Op dezen April-morgen heb ik in mijn tuin, die weer tot nieuw leven
ontwaakt onder een goddelijken groenen dauw, voor de bloemperken van
rozen en bevende primula's met hunnen rand van wit taschjeskruid, dat
men ook wel boerenkers of visselkruid noemt, de wilde bijen weergezien,
de voorouders van die, welke zich naar onze wenschen hebben geschikt, en
ik dacht weer aan de lessen van den ouden bijenkweeker in Zeeland. Meer
dan eens geleidde hij mij langs zijn veelkleurige bloembedden, die waren
aangelegd en onderhouden als in den tijd van vader Cats, den goeden,
prozaïschen en onuitputtelijken dichter. Ze vormden rozetten, sterren,
slingers, hangers en kroonluchters aan den voet van een hagedoorn of een
vruchtboom gesnoeid in den vorm van een bol, een pyramide of een
spinrokken, en de maagdenpalm liep waakzaam als een herdershond langs
de randen om de bloemen te beletten in de paden te groeien. Daar heb ik
de namen en de gewoonten leeren kennen van die onafhankelijke
honingdraagsters, aan wie wij nooit onze aandacht schonken, daar we ze
voor gewone vliegen, voor kwade wespen of domme torren houden. En toch
draagt ieder hunner onder het dubbel paar vleugels, dat hen kenmerkt in
het land der insecten, een levensplan, de idee en de middelen tot een
verschillend en dikwijls zeer wonderbaar levenslot. Hier hebben we in de
eerste plaats de naaste bloedverwanten onzer gewone bij, de behaarde en
ineengedrongen hommels, een enkelen keer klein, doch meestal zeer groot
en even als de oorspronkelijke mensch bedekt met een loshangend kleed
zonder snit, waaromheen zich de koper- of vermiljoenkleurige ringen
bevinden. Het zijn nog halve barbaren; ze verkrachten de bloemkelken,
scheuren ze indien ze weerstand bieden en dringen onder de satijnen
sluiers der bloemkroon door, zooals de holenbeer de geheel met zijde en
paarlen bewerkte tent van een Byzantijnsche prinses zou binnendringen.
Naast hem vliegt een monster met duisternis bekleed, grooter dan de
grootste onder hen. Hij gloeit van een somber vuur, eenigszins groen en
violetkleurig; dit is de Xylocopa of Houteter, de reuzin in de
bijenwereld. Als tweede in rang naar de grootte komt dan de Chalicodoma
of metsel-bij, die in zwart laken gekleed is en van klei en kiezelzand
woningen vervaardigt zoo hard als steen. Dan komen in bonte mengeling de
Dasypoden en Halicten, die op wespen gelijken, de Andrena's, dikwijls
ten prooi aan een fantastischen parasiet, den Stylops, die het voorkomen
van het slachtoffer, dat hij zich heeft uitgekozen, totaal verandert,
de Panurgen, bijna dwergjes en altijd beladen met een zware vracht
stuifmeel, de veelvormige Osmiën, die honderden bijzondere industrieën
hebben. Een hunner, de _Osmia papaveris_, vergenoegt er zich niet mee
het noodzakelijke eten van de bloemen te vorderen; ze snijdt van de
bloemkroon zelf van papaver en klaproos groote purperen lappen af, om
daarmee het paleis harer dochters koninklijk te behangen. Een andere
bij, de kleinste van alle, een stofje zwevend op vier elektrische
vleugeltjes, de lappendeken, Megachilis, snijdt uit de blaadjes van de
rozenstruik halve-maantjes, zoo nauwkeurig, dat het is, alsof ze de
blaadjes had laten uitslaan; ze vouwt die, past ze in elkaar en vormt
een kokertje van eenige wonderbaar regelmatige vingerhoedjes, die alle
tot cel van een larfje dienen.
Doch een geheel boek zou nauwelijks voldoende zijn om de gewoonten en
verschillende talenten op te sommen van deze honing-lievende menigte,
die zich in alle richtingen over de verlangende en passieve bloemen
beweegt, deze vastgeketende gelieven, die wachten op de
liefde-boodschap, hun gebracht door verstrooide gasten.