VII.

Dit alles kunnen we met onze eigen oogen zien. Men zal moeten toegeven,

dat dit feiten van belang zijn, wel geschikt de meening aan het wankelen

te brengen van degenen, die zichzelf wijs maken, dat in geen enkel

verstand vooruitgang is te bespeuren en iedere toekomst onbewegelijk

vast staat, behalve het verstand en de toekomst des menschen.

Nemen we echter voor een oogenblik de hypothese van de evolutie aan, dan

breidt het tooneel zich uit en het onzekere, grootsche licht daarvan

reikt weldra tot aan ons eigen levenslot. Een onweersprekelijk feit is

het niet, maar voor wie nauwkeurig waarneemt is het moeielijk voorbij te

zien, dat er in de natuur een wil schuilt, die er naar streeft, een deel

der materie tot een teederder en misschien beter staat te verheffen,

haar oppervlak langzamerhand te doordringen van een hoogst geheimzinnig

fluïdum, dat we in den aanvang leven noemen, daarna instinct, en spoedig

daarop verstand; het bestaan van alles, wat leeft voor een onbekend doel

te verzekeren, te organiseeren en te verlichten. Zeker is het niet, maar

vele voorbeelden rondom ons maken ons de veronderstelling aannemelijk,

dat, zoo men de hoeveelheid materie kon schatten, die sedert haren

oorsprong aldus hooger is opgevoerd, men zou bevinden, dat deze

aanhoudend is toegenomen. Ik herhaal het, de opmerking mist alle

vastheid, maar 't is de eenige die we hebben kunnen maken omtrent de

verborgen kracht, die ons leidt; en dat is al veel in een wereld, waar

het onze eerste plicht is, vertrouwen te stellen in het leven, zelfs al

ontdekte men daarin geen enkelen bemoedigenden lichtstraal, en zoolang

er geen zekerheid bestaat voor het tegendeel.

Ik weet al wat men kan aanvoeren tegen de evolutieleer. Ze heeft

talrijke bewijzen en machtige redeneeringen, die echter, waar het er op

aan komt, geen overtuigende kracht hebben. Men moet zich nooit geheel

zonder voorbehoud overgeven aan de nieuw ontdekte waarheden van den tijd

waarin men leeft. Misschien zullen over honderd jaar vrij wat

hoofdstukken, die daarvan doortrokken zijn, juist daardoor verouderd

lijken, even als heden ten dage de werken van de philosophen der vorige

eeuw, met hunnen veel te volmaakten mensch, zooals er geen bestaat, en

verscheidene bladzijden uit de XVIIde eeuw, ontsierd door de idee van

den boozen en kleingeestigen god van de door zooveel ijdelheid en leugen

verdraaide katholieke overlevering.

Nochtans, als men de waarheid omtrent eenige zaak niet te weten kan

komen, dan is het goed de hypothese te aanvaarden, die op het oogenblik

waarin het toeval ons deed geboren worden, zich met den meesten klem aan

het verstand opdringt. Tien tegen één dat ze verkeerd is, doch zoolang

men haar voor waar houdt, is ze nuttig; ze vuurt den moed aan en stuurt

de onderzoekingen in eene nieuwe richting. Op 't eerste gezicht lijkt

het verstandiger, waar men deze vernuftige veronderstellingen wil doen

plaats maken voor iets anders, eenvoudig de diepe waarheid zelve te

zeggen, deze namelijk, dat men niets weet. Doch deze waarheid zou alleen

dan heilzaam zijn, wanneer het was uitgemaakt, dat men nooit iets te

weten zal komen. En ondertusschen zou ze ons laten staan, waar we staan,

wat veel noodlottiger is dan de ergste illusies. We zijn nu eenmaal zoo,

dat niets ons verder of hooger brengt dan de sprongen onzer dwalingen.

In den grond der zaak zijn we het weinigje, dat we weten, verschuldigd

aan hypotheses, die altijd gewaagd, somtijds onzinnig en voor 't

meerendeel nog minder voorzichtig waren dan die van onzen tijd.

Misschien waren ze onverstandig, doch ze hebben de nasporingen levendig

gehouden. Al was de wachter bij den haard van het hotel der menschheid

blind of heel oud, wat zou het den reiziger deren, die zich verkleumd

naast hem nederzet? Als het vuur onder zijn hoede maar niet is

uitgegaan, dan heeft hij gedaan wat de beste had kunnen doen. Laat ons

dat vuur op anderen overdragen, niet slechts ongeschonden maar ook

verlevendigd, en niets kan dit beter aanwakkeren dan deze hypothese van

de evolutie, die ons noodzaakt al wat daar leeft op de aarde, in haar

binnenste, in de diepten der zeeën en de wijdte der hemelen, met nog

strenger methode en meer onverflauwde belangstelling te ondervragen. Wat

stelt men er tegenover, wat kunnen we in haar plaats aanbieden, als we

haar verwerpen? De openhartige bekentenis van de geleerde onwetendheid,

die zichzelve kent, maar gewoonlijk werkeloos is en de nieuwsgierigheid

verlamt, welke nog noodzakelijker is voor den mensch dan de wijsheid

zelve, of wel de hypothese van de onveranderlijkheid der soort, die nog

minder bewezen is dan de onze, die voor altijd de levende deelen van het

probleem afsnijdt en zich ontdoet van het onverklaarbare door zichzelf

alle onderzoek te ontzeggen.

Het leven der bijen · 第 123 / 136 题