De Xylocopen zijn, zooals we gezien hebben, machtige bijen, die hun nest
in droog hout schroeven. Zij leven altijd alleen. Toch gebeurt het wel,
dat men tegen het einde van den zomer, enkele individuen van een
bijzondere soort (_Xylocopa Cyanescens_) in hunne kouwelijkheid tot een
heele groep vereenigd in den steel van een affodil ziet kruipen om er
den winter gezamentlijk door te brengen. Deze broederschap in het late
seizoen is uitzondering bij de Xylocopen, maar bij hunne naaste
verwanten, de Ceratinen, is ze reeds tot een vaste gewoonte geworden.
Het denkbeeld breekt zich baan. Dadelijk echter komt het tot stilstand,
en tot nu toe heeft het bij de Xylocopen de eerste onduidelijke linie
van de liefde nog niet kunnen overschrijden.
Bij andere Apinen neemt de nog tastende idee andere vormen aan. De
Chalicodomen der schuren, die tot de metsel-bijen behooren, de Dasypoden
en Halicten, die legers graven, vereenigen zich in talrijke kolonies om
hunne nesten te bouwen. Maar 't is een denkbeeldige menigte, gevormd uit
op zichzelf staande wezens. Geenerlei overleg, geen enkele
gemeenschappelijke daad. Ieder staat geheel geïsoleerd in de menigte en
bouwt hare woning voor zich alleen, zonder zich om hare buren te
bekommeren. "Het is," zegt J. Perez, "enkel een verzameling individuen,
die door gelijkheid van smaak en vermogens op eenzelfde plaats worden
saamgebracht, bij wie de stelregel van het ieder voor zich in zijn
ganschen omvang in praktijk wordt gebracht; 't is een troep arbeiders,
die enkel door hun aantal en hun werklust aan den zwerm van den korf
doen denken. Zulke vereenigingen zijn dus eenvoudig het gevolg van het
groot aantal individuen, die dezelfde localiteit bewonen."
Doch bij de Panurgen, de nichten der Dasypoden, breekt plotseling een
lichtstraaltje door, en laat het ontluiken van een nieuw gevoel in de
toevallige bijeenvoeging zien. Ze vereenigen zich op dezelfde wijze als
de vorigen en ieder graaft voor zich hare onderaardsche woning; doch de
ingang, de gang die van de aardoppervlakte naar de verschillende holen
geleidt, is gemeenschappelijk.
"Zoo gedraagt zich dus ieder," zegt dezelfde Perez, "wat het
vervaardigen der cellen betreft, alsof zo alleen ware; doch allen maken
gebruik van de gang, die den toegang verleent; hierin profiteeren allen
van den arbeid eener enkele en sparen zoodoende den tijd en de moeite
uit, die vereischt zouden worden om ieder eene afzonderlijke gang te
vervaardigen. 't Zou interessant zijn na te gaan of ook deze
voorafgaande arbeid niet gemeenschappelijk werd verricht, en of niet
verscheidene wijfjes elkaar aflosten om er beurtelings aan deel te
nemen."
Hoe dit ook zij, het denkbeeld van broederschap hoeft reeds de wand
doorboord, die twee werelden van elkander scheidde. 't Zijn nu niet meer
de winter, de honger of de angst, die het, nog geheel onkenbaar,
afdwingen van 't instinct; hier doet het werkzaam leven het aan de hand.
Doch ook ditmaal komt het dadelijk tot stilstand, en weet zich nog niet
verder in deze richting te bewegen. Dat doet er niet toe, het verliest
den moed niet, en beproeft andere wegen. En ziet, nu dringt het door bij
de Hommels, rijpt daar, neemt er in een andere atmosfeer gestalte aan en
bewerkt de eerste beslissende wonderen.