X.

We gaan heel wat overgangsvormen voorbij, bij welke we langzamerhand de

tong konden zien langer worden om het honingsap uit de diepte van een

grooter aantal bloemkronen te kunnen putten, het apparaat voor het

inzamelen van stuifmeel ontstaan en zich ontwikkelen, nl. borstels en

haartjes aan scheenbeen, tars en buik, de pootjes en kaken sterker

worden, nuttige afscheidingen zich vormen, en den genius, die voorzit

bij het bouwen van woningen, naar alle kanten verrassende verbeteringen

zien zoeken en vinden. Zulk een studie zou een boekdeel vereischen. Ik

wil er slechts een enkel hoofdstuk, en nog minder, een enkele bladzijde

van schetsen, die ons door al de aarzelende pogingen heen van den wil om

te leven en gelukkig te zijn, de geboorte, het ontluiken en de

bevestiging van de sociale verstandhouding aantoont.

We hebben de ongelukkige Prosopis zien fladderen, die haar klein eenzaam

bestaan in dit groot heelal vol vreesaanjagende krachten, in stilte

draagt. Een zeker aantal harer zusteren, die reeds tot beter gewapende

en bekwamer rassen behooren, de goed gekleede Colleta's b.v. of de

merkwaardige rozenblad-snijdster, en de lapjesdeken Megachilis, leven

in even groote afzondering, en indien bij toeval zich een wezen aan haar

hecht en haar woning komt deelen, dan is 't een vijand of nog

veelvuldiger een parasiet. Want de wereld der bijen is met nog vreemder

spooksels bevolkt dan de onze, en menige soort heeft aldus een

geheimzinnigen en werkeloozen dubbelganger, volkomen gelijk aan het

slachtoffer, dat hij zich kiest, behalve dat reeds sinds onheugelijke

tijden zijn luiheid hem één voor één alle werktuigen voor den arbeid

heeft doen verliezen, en dat hij nog enkel kan blijven bestaan ten koste

van het werkzaam type van zijn ras[1].

Toch broeit het sociaal instinkt reeds onder die bijen, die men wel wat

al te categorisch _eenzame Apiden_ genoemd heeft, als een vlam die wordt

gedoofd onder de opeenhooping der materie, welke alle oorspronkelijk

leven onderdrukt. Hier en daar, waar men het volstrekt niet verwachten

zou, gelukt het dit instinct bij wijze van verkenningstocht, in

aarzelende en somtijds vreemdsoortige uitbarstingen, den houtstapel te

doordringen, die hem drukt en die eens door zijn zegepraal zal worden

verteerd.

Indien alles stof is in deze wereld, dan staat men hier wel voor de

meest onstoffelijke verandering der materie. Het geldt hier over te gaan

van het zelfzuchtig, onzeker en onvolmaakt leven tot het eenigszins

veiliger en eenigszins gelukkiger leven van broederschap. Het geldt op

ideëele wijze door den geest te vereenigen, wat in werkelijkheid is

gescheiden door het lichaam; te bewerken, dat het individu zich zal

opofferen voor de soort, en de dingen, die men niet ziet in de plaats

stellen van dat wat men ziet. Is het te verwonderen, dat de bijen niet

onmiddellijk verwezenlijken, wat wij, die staan op het bevoorrecht

standpunt, waar het instinct van alle kanten in het bewustzijn straalt,

nog niet eens hebben ontward? 't Is dan ook interessant, bijna

aandoenlijk, te zien hoe de nieuwe idee nog tastend zich voortbeweegt te

midden van de duisternis, die al wat op deze aarde ontstaat, omhult. Ze

komt uit de materie en is aanvankelijk nog geheel stoffelijk. Ze is

niets dan koude, honger of angst omgezet in iets, dat nog geene gestalte

heeft. Ze kruipt onzeker rondom de groote gevaren, de lange nachten, de

nadering des winters, en een verdachten slaap, die bijna gelijk is aan

den dood.

[1] Voorbeelden.--De Hommels, die de Psithyren tot parasieten hebben, de

Stelida's, die leven ten koste van de Anthidiën. "Men moet wel

aannemen", zegt J. Perez (_De Bijen_) zeer terecht naar aanleiding van

de veelvuldig voorkomende gelijkheid van den parasiet en zijn

slachtoffer, "men moet wel aannemen, dat de beide soorten slechts twee

vormen zijn van een zelfde type, en in de nauwste verwantschap tot

elkaar staan. Voor de natuurkundigen, die de evolutie-leer aanhangen, is

deze verwantschap niet zuiver ideëel maar reëel. Die woekerdieren zouden

dan enkel een zijlijn zijn van de inzamelende soort, en zouden juist die

organen voor de inzameling verloren hebben tengevolge van het

parasitisch leven".

Het leven der bijen · 第 126 / 136 题