XI.

De Xylocopen zijn, zooals we gezien hebben, machtige bijen, die hun nest

in droog hout schroeven. Zij leven altijd alleen. Toch gebeurt het wel,

dat men tegen het einde van den zomer, enkele individuen van een

bijzondere soort (_Xylocopa Cyanescens_) in hunne kouwelijkheid tot een

heele groep vereenigd in den steel van een affodil ziet kruipen om er

den winter gezamentlijk door te brengen. Deze broederschap in het late

seizoen is uitzondering bij de Xylocopen, maar bij hunne naaste

verwanten, de Ceratinen, is ze reeds tot een vaste gewoonte geworden.

Het denkbeeld breekt zich baan. Dadelijk echter komt het tot stilstand,

en tot nu toe heeft het bij de Xylocopen de eerste onduidelijke linie

van de liefde nog niet kunnen overschrijden.

Bij andere Apinen neemt de nog tastende idee andere vormen aan. De

Chalicodomen der schuren, die tot de metsel-bijen behooren, de Dasypoden

en Halicten, die legers graven, vereenigen zich in talrijke kolonies om

hunne nesten te bouwen. Maar 't is een denkbeeldige menigte, gevormd uit

op zichzelf staande wezens. Geenerlei overleg, geen enkele

gemeenschappelijke daad. Ieder staat geheel geïsoleerd in de menigte en

bouwt hare woning voor zich alleen, zonder zich om hare buren te

bekommeren. "Het is," zegt J. Perez, "enkel een verzameling individuen,

die door gelijkheid van smaak en vermogens op eenzelfde plaats worden

saamgebracht, bij wie de stelregel van het ieder voor zich in zijn

ganschen omvang in praktijk wordt gebracht; 't is een troep arbeiders,

die enkel door hun aantal en hun werklust aan den zwerm van den korf

doen denken. Zulke vereenigingen zijn dus eenvoudig het gevolg van het

groot aantal individuen, die dezelfde localiteit bewonen."

Doch bij de Panurgen, de nichten der Dasypoden, breekt plotseling een

lichtstraaltje door, en laat het ontluiken van een nieuw gevoel in de

toevallige bijeenvoeging zien. Ze vereenigen zich op dezelfde wijze als

de vorigen en ieder graaft voor zich hare onderaardsche woning; doch de

ingang, de gang die van de aardoppervlakte naar de verschillende holen

geleidt, is gemeenschappelijk.

"Zoo gedraagt zich dus ieder," zegt dezelfde Perez, "wat het

vervaardigen der cellen betreft, alsof zo alleen ware; doch allen maken

gebruik van de gang, die den toegang verleent; hierin profiteeren allen

van den arbeid eener enkele en sparen zoodoende den tijd en de moeite

uit, die vereischt zouden worden om ieder eene afzonderlijke gang te

vervaardigen. 't Zou interessant zijn na te gaan of ook deze

voorafgaande arbeid niet gemeenschappelijk werd verricht, en of niet

verscheidene wijfjes elkaar aflosten om er beurtelings aan deel te

nemen."

Hoe dit ook zij, het denkbeeld van broederschap hoeft reeds de wand

doorboord, die twee werelden van elkander scheidde. 't Zijn nu niet meer

de winter, de honger of de angst, die het, nog geheel onkenbaar,

afdwingen van 't instinct; hier doet het werkzaam leven het aan de hand.

Doch ook ditmaal komt het dadelijk tot stilstand, en weet zich nog niet

verder in deze richting te bewegen. Dat doet er niet toe, het verliest

den moed niet, en beproeft andere wegen. En ziet, nu dringt het door bij

de Hommels, rijpt daar, neemt er in een andere atmosfeer gestalte aan en

bewerkt de eerste beslissende wonderen.

Het leven der bijen · 第 127 / 136 题