IX.

Men kent ongeveer vier duizend vijf honderd soorten van wilde bijen.

Natuurlijk zullen we ze niet alle de revue laten passeeren. Misschien

zal men eenmaal door grondige studie, door waarnemingen en

proefnemingen welke tot nu toe niet gedaan zijn en die meer dan één

menschenleven zouden vereischen, een helder licht kunnen doen vallen op

de geschiedenis van de evolutie der bij. Voor zoover ik weet is deze

geschiedenis nog nooit methodisch geschreven. 't Is te hopen, dat het

gebeuren zal, want ze zou meer dan één probleem moeten aanroeren, even

groot als die van menige geschiedenis der menschheid. Wat ons betreft,

zonder iets met beslistheid te zeggen, daar we hier in de gesluierde

gewesten der veronderstellingen komen, we zullen er ons mee vergenoegen

een enkelen stam der vliesvleugeligen te volgen op zijn weg naar een

hooger bestaan, naar een weinigje welvaart en veiligheid, en met een

enkelen trek zullen we de belangrijkste punten van deze stijging

aangeven, die over vele duizenden jaren loopt. De stam in questie is,

zooals we reeds weten, die der Apinen[1], welke zoo scherp geteekende en

duidelijk waarneembare kenmerken bezit, dat men veilig mag gelooven, dat

al zijne leden van een enkelen voorvader afstammen.

De leerlingen van Darwin, o.a. Hermann Müller, beschouwen een kleine

wilde bij, die over het gansche heelal verspreid is en _Prosopis_

genoemd wordt, als de hedendaagsche vertegenwoordigster van de

oorspronkelijke bij, van wie alle bijen, die wij in onze dagen kennen,

zouden afstammen.

De ongelukkige _Prosopis_ is tegenover de bewoonster onzer korven vrij

wel wat de holbewoner zou zijn in vergelijking met de gelukkige bewoners

onzer groote steden. Misschien hebt ge haar meer dan eens in een

verlaten hoekje van uw tuin, waar ze zich bewoog in het struikgewas,

gezien, zonder er op te letten en zonder te vermoeden, dat gij de

eerwaardige stammoeder voor u zaagt, aan wie wij waarschijnlijk de

meeste onzer bloemen en vruchten te danken hebben. (Inderdaad, men houdt

het er voor, dat er meer dan honderd duizend plantensoorten verdwijnen

zouden, indien onze bijen ze niet meer bezochten. En wie weet of we haar

ook niet onze beschaving moeten dank weten, want in deze mysteriën

schakelt zich alles aaneen). Ze is schoon en levendig; de in Frankrijk

meest verbreide soort is bevallig wit gevlekt op een zwarten grond. Doch

deze sierlijkheid verbergt een ongeloofelijke naaktheid. Ze leidt een

kommerlijk leven. Ze is bijna naakt, terwijl al hare zusteren met warme

en weelderige vachten zijn bekleed. Ze bezit geen enkel werktuig voor

den arbeid. Ze heeft geen korfjes om het stuifmeel in te verzamelen,

zooals de Apiden, of bij gebreke daarvan den uitwas aan de heup van de

Andrena's, noch die aan den buik van de Gastrilegiden. Moeizaam moet ze

met behulp van haar pootjes het meel uit de kelken inzamelen en het

inslikken om het naar hare woning te brengen. Ze heeft geen andere

hulpmiddelen dan haar tong, haar mond en haar pootjes, maar haar tong is

te kort, haar pootjes zijn zwak en hare kaken krachteloos. Daar ze geen

was kan voortbrengen, geen hout kan uithollen, geen grond kan omwoelen,

vervaardigt ze op onhandige wijze gangen in het weeke merg van droge

bramen, maakt er eenige ruw bewerkte cellen in, voorziet die van een

klein weinigje voedsel voor kinderen, die ze nooit zien zal en dan, als

hare armzalige taak is volbracht voor een doeleinde, dat zij niet kent

en wij al evenmin, legt ze zich in een hoekje neer om te sterven, alleen

in de wereld, evenals ze geleefd heeft.

[1]'t Is van belang de drie benamingen _Apinen, Apiden_ en _Apiten_ niet

met elkaar te verwarren, die wij beurtelings zullen gebruiken en die we

ontleenen aan de klassen-indeeling van Emile Blanchard. De stam der

Apinen omvat alle families der bijen. De Apiden vormen de eerste dezer

families en worden weder in drie groepen ingedeeld: De _Meliponiten_, de

_Apiten_ en de _Bombiten_ (Hommels). De _Apiten_ eindelijk omvatten de

verschillende variëteiten van onze honingbij.

Het leven der bijen · 第 125 / 136 题