II.

Maar het geduld der bijen evenaart dat der menschen niet. Op zekeren

morgen wordt er een wachtwoord in den korf gegeven, het gaat van mond

tot mond, en de vreedzame werkbijen veranderen in rechters en beulen.

Wie het geeft weet men niet; plotseling duikt het op uit de koude en

beredeneerde verontwaardiging der werkbijen, en geheel in den geest der

eenstemmige republiek, vervult het alle harten, zoodra het maar is

uitgesproken. Dien dag ziet een deel van het volk van het honingzoeken

af, om zich aan het werk der gerechtigheid te wijden. De dikke luiaards,

die daar in trossen bijeen onbekommerd zitten te slapen op de

honingdragende wanden, worden plotseling gewekt door een leger woedende

maagden. Ze ontwaken schijnheilig en onzeker, gelooven hunne oogen niet,

en slechts met moeite breekt hun verbazing zich baan door hun luiheid

heen, als een straal der maan door het water van een moeras. Ze

verbeelden zich, dat ze het slachtoffer zijn van een misverstand, zien

met verbazing om zich heen, en daar de grondidee van hun leven in hunne

dikke hersenen het eerst weer opleeft, doen ze een schrede in de

richting van de honingcellen om zich daar te versterken. Maar ze zijn

voorbij, de dagen van den Mei-honing, van den bloemen-wijn der linden,

van de zoo gemakkelijk te verkrijgen ambrozijn der salie, van thijm,

marjolijn en witte klaver. In plaats van den vrijen toegang tot die

heerlijke volle reservoirs, die dadelijk bij de aanraking hunner lippen

hunnen lekkeren en zoeten voorraad openstelden, zien ze een brandend

braambosch om zich heen van tegen hen gerichte vergiftigde angels. De

geheele atmosfeer der stad is veranderd. De weldoende geur van den

nektar heeft plaats gemaakt voor den scherpen reuk van 't venijn,

waarvan duizenden droppeltjes aan het uiteinde der angels hangen, en

wrok en haat voortplanten. Vóór hij zich nog rekenschap heeft gegeven

van den ongehoorden ommekeer in zijn weelderig bestaan, door het

omverwerpen van al die heerlijke wetten der stad, ziet ieder der

ontstelde parasieten zich aangevallen door drie of vier dienaressen der

gerechtigheid, die hun best doen zijn vleugels af te snijden, het dunne

steeltje door te zagen, dat het achterlijf met het borststuk verbindt,

de trillende sprieten te verwijderen, de pooten te ontwrichten, en een

opening te vinden tusschen de ringen van het harnas, om hun zwaard

daarin te steken. In al hun grootte toch ongewapend, niet in 't bezit

van een angel, denken ze aan geen verdediging, en trachten zich uit de

voeten te maken, of stellen hunne logge massa tegenover de stooten der

aanvallers. Op den rug liggend, houden ze met hunne krachtige pooten op

onhandige wijze hunne vijandinnen vast, doch deze houden vol; of wel al

rondwentelend sleepen ze de heele groep mee in een dollen rondedans, tot

ze weldra uitgeput blijven liggen. Na verloop van korten tijd verkeeren

ze in zóó deerniswaardigen toestand, dat het medelijden, hetwelk in de

diepste diepte van ons hart nooit zoo heel ver van de gerechtigheid

afstaat, haastig terugkeert en--doch te vergeefs--gratie zou willen

vragen aan de hardvochtige werkbijen, die enkel de diepe en dorre wet

der natuur kennen. De vleugels der ongelukkigen zijn doorboord, hunne

pooten uitgerukt, hunne sprieten afgeknaagd, en hunne prachtige zwarte

oogen, waarin de weelderige bloemen zich afspiegelden, waarin 't azuur

en de onschuldige aanmatiging van den zomer weerkaatsten, geven nu,

verzacht door het lijden, enkel een beeld te zien van wanhoop en van

angst voor het einde. Sommigen bezwijken aan hunne wonden en worden

onmiddellijk door twee of drie hunner beulen naar de verwijderde

begraafplaats gedragen. Anderen, die nog niet zoo erg zijn gekwetst,

weten zich in een hoek te verschansen, waar ze zich allen op elkaar

hoopen en waar een onverbiddelijke wacht hen houdt ingesloten tot ze van

gebrek omkomen. Velen slagen er in de poort te bereiken en met hunne

tegenpartij in de ruimte te ontwijken; tegen den avond echter komen ze,

door honger en koude gedreven, bij massa's naar den ingang van den korf

om een schuilplaats af te smeeken. Daar vinden ze opnieuw een

onverbiddelijke wacht. Den volgenden morgen houden de werkbijen

opruiming voor de poort, waar de lijken der reuzen liggen opgestapeld

die tot niets nut waren, en de herinnering aan dit ras van leegloopers

wordt in de stad totaal uitgewischt tot aan de volgende lente.

Het leven der bijen · 第 113 / 136 题