XII.

De Hommels, die groote behaarde bijen, met hun zwaar geluid, die ons wel

vrees aanjagen, doch zeer vreedzaam zijn, en die wij allen kennen,

leven eerst in afzondering. Dadelijk in de eerste dagen van Maart begint

het bevruchte wijfje, dat den winter heeft overleefd, haar nest te

bouwen, 't zij onder den grond, 't zij in een heester, al naar de soort,

waartoe ze behoort. In de ontwakende lente is zij alleen op de wereld.

Ze gaat aan 't opredderen, aan 't graven en aan 't bekleeden van de

uitgekozen plaats. Dan maakt ze vrij vormelooze cellen van was, voorziet

ze van honing en stuifmeel, legt eieren en broedt ze uit, verzorgt en

voedt de larfjes, die uitkomen, en weldra ziet ze zich omringd van eene

schare dochters, die haar bijstaan bij haar werk binnen en buitenshuis,

en waarvan er eenige op hare beurt eieren gaan leggen. De welvaart neemt

toe, de bouw der cellen wordt beter, de kolonie breidt zich uit. De

stichteres blijft er de ziel en de voornaamste moeder van en ziet zich

geplaatst aan het hoofd van een koninkrijk, dat is als het ontwerp van

dat onzer honingbij. En een nog zeer ruw ontwerp. De welvaart is er

altijd nog zeer beperkt, de wetten zijn er slecht omschreven en worden

slecht gehoorzaamd, bij tusschenpoozen duiken het oorspronkelijk

cannibalisme en de kindermoord weer op, de bouworde is nog vormeloos en

kostbaar, doch wat het grootste onderscheid tusschen de beide rijken

uitmaakt is dit, dat het ééne duurzaam en het andere slechts tijdelijk

is. Inderdaad, dat der Hommels zal in den herfst volledig te gronde

gaan, zijne drie- of vierhonderd bewoners zullen omkomen zonder een

spoor van hun aanzijn achter te laten, al deze inspanning vergaat, en er

zal slechts één wijfje overblijven, dat in de volgende lente even

eenzaam als hare moeder en evenals deze niets bezittende, denzelfden

nutteloozen arbeid opnieuw zal beginnen. En toch blijft het feit

bestaan, dat ditmaal het denkbeeld zich zijner kracht bewust is

geworden.

Bij de Hommels zien we het deze grens nog niet overschrijden, doch

getrouw aan zijne gewoonte, gaat het zich onmiddellijk door een soort

van onvermoeide zielsverhuizing, nog trillend van zijn laatste

zegepraal, overmachtig en reeds bijna volmaakt, incarneeren in een

andere groep, de voorlaatste van het ras, die welke onze honingbij

onmiddellijk voorafgaat, waarin het zijn glanspunt bereikt, ik bedoel de

groep der Meliponiten, die de tropische Meliponen en Trigonen omvat.

Het leven der bijen · 第 128 / 136 题