VIII.

Op dezen April-morgen heb ik in mijn tuin, die weer tot nieuw leven

ontwaakt onder een goddelijken groenen dauw, voor de bloemperken van

rozen en bevende primula's met hunnen rand van wit taschjeskruid, dat

men ook wel boerenkers of visselkruid noemt, de wilde bijen weergezien,

de voorouders van die, welke zich naar onze wenschen hebben geschikt, en

ik dacht weer aan de lessen van den ouden bijenkweeker in Zeeland. Meer

dan eens geleidde hij mij langs zijn veelkleurige bloembedden, die waren

aangelegd en onderhouden als in den tijd van vader Cats, den goeden,

prozaïschen en onuitputtelijken dichter. Ze vormden rozetten, sterren,

slingers, hangers en kroonluchters aan den voet van een hagedoorn of een

vruchtboom gesnoeid in den vorm van een bol, een pyramide of een

spinrokken, en de maagdenpalm liep waakzaam als een herdershond langs

de randen om de bloemen te beletten in de paden te groeien. Daar heb ik

de namen en de gewoonten leeren kennen van die onafhankelijke

honingdraagsters, aan wie wij nooit onze aandacht schonken, daar we ze

voor gewone vliegen, voor kwade wespen of domme torren houden. En toch

draagt ieder hunner onder het dubbel paar vleugels, dat hen kenmerkt in

het land der insecten, een levensplan, de idee en de middelen tot een

verschillend en dikwijls zeer wonderbaar levenslot. Hier hebben we in de

eerste plaats de naaste bloedverwanten onzer gewone bij, de behaarde en

ineengedrongen hommels, een enkelen keer klein, doch meestal zeer groot

en even als de oorspronkelijke mensch bedekt met een loshangend kleed

zonder snit, waaromheen zich de koper- of vermiljoenkleurige ringen

bevinden. Het zijn nog halve barbaren; ze verkrachten de bloemkelken,

scheuren ze indien ze weerstand bieden en dringen onder de satijnen

sluiers der bloemkroon door, zooals de holenbeer de geheel met zijde en

paarlen bewerkte tent van een Byzantijnsche prinses zou binnendringen.

Naast hem vliegt een monster met duisternis bekleed, grooter dan de

grootste onder hen. Hij gloeit van een somber vuur, eenigszins groen en

violetkleurig; dit is de Xylocopa of Houteter, de reuzin in de

bijenwereld. Als tweede in rang naar de grootte komt dan de Chalicodoma

of metsel-bij, die in zwart laken gekleed is en van klei en kiezelzand

woningen vervaardigt zoo hard als steen. Dan komen in bonte mengeling de

Dasypoden en Halicten, die op wespen gelijken, de Andrena's, dikwijls

ten prooi aan een fantastischen parasiet, den Stylops, die het voorkomen

van het slachtoffer, dat hij zich heeft uitgekozen, totaal verandert,

de Panurgen, bijna dwergjes en altijd beladen met een zware vracht

stuifmeel, de veelvormige Osmiën, die honderden bijzondere industrieën

hebben. Een hunner, de _Osmia papaveris_, vergenoegt er zich niet mee

het noodzakelijke eten van de bloemen te vorderen; ze snijdt van de

bloemkroon zelf van papaver en klaproos groote purperen lappen af, om

daarmee het paleis harer dochters koninklijk te behangen. Een andere

bij, de kleinste van alle, een stofje zwevend op vier elektrische

vleugeltjes, de lappendeken, Megachilis, snijdt uit de blaadjes van de

rozenstruik halve-maantjes, zoo nauwkeurig, dat het is, alsof ze de

blaadjes had laten uitslaan; ze vouwt die, past ze in elkaar en vormt

een kokertje van eenige wonderbaar regelmatige vingerhoedjes, die alle

tot cel van een larfje dienen.

Doch een geheel boek zou nauwelijks voldoende zijn om de gewoonten en

verschillende talenten op te sommen van deze honing-lievende menigte,

die zich in alle richtingen over de verlangende en passieve bloemen

beweegt, deze vastgeketende gelieven, die wachten op de

liefde-boodschap, hun gebracht door verstrooide gasten.

Het leven der bijen · 第 124 / 136 题