IV.

En dan in de eerste plaats de belangrijkste en radicaalste verbetering,

die bij den mensch niet mogelijk ware zonder verbazend veel arbeid: de

uitwendige bescherming van de gemeenschap.

De bijen bewonen niet als wij steden onder den blooten hemel,

overgeleverd aan de nukken van wand en storm, doch steden, die geheel

door een beschuttend omhulsel zijn omgeven. In den natuurstaat echter en

in een ideaal klimaat is dit niet zoo. Indien ze slechts gehoor gaven

aan hun dieper instinct, dan zouden ze hunne raten onder den blooten

hemel bouwen. De _Apis Dorsata_ in Indië zoekt niet met voorliefde holle

boomen of rotskloven. De zwerm gaat aan den oksel van een tak hangen, en

de raat wordt gebouwd, de eieren door de koningin gelegd, de provisie

opgestapeld, zonder andere beschutting dan de lichamen der werkbijen

zelf. Somtijds heeft men onze Noordelijke bij wel zien terugkeeren tot

dit instinct en zwermen gevonden, die aldus in de lucht leefden midden

in het struikgewas.[1]

Doch zelfs in Indië heeft deze blijkbaar ingeschapen gewoonte

noodlottige gevolgen. Ze dwingt zulk een groot aantal werkbijen tot

werkeloosheid, wier eenige bezigheid daarin bestaat de noodzakelijke

warmte te onderhouden rondom degenen, die het was bewerken en het

broedsel grootbrengen, dat de _Apis Dorsata_ zoo aan de takken hangend,

maar één enkele raat kan bouwen. De geringste schuilplaats daarentegen

stelt haar in staat er vier, vijf en meer te maken, en vermeerdert in

dezelfde mate de bevolking en de welvaart der kolonie. Alle bijenrassen

der koude en gematigde streken hebben dan ook deze oorspronkelijke

methode bijna, geheel opgegeven. Klaarblijkelijk heeft de natuurlijke

teeltkeus dit verstandig initiatief van het insect begunstigd door

alleen de talrijkste en best beschermde stammen onze winters te doen

overleven.

Wat eerst een denkbeeld was in strijd met het instinct, is langzamerhand

een instinctieve gewoonte geworden. Doch dit neemt niet weg, dat het

oorspronkelijk een zeer koene gedachte was, welke waarschijnlijk

vergezeld ging van allerlei opmerkingen, proefnemingen en redeneeringen,

de geduchte op deze wijze het groote natuurlijke en aanbiddelijke licht

vaarwel te zeggen om zich in de duistere diepten van een boomstam of

grot te vestigen. Men zou bijna kunnen zeggen, dat dit denkbeeld even

gewichtig was voor het verder lot der bijen, als de uitvinding van het

vuur voor dat van het menschelijk geslacht.

[1] Het geval komt zelfs vrij veelvuldig voor bij een tweeden en derden

zwerm, omdat deze minder ervaren en minder voorzichtig zijn dan de

oorspronkelijke zwerm. Ze hebben een jonge en wufte koningin aan het

hoofd en bestaan bijna geheel uit zeer jonge bijen, in wie het

oorspronkelijke instinct zich nog luider doet hooren, daar ze nog niets

weten van de strengheid en de nukken van onzen barbaarschen hemel.

Overigens overleeft geen dezer zwermen de eerste herfstvlagen, en zoo

vermeerderen zij het ontelbaar aantal slachtoffer van de langzame en

raadselachtige proefnemingen der natuur.

Het leven der bijen · 第 120 / 136 题