De Hommels, die groote behaarde bijen, met hun zwaar geluid, die ons wel
vrees aanjagen, doch zeer vreedzaam zijn, en die wij allen kennen,
leven eerst in afzondering. Dadelijk in de eerste dagen van Maart begint
het bevruchte wijfje, dat den winter heeft overleefd, haar nest te
bouwen, 't zij onder den grond, 't zij in een heester, al naar de soort,
waartoe ze behoort. In de ontwakende lente is zij alleen op de wereld.
Ze gaat aan 't opredderen, aan 't graven en aan 't bekleeden van de
uitgekozen plaats. Dan maakt ze vrij vormelooze cellen van was, voorziet
ze van honing en stuifmeel, legt eieren en broedt ze uit, verzorgt en
voedt de larfjes, die uitkomen, en weldra ziet ze zich omringd van eene
schare dochters, die haar bijstaan bij haar werk binnen en buitenshuis,
en waarvan er eenige op hare beurt eieren gaan leggen. De welvaart neemt
toe, de bouw der cellen wordt beter, de kolonie breidt zich uit. De
stichteres blijft er de ziel en de voornaamste moeder van en ziet zich
geplaatst aan het hoofd van een koninkrijk, dat is als het ontwerp van
dat onzer honingbij. En een nog zeer ruw ontwerp. De welvaart is er
altijd nog zeer beperkt, de wetten zijn er slecht omschreven en worden
slecht gehoorzaamd, bij tusschenpoozen duiken het oorspronkelijk
cannibalisme en de kindermoord weer op, de bouworde is nog vormeloos en
kostbaar, doch wat het grootste onderscheid tusschen de beide rijken
uitmaakt is dit, dat het ééne duurzaam en het andere slechts tijdelijk
is. Inderdaad, dat der Hommels zal in den herfst volledig te gronde
gaan, zijne drie- of vierhonderd bewoners zullen omkomen zonder een
spoor van hun aanzijn achter te laten, al deze inspanning vergaat, en er
zal slechts één wijfje overblijven, dat in de volgende lente even
eenzaam als hare moeder en evenals deze niets bezittende, denzelfden
nutteloozen arbeid opnieuw zal beginnen. En toch blijft het feit
bestaan, dat ditmaal het denkbeeld zich zijner kracht bewust is
geworden.
Bij de Hommels zien we het deze grens nog niet overschrijden, doch
getrouw aan zijne gewoonte, gaat het zich onmiddellijk door een soort
van onvermoeide zielsverhuizing, nog trillend van zijn laatste
zegepraal, overmachtig en reeds bijna volmaakt, incarneeren in een
andere groep, de voorlaatste van het ras, die welke onze honingbij
onmiddellijk voorafgaat, waarin het zijn glanspunt bereikt, ik bedoel de
groep der Meliponiten, die de tropische Meliponen en Trigonen omvat.