En dan in de eerste plaats de belangrijkste en radicaalste verbetering,
die bij den mensch niet mogelijk ware zonder verbazend veel arbeid: de
uitwendige bescherming van de gemeenschap.
De bijen bewonen niet als wij steden onder den blooten hemel,
overgeleverd aan de nukken van wand en storm, doch steden, die geheel
door een beschuttend omhulsel zijn omgeven. In den natuurstaat echter en
in een ideaal klimaat is dit niet zoo. Indien ze slechts gehoor gaven
aan hun dieper instinct, dan zouden ze hunne raten onder den blooten
hemel bouwen. De _Apis Dorsata_ in Indië zoekt niet met voorliefde holle
boomen of rotskloven. De zwerm gaat aan den oksel van een tak hangen, en
de raat wordt gebouwd, de eieren door de koningin gelegd, de provisie
opgestapeld, zonder andere beschutting dan de lichamen der werkbijen
zelf. Somtijds heeft men onze Noordelijke bij wel zien terugkeeren tot
dit instinct en zwermen gevonden, die aldus in de lucht leefden midden
in het struikgewas.[1]
Doch zelfs in Indië heeft deze blijkbaar ingeschapen gewoonte
noodlottige gevolgen. Ze dwingt zulk een groot aantal werkbijen tot
werkeloosheid, wier eenige bezigheid daarin bestaat de noodzakelijke
warmte te onderhouden rondom degenen, die het was bewerken en het
broedsel grootbrengen, dat de _Apis Dorsata_ zoo aan de takken hangend,
maar één enkele raat kan bouwen. De geringste schuilplaats daarentegen
stelt haar in staat er vier, vijf en meer te maken, en vermeerdert in
dezelfde mate de bevolking en de welvaart der kolonie. Alle bijenrassen
der koude en gematigde streken hebben dan ook deze oorspronkelijke
methode bijna, geheel opgegeven. Klaarblijkelijk heeft de natuurlijke
teeltkeus dit verstandig initiatief van het insect begunstigd door
alleen de talrijkste en best beschermde stammen onze winters te doen
overleven.
Wat eerst een denkbeeld was in strijd met het instinct, is langzamerhand
een instinctieve gewoonte geworden. Doch dit neemt niet weg, dat het
oorspronkelijk een zeer koene gedachte was, welke waarschijnlijk
vergezeld ging van allerlei opmerkingen, proefnemingen en redeneeringen,
de geduchte op deze wijze het groote natuurlijke en aanbiddelijke licht
vaarwel te zeggen om zich in de duistere diepten van een boomstam of
grot te vestigen. Men zou bijna kunnen zeggen, dat dit denkbeeld even
gewichtig was voor het verder lot der bijen, als de uitvinding van het
vuur voor dat van het menschelijk geslacht.
[1] Het geval komt zelfs vrij veelvuldig voor bij een tweeden en derden
zwerm, omdat deze minder ervaren en minder voorzichtig zijn dan de
oorspronkelijke zwerm. Ze hebben een jonge en wufte koningin aan het
hoofd en bestaan bijna geheel uit zeer jonge bijen, in wie het
oorspronkelijke instinct zich nog luider doet hooren, daar ze nog niets
weten van de strengheid en de nukken van onzen barbaarschen hemel.
Overigens overleeft geen dezer zwermen de eerste herfstvlagen, en zoo
vermeerderen zij het ontelbaar aantal slachtoffer van de langzame en
raadselachtige proefnemingen der natuur.