is de mechanische organisatie

van den gemeenschappelijken arbeid, het uitsparen van alle overbodige

inspanning, in één woord de bouworde van den korf, die, zooals duidelijk

is te zien, van minder gehalte is.

Ik kan volstaan met te herinneren aan hetgeen ik in Boek III, Hoofdstuk

XVIII gezegd heb, en voeg er nog aan toe, dat in de korven dor Apiten

alle cellen gelijkelijk geschikt zijn voor het kweeken van broedsel of

voor het bewaren van de provisie, en dat ze even lang bestaan als de

stad zelve, terwijl ze bij de Meliponiten slechts tot één doeleinde

kunnen gebruikt worden en dat die, welke tot wiegjes der jeugdige

nymphen dienen, vernietigd worden, nadat deze zijn uitgekomen.

Bij onze honingbijen heeft dus het denkbeeld zijn volmaaktsten vorm

aangenomen. En zoo hebben we dan hier een vlug ontworpen en onvolledig

overzicht van de ontwikkeling dezer idee. Staan die verschillende vormen

eens voor goed vast bij iedere soort en zou de lijn, die hen verbindt,

enkel in onze verbeelding bestaan? Baat ons nog geen systeem gaan

opbouwen in deze nog zoo gebrekkig onderzochte gewesten. We kunnen

enkel voorloopige gevolgtrekkingen maken en, als we willen, bij voorkeur

overhellen tot die, welke de meeste hoop geven; want zoo we noodzakelijk

moesten kiezen, dan hebben we reeds een schemerachtige aanduiding, dat

de meest gewenschte tevens die zijn, welke de meeste zekerheid hebben.

En laat ons overigens erkennen, dat onze onwetendheid nog zeer groot is.

Duizenden proefnemingen, die men zou kunnen doen, zijn nog niet gedaan.

Zouden b.v. de Prosopis, de gevangenen, die genoodzaakt zijn met hunne

gelijken samen te wonen, op den langen duur den ijzeren drempel van de

volstrekte eenzaamheid kunnen overschrijden, er evenals de Dasypoden

pleizier in krijgen zich te vereenigen, en een poging tot verbroedering

doen zooals de Panurgen? Zouden de Panurgen op hare beurt van de

gemeenschappelijke gang den overgang kunnen maken tot een

gemeenschappelijke kamer? Zouden de moeders der Hommels, die samen

overwinterden, in gevangenschap grootgebracht en gevoed, er toe kunnen

komen samen overleg te plegen en den arbeid te verdeelen? En wat de

Meliponiten betreft, heeft men hun wel eens kunstraten met cellen-indruk

gegeven? Heeft men hun kunstmatige honing-amphora's aangeboden om de

zonderlinge, die zij bouwen, te vervangen? Zouden ze die aannemen en er

partij van trekken; en hoe zouden ze hunne gewoonten plooien en schikken

naar dezen ongewonen bouw? Dit zijn alles vragen, die we richten tot

zeer kleine wezentjes en die toch de kern van onze grootste geheimen

inhouden. We kunnen er geen antwoord op geven, want onze ondervinding

dateert eerst van gisteren. Als we rekenen van af Réaumur, dan is men

ongeveer anderhalve eeuw bezig met het waarnemen van de zeden van

enkele wilde bijen. Réaumur kende er maar een paar, wij hebben er eenige

andere bestudeerd; doch honderden, misschien duizenden, zijn tot op

heden enkel ondervraagd door onwetende of haastige reizigers. Die welke

wij kennen sedert den schoonen arbeid van den schrijver der

_Gedenkschriften_, hebben niets in hunne gewoonten veranderd, en de

Hommels, die omstreeks 1730 met goudpoeder waren bestrooid, trilden als

het verkwikkelijk gemurmel der zon, en zich te goed deden aan honing in

de tuinen van Charenton, geleken volkomen op die welke, nu de

April-maand is weergekeerd, morgen zullen gonzen eenige schreden van

daar verwijderd, in het bosch van Vincennes. Doch van Réaumur tot op

onze dagen, dat is slechts een wenk des tijds voor ons onderzoek, en

verscheidene menschenlevens aan elkander gevoegd vormen slechts eene

seconde in de geschiedenis van eene gedachte der natuur.

[1] 't Staat niet vast, dat de regel van slechts ééne koningin of moeder

streng wordt volgehouden bij de Meliponiten. Blanchard meent terecht,

dat er waarschijnlijk verscheidene wijfjes in een zelfden korte leven,

daar ze niet voorzien zijn van een angel en bijgevolg elkander niet zoo

gemakkelijk kunnen dooden als de bijen-koninginnen. Toch heeft men zich

tot nu toe niet van de waarheid daarvan kunnen overtuigen wegens de

groote overeenkomst tusschen wijfjes en werkbijen en de onmogelijkheid,

in ons klimaat Meliponen te kweeken.

Het leven der bijen · 第 129 / 136 题