Maar het geduld der bijen evenaart dat der menschen niet. Op zekeren
morgen wordt er een wachtwoord in den korf gegeven, het gaat van mond
tot mond, en de vreedzame werkbijen veranderen in rechters en beulen.
Wie het geeft weet men niet; plotseling duikt het op uit de koude en
beredeneerde verontwaardiging der werkbijen, en geheel in den geest der
eenstemmige republiek, vervult het alle harten, zoodra het maar is
uitgesproken. Dien dag ziet een deel van het volk van het honingzoeken
af, om zich aan het werk der gerechtigheid te wijden. De dikke luiaards,
die daar in trossen bijeen onbekommerd zitten te slapen op de
honingdragende wanden, worden plotseling gewekt door een leger woedende
maagden. Ze ontwaken schijnheilig en onzeker, gelooven hunne oogen niet,
en slechts met moeite breekt hun verbazing zich baan door hun luiheid
heen, als een straal der maan door het water van een moeras. Ze
verbeelden zich, dat ze het slachtoffer zijn van een misverstand, zien
met verbazing om zich heen, en daar de grondidee van hun leven in hunne
dikke hersenen het eerst weer opleeft, doen ze een schrede in de
richting van de honingcellen om zich daar te versterken. Maar ze zijn
voorbij, de dagen van den Mei-honing, van den bloemen-wijn der linden,
van de zoo gemakkelijk te verkrijgen ambrozijn der salie, van thijm,
marjolijn en witte klaver. In plaats van den vrijen toegang tot die
heerlijke volle reservoirs, die dadelijk bij de aanraking hunner lippen
hunnen lekkeren en zoeten voorraad openstelden, zien ze een brandend
braambosch om zich heen van tegen hen gerichte vergiftigde angels. De
geheele atmosfeer der stad is veranderd. De weldoende geur van den
nektar heeft plaats gemaakt voor den scherpen reuk van 't venijn,
waarvan duizenden droppeltjes aan het uiteinde der angels hangen, en
wrok en haat voortplanten. Vóór hij zich nog rekenschap heeft gegeven
van den ongehoorden ommekeer in zijn weelderig bestaan, door het
omverwerpen van al die heerlijke wetten der stad, ziet ieder der
ontstelde parasieten zich aangevallen door drie of vier dienaressen der
gerechtigheid, die hun best doen zijn vleugels af te snijden, het dunne
steeltje door te zagen, dat het achterlijf met het borststuk verbindt,
de trillende sprieten te verwijderen, de pooten te ontwrichten, en een
opening te vinden tusschen de ringen van het harnas, om hun zwaard
daarin te steken. In al hun grootte toch ongewapend, niet in 't bezit
van een angel, denken ze aan geen verdediging, en trachten zich uit de
voeten te maken, of stellen hunne logge massa tegenover de stooten der
aanvallers. Op den rug liggend, houden ze met hunne krachtige pooten op
onhandige wijze hunne vijandinnen vast, doch deze houden vol; of wel al
rondwentelend sleepen ze de heele groep mee in een dollen rondedans, tot
ze weldra uitgeput blijven liggen. Na verloop van korten tijd verkeeren
ze in zóó deerniswaardigen toestand, dat het medelijden, hetwelk in de
diepste diepte van ons hart nooit zoo heel ver van de gerechtigheid
afstaat, haastig terugkeert en--doch te vergeefs--gratie zou willen
vragen aan de hardvochtige werkbijen, die enkel de diepe en dorre wet
der natuur kennen. De vleugels der ongelukkigen zijn doorboord, hunne
pooten uitgerukt, hunne sprieten afgeknaagd, en hunne prachtige zwarte
oogen, waarin de weelderige bloemen zich afspiegelden, waarin 't azuur
en de onschuldige aanmatiging van den zomer weerkaatsten, geven nu,
verzacht door het lijden, enkel een beeld te zien van wanhoop en van
angst voor het einde. Sommigen bezwijken aan hunne wonden en worden
onmiddellijk door twee of drie hunner beulen naar de verwijderde
begraafplaats gedragen. Anderen, die nog niet zoo erg zijn gekwetst,
weten zich in een hoek te verschansen, waar ze zich allen op elkaar
hoopen en waar een onverbiddelijke wacht hen houdt ingesloten tot ze van
gebrek omkomen. Velen slagen er in de poort te bereiken en met hunne
tegenpartij in de ruimte te ontwijken; tegen den avond echter komen ze,
door honger en koude gedreven, bij massa's naar den ingang van den korf
om een schuilplaats af te smeeken. Daar vinden ze opnieuw een
onverbiddelijke wacht. Den volgenden morgen houden de werkbijen
opruiming voor de poort, waar de lijken der reuzen liggen opgestapeld
die tot niets nut waren, en de herinnering aan dit ras van leegloopers
wordt in de stad totaal uitgewischt tot aan de volgende lente.