Dit alles kunnen we met onze eigen oogen zien. Men zal moeten toegeven,
dat dit feiten van belang zijn, wel geschikt de meening aan het wankelen
te brengen van degenen, die zichzelf wijs maken, dat in geen enkel
verstand vooruitgang is te bespeuren en iedere toekomst onbewegelijk
vast staat, behalve het verstand en de toekomst des menschen.
Nemen we echter voor een oogenblik de hypothese van de evolutie aan, dan
breidt het tooneel zich uit en het onzekere, grootsche licht daarvan
reikt weldra tot aan ons eigen levenslot. Een onweersprekelijk feit is
het niet, maar voor wie nauwkeurig waarneemt is het moeielijk voorbij te
zien, dat er in de natuur een wil schuilt, die er naar streeft, een deel
der materie tot een teederder en misschien beter staat te verheffen,
haar oppervlak langzamerhand te doordringen van een hoogst geheimzinnig
fluïdum, dat we in den aanvang leven noemen, daarna instinct, en spoedig
daarop verstand; het bestaan van alles, wat leeft voor een onbekend doel
te verzekeren, te organiseeren en te verlichten. Zeker is het niet, maar
vele voorbeelden rondom ons maken ons de veronderstelling aannemelijk,
dat, zoo men de hoeveelheid materie kon schatten, die sedert haren
oorsprong aldus hooger is opgevoerd, men zou bevinden, dat deze
aanhoudend is toegenomen. Ik herhaal het, de opmerking mist alle
vastheid, maar 't is de eenige die we hebben kunnen maken omtrent de
verborgen kracht, die ons leidt; en dat is al veel in een wereld, waar
het onze eerste plicht is, vertrouwen te stellen in het leven, zelfs al
ontdekte men daarin geen enkelen bemoedigenden lichtstraal, en zoolang
er geen zekerheid bestaat voor het tegendeel.
Ik weet al wat men kan aanvoeren tegen de evolutieleer. Ze heeft
talrijke bewijzen en machtige redeneeringen, die echter, waar het er op
aan komt, geen overtuigende kracht hebben. Men moet zich nooit geheel
zonder voorbehoud overgeven aan de nieuw ontdekte waarheden van den tijd
waarin men leeft. Misschien zullen over honderd jaar vrij wat
hoofdstukken, die daarvan doortrokken zijn, juist daardoor verouderd
lijken, even als heden ten dage de werken van de philosophen der vorige
eeuw, met hunnen veel te volmaakten mensch, zooals er geen bestaat, en
verscheidene bladzijden uit de XVIIde eeuw, ontsierd door de idee van
den boozen en kleingeestigen god van de door zooveel ijdelheid en leugen
verdraaide katholieke overlevering.
Nochtans, als men de waarheid omtrent eenige zaak niet te weten kan
komen, dan is het goed de hypothese te aanvaarden, die op het oogenblik
waarin het toeval ons deed geboren worden, zich met den meesten klem aan
het verstand opdringt. Tien tegen één dat ze verkeerd is, doch zoolang
men haar voor waar houdt, is ze nuttig; ze vuurt den moed aan en stuurt
de onderzoekingen in eene nieuwe richting. Op 't eerste gezicht lijkt
het verstandiger, waar men deze vernuftige veronderstellingen wil doen
plaats maken voor iets anders, eenvoudig de diepe waarheid zelve te
zeggen, deze namelijk, dat men niets weet. Doch deze waarheid zou alleen
dan heilzaam zijn, wanneer het was uitgemaakt, dat men nooit iets te
weten zal komen. En ondertusschen zou ze ons laten staan, waar we staan,
wat veel noodlottiger is dan de ergste illusies. We zijn nu eenmaal zoo,
dat niets ons verder of hooger brengt dan de sprongen onzer dwalingen.
In den grond der zaak zijn we het weinigje, dat we weten, verschuldigd
aan hypotheses, die altijd gewaagd, somtijds onzinnig en voor 't
meerendeel nog minder voorzichtig waren dan die van onzen tijd.
Misschien waren ze onverstandig, doch ze hebben de nasporingen levendig
gehouden. Al was de wachter bij den haard van het hotel der menschheid
blind of heel oud, wat zou het den reiziger deren, die zich verkleumd
naast hem nederzet? Als het vuur onder zijn hoede maar niet is
uitgegaan, dan heeft hij gedaan wat de beste had kunnen doen. Laat ons
dat vuur op anderen overdragen, niet slechts ongeschonden maar ook
verlevendigd, en niets kan dit beter aanwakkeren dan deze hypothese van
de evolutie, die ons noodzaakt al wat daar leeft op de aarde, in haar
binnenste, in de diepten der zeeën en de wijdte der hemelen, met nog
strenger methode en meer onverflauwde belangstelling te ondervragen. Wat
stelt men er tegenover, wat kunnen we in haar plaats aanbieden, als we
haar verwerpen? De openhartige bekentenis van de geleerde onwetendheid,
die zichzelve kent, maar gewoonlijk werkeloos is en de nieuwsgierigheid
verlamt, welke nog noodzakelijker is voor den mensch dan de wijsheid
zelve, of wel de hypothese van de onveranderlijkheid der soort, die nog
minder bewezen is dan de onze, die voor altijd de levende deelen van het
probleem afsnijdt en zich ontdoet van het onverklaarbare door zichzelf
alle onderzoek te ontzeggen.