Men kent ongeveer vier duizend vijf honderd soorten van wilde bijen.
Natuurlijk zullen we ze niet alle de revue laten passeeren. Misschien
zal men eenmaal door grondige studie, door waarnemingen en
proefnemingen welke tot nu toe niet gedaan zijn en die meer dan één
menschenleven zouden vereischen, een helder licht kunnen doen vallen op
de geschiedenis van de evolutie der bij. Voor zoover ik weet is deze
geschiedenis nog nooit methodisch geschreven. 't Is te hopen, dat het
gebeuren zal, want ze zou meer dan één probleem moeten aanroeren, even
groot als die van menige geschiedenis der menschheid. Wat ons betreft,
zonder iets met beslistheid te zeggen, daar we hier in de gesluierde
gewesten der veronderstellingen komen, we zullen er ons mee vergenoegen
een enkelen stam der vliesvleugeligen te volgen op zijn weg naar een
hooger bestaan, naar een weinigje welvaart en veiligheid, en met een
enkelen trek zullen we de belangrijkste punten van deze stijging
aangeven, die over vele duizenden jaren loopt. De stam in questie is,
zooals we reeds weten, die der Apinen[1], welke zoo scherp geteekende en
duidelijk waarneembare kenmerken bezit, dat men veilig mag gelooven, dat
al zijne leden van een enkelen voorvader afstammen.
De leerlingen van Darwin, o.a. Hermann Müller, beschouwen een kleine
wilde bij, die over het gansche heelal verspreid is en _Prosopis_
genoemd wordt, als de hedendaagsche vertegenwoordigster van de
oorspronkelijke bij, van wie alle bijen, die wij in onze dagen kennen,
zouden afstammen.
De ongelukkige _Prosopis_ is tegenover de bewoonster onzer korven vrij
wel wat de holbewoner zou zijn in vergelijking met de gelukkige bewoners
onzer groote steden. Misschien hebt ge haar meer dan eens in een
verlaten hoekje van uw tuin, waar ze zich bewoog in het struikgewas,
gezien, zonder er op te letten en zonder te vermoeden, dat gij de
eerwaardige stammoeder voor u zaagt, aan wie wij waarschijnlijk de
meeste onzer bloemen en vruchten te danken hebben. (Inderdaad, men houdt
het er voor, dat er meer dan honderd duizend plantensoorten verdwijnen
zouden, indien onze bijen ze niet meer bezochten. En wie weet of we haar
ook niet onze beschaving moeten dank weten, want in deze mysteriën
schakelt zich alles aaneen). Ze is schoon en levendig; de in Frankrijk
meest verbreide soort is bevallig wit gevlekt op een zwarten grond. Doch
deze sierlijkheid verbergt een ongeloofelijke naaktheid. Ze leidt een
kommerlijk leven. Ze is bijna naakt, terwijl al hare zusteren met warme
en weelderige vachten zijn bekleed. Ze bezit geen enkel werktuig voor
den arbeid. Ze heeft geen korfjes om het stuifmeel in te verzamelen,
zooals de Apiden, of bij gebreke daarvan den uitwas aan de heup van de
Andrena's, noch die aan den buik van de Gastrilegiden. Moeizaam moet ze
met behulp van haar pootjes het meel uit de kelken inzamelen en het
inslikken om het naar hare woning te brengen. Ze heeft geen andere
hulpmiddelen dan haar tong, haar mond en haar pootjes, maar haar tong is
te kort, haar pootjes zijn zwak en hare kaken krachteloos. Daar ze geen
was kan voortbrengen, geen hout kan uithollen, geen grond kan omwoelen,
vervaardigt ze op onhandige wijze gangen in het weeke merg van droge
bramen, maakt er eenige ruw bewerkte cellen in, voorziet die van een
klein weinigje voedsel voor kinderen, die ze nooit zien zal en dan, als
hare armzalige taak is volbracht voor een doeleinde, dat zij niet kent
en wij al evenmin, legt ze zich in een hoekje neer om te sterven, alleen
in de wereld, evenals ze geleefd heeft.
[1]'t Is van belang de drie benamingen _Apinen, Apiden_ en _Apiten_ niet
met elkaar te verwarren, die wij beurtelings zullen gebruiken en die we
ontleenen aan de klassen-indeeling van Emile Blanchard. De stam der
Apinen omvat alle families der bijen. De Apiden vormen de eerste dezer
families en worden weder in drie groepen ingedeeld: De _Meliponiten_, de
_Apiten_ en de _Bombiten_ (Hommels). De _Apiten_ eindelijk omvatten de
verschillende variëteiten van onze honingbij.