VI.

Zelfs de staatkunde der bijen, heb ik gezegd, staat waarschijnlijk niet

onveranderlijk vast. Dit is het duisterste punt, dat ook het moeilijkst

valt te constateeren. Ik zal niet stilstaan bij de verschillende

manieren, waarop ze hunne koninginnen behandelen, bij de wetten van het

zwermen, die iedere korf voor zichzelf heeft en die blijkbaar van

geslacht op geslacht worden overgeleverd, enz. Doch naast deze feiten,

die nog niet voldoende vaststaan, zijn er andere constante en scherp

omlijnde, die ons doen zien, dat niet alle rassen der honingbij

denzelfden trap van staatkundige ontwikkeling hebben bereikt en dat men

er vindt, waar de publieke opinie zich tastend voortbeweegt en misschien

een andere oplossing zoekt voor het probleem van het koningschap. De

Syrische bij b.v. voedt gemeenlijk honderd twintig koninginnen op en

dikwijls nog meer, terwijl onze _Apis mellifica_ er hoogstens tien of

twaalf groot brengt. Cheshire spreekt van een volstrekt niet abnormalen

Syrischen korf, waarin men een en twintig doode en negentig levende en

vrije koninginnen ontdekte. Hier staan we dus aan het aanvangs- of

eindpunt van een tamelijk vreemde evolutie, waarvan het interessant zou

zijn ze grondig te bestudeeren. Laat ons er nog bijvoegen, dat wat de

koninginnen betreft, de Cyprische bij de Syrische zeer nabij komt. Is

dit een nog eenigszins onzekere terugkeer tot de oligarchie, na de

ervaring opgedaan met de monarchie, tot het moederschap van velen na dat

der ééne? Dit is zeker, dat de Syrische en Cyprische bijen, nauw verwant

met de Egyptische en Italiaansche, waarschijnlijk de eersten zijn, die

door den mensch zijn tam gemaakt. En ten slotte doet een laatste

waarneming ons nóg duidelijker zien, dat de zeden, evenals de

omzichtigheid, die blijkt uit de organisatie van den korf, niet het

resultaat zijn van een oorspronkelijken impuls, werktuigelijk

volgehouden in den loop der eeuwen en de onderscheiden klimaten, maar

dat de geest, die de kleine republiek regeert, alle nieuwe

omstandigheden weet op te merken, er zich naar te voegen en er partij

van te trekken, evenals hij vroeger reeds geleerd had gevaren af te

wenden. Naar Australië of Californië overgebracht, verandert onze zwarte

bij totaal van gewoonten. Reeds van het tweede of derde jaar af leeft

ze, nu ze gezien heeft, dat het daar voortdurend zomer is en de bloemen

haar nooit in den steek laten, van den eenen dag op den anderen,

vergenoegt zich met een zoo geringe hoeveelheid honing en stuifmeel als

voor het dagelijksch voedsel vereischt wordt, en doet zelfs geen

voorraad op voor den winter; zoo winnen hare nieuwe en verstandige

waarnemingen het van hare overgeërfde ervaring[1].

Zelfs kan men haar alleen door haar gaandeweg de vruchten van haar

arbeid af te nemen, in voortdurende werkzaamheid houden.

[1] Een dergelijk feit vindt men opgeteekend bij Büchner, dat eveneens

bewijst, hoe het aanpassen aan de omstandigheden niet iets is van langen

duur, een questie van eeuwen, iets onbewusts en gedwongens, maar

onmiddellijk plaats heeft en met verstandig overleg: In Barbados, waar

ze leven te midden der raffinaderijen, en dus 't geheele jaar door

suiker in overvloed vinden, staken ze totaal het bezoeken der bloemen.

Het leven der bijen · 第 122 / 136 题