Hier is alles georganiseerd, evenals in onze korven. Waarschijnlijk is
er maar ééne moeder[1] en verder zijn er geslachtloozen en darren. Zelfs
zijn sommige bijzonderheden er beter geregeld. De mannetjes zijn er b.v.
niet geheel werkeloos, ze scheiden was af. De toegang tot de stad wordt
met meer zorg verdedigd: gedurende de koude nachten is hij afgesloten
door een poort, in de warme nachten door een soort gordijn, dat lucht
doorlaat.
Doch de republiek is minder sterk, het leven der leden minder veilig, de
welvaart beperkter dan bij onze bijen, en overal waar men deze laatsten
er in brengt, hebben de Meliponiten de neiging, voor hen de plaats te
ruimen. Het denkbeeld van broederschap hoeft zich gelijkelijk en
prachtig in de beide rassen ontwikkeld, behalve op één punt, waarop het
bij een van hen nauwelijks verder is dan wat het reeds bij de beperkte
familie der Hommels bereikt had. Dit punt is de mechanische organisatie
van den gemeenschappelijken arbeid, het uitsparen van alle overbodige
inspanning, in één woord de bouworde van den korf, die, zooals duidelijk
is te zien, van minder gehalte is.
Ik kan volstaan met te herinneren aan hetgeen ik in Boek III, Hoofdstuk
XVIII gezegd heb, en voeg er nog aan toe, dat in de korven dor Apiten
alle cellen gelijkelijk geschikt zijn voor het kweeken van broedsel of
voor het bewaren van de provisie, en dat ze even lang bestaan als de
stad zelve, terwijl ze bij de Meliponiten slechts tot één doeleinde
kunnen gebruikt worden en dat die, welke tot wiegjes der jeugdige
nymphen dienen, vernietigd worden, nadat deze zijn uitgekomen.
Bij onze honingbijen heeft dus het denkbeeld zijn volmaaktsten vorm
aangenomen. En zoo hebben we dan hier een vlug ontworpen en onvolledig
overzicht van de ontwikkeling dezer idee. Staan die verschillende vormen
eens voor goed vast bij iedere soort en zou de lijn, die hen verbindt,
enkel in onze verbeelding bestaan? Baat ons nog geen systeem gaan
opbouwen in deze nog zoo gebrekkig onderzochte gewesten. We kunnen
enkel voorloopige gevolgtrekkingen maken en, als we willen, bij voorkeur
overhellen tot die, welke de meeste hoop geven; want zoo we noodzakelijk
moesten kiezen, dan hebben we reeds een schemerachtige aanduiding, dat
de meest gewenschte tevens die zijn, welke de meeste zekerheid hebben.
En laat ons overigens erkennen, dat onze onwetendheid nog zeer groot is.
Duizenden proefnemingen, die men zou kunnen doen, zijn nog niet gedaan.
Zouden b.v. de Prosopis, de gevangenen, die genoodzaakt zijn met hunne
gelijken samen te wonen, op den langen duur den ijzeren drempel van de
volstrekte eenzaamheid kunnen overschrijden, er evenals de Dasypoden
pleizier in krijgen zich te vereenigen, en een poging tot verbroedering
doen zooals de Panurgen? Zouden de Panurgen op hare beurt van de
gemeenschappelijke gang den overgang kunnen maken tot een
gemeenschappelijke kamer? Zouden de moeders der Hommels, die samen
overwinterden, in gevangenschap grootgebracht en gevoed, er toe kunnen
komen samen overleg te plegen en den arbeid te verdeelen? En wat de
Meliponiten betreft, heeft men hun wel eens kunstraten met cellen-indruk
gegeven? Heeft men hun kunstmatige honing-amphora's aangeboden om de
zonderlinge, die zij bouwen, te vervangen? Zouden ze die aannemen en er
partij van trekken; en hoe zouden ze hunne gewoonten plooien en schikken
naar dezen ongewonen bouw? Dit zijn alles vragen, die we richten tot
zeer kleine wezentjes en die toch de kern van onze grootste geheimen
inhouden. We kunnen er geen antwoord op geven, want onze ondervinding
dateert eerst van gisteren. Als we rekenen van af Réaumur, dan is men
ongeveer anderhalve eeuw bezig met het waarnemen van de zeden van
enkele wilde bijen. Réaumur kende er maar een paar, wij hebben er eenige
andere bestudeerd; doch honderden, misschien duizenden, zijn tot op
heden enkel ondervraagd door onwetende of haastige reizigers. Die welke
wij kennen sedert den schoonen arbeid van den schrijver der
_Gedenkschriften_, hebben niets in hunne gewoonten veranderd, en de
Hommels, die omstreeks 1730 met goudpoeder waren bestrooid, trilden als
het verkwikkelijk gemurmel der zon, en zich te goed deden aan honing in
de tuinen van Charenton, geleken volkomen op die welke, nu de
April-maand is weergekeerd, morgen zullen gonzen eenige schreden van
daar verwijderd, in het bosch van Vincennes. Doch van Réaumur tot op
onze dagen, dat is slechts een wenk des tijds voor ons onderzoek, en
verscheidene menschenlevens aan elkander gevoegd vormen slechts eene
seconde in de geschiedenis van eene gedachte der natuur.
[1] 't Staat niet vast, dat de regel van slechts ééne koningin of moeder
streng wordt volgehouden bij de Meliponiten. Blanchard meent terecht,
dat er waarschijnlijk verscheidene wijfjes in een zelfden korte leven,
daar ze niet voorzien zijn van een angel en bijgevolg elkander niet zoo
gemakkelijk kunnen dooden als de bijen-koninginnen. Toch heeft men zich
tot nu toe niet van de waarheid daarvan kunnen overtuigen wegens de
groote overeenkomst tusschen wijfjes en werkbijen en de onmogelijkheid,
in ons klimaat Meliponen te kweeken.