Dikwijls heeft die moord op denzelfden dag in een groot aantal kolonies
van den bijenstand plaats. De rijkste en de best bestuurde geven het
sein. Eenige dagen daarna volgen de minder voorspoedige republieken hun
voorbeeld. Alleen de armste en zwakste volken, die wier moeder zeer oud
en bijna onvruchtbaar is, onderhouden hunne mannetjes tot aan den
winter, daar zij de hoop niet willen opgeven, de maagdelijke koningin,
die ze verwachten en die nog kan geboren worden, bevrucht te zien. Dan
komt de onvermijdelijke ellende, en de gansche stam, moeder, parasieten
en werkbijen voegt zich bijeen tot een hongerige groep, die elkaar eng
omvat houdt en nog vóór de eerste sneeuw in de duisternis van den korf
in alle stilte omkomt.
Na 't voltrekken van het vonnis aan de leegloopers wordt in de bevolkte
en rijke steden de arbeid hervat, doch met afnemenden ijver, want reeds
wordt het honingsap zeldzamer. Met de groote feestelijkheden en de
groote drama's is het gedaan. Het wonderbaar lichaam, waarin myriaden
zielen zich tot slingers aaneensloten, het edel monster zonder slaap,
zich voedend met bloemen en lucht, de roemrijke korf der schoone
Juli-dagen, slaapt langzamerhand in, en zijn warme adem vol geuren
begint langzamer te gaan en verstijft. Toch wordt nog de herfst-honing
opgestapeld in de voedende wanden om den noodzakelijken voorraad
volledig te maken, en de laatste vergaarbakken worden verzegeld met het
onschendbaar zegel der witte was. Men houdt op met bouwen, het aantal
geboorten vermindert, dat der dooden neemt toe, de nachten worden langer
en de dagen korter. De meedoogenlooze regens en windvlagen, de nevelen
van den ochtend, de hinderlagen van de te vroeg invallende duisternis
rapen honderden werksters weg, die niet weerkeeren, en het gansche
volkje, dat even begeerig haakt naar zonneschijn als de krekels van
Attica, voelt de koude bedreiging van den winter op zich neerdalen.
De mensch heeft zijn aandeel aan den oogst reeds weg. Iedere goede korf
heeft hem tachtig of honderd pond honing opgeleverd, en de
allervoortreffelijkste geven er soms twee honderd, enorme vlakten
vloeibaar licht vertegenwoordigend, groote velden met bloemen, die één
voor één moesten worden bezocht, een duizendtal per dag. Nu werpt hij
een laatsten blik op de kolonies, die op 't punt staan te verstijven.
Aan de rijksten ontneemt hij hunne overvloedige schatten om ze uit te
deelen aan die anderen, die in deze werkzame wereld zijn verarmd door
steeds onverdiende rampen. Hij dekt de woningen warm toe, neemt de
nuttelooze lijken weg en laat de bijen over aan hun grooten winterslaap.
Dan verzamelen ze zich in 't midden van den korf, klemmen zich aan
elkaar vast en gaan hangen aan de raten, die de getrouwe urnen bevatten,
waaruit in de dagen van ijzige koude, de vervormde substantie van den
zomer zal te voorschijn komen. Midden in bevindt zich de koningin,
omgeven door haar wacht. De eerste rij werkbijen klampt zich vast aan de
verzegelde cellen, een tweede rij dekt hen, en wordt op hare beurt door
een derde overdekt, en zoo gaat het voort tot de laatste, die het
omhulsel vormt. Wanneer deze buitenste bijen voelen, dat de koude hen
bevangt, gaan ze terug binnen in de massa, en worden door andere
afgewisseld, en zoo alle om beurten. De hangende massa gelijkt op een
roodbruinen, lauwwarmen bol, die door de honingwanden wordt gesneden, en
die bijna onmerkbaar stijgt of daalt, vooruit of achteruit gaat naar
gelang de cellen, waaraan hij zich vasthoudt, leeg raken. Want, in
tegenspraak met wat men gewoonlijk meent, vertraagt het leven der bijen
in den winter wel, doch het staat niet stil[1]. Door de eenparige
beweging hunner vleugeltjes, de in leven gebleven zusjes van het
zonnevuur, die sneller of langzamer gaan al naar de wisseling in de
temperatuur daar buiten, onderhouden ze daar binnen in hunnen bol een
gelijkmatige warmte overeenkomende met die van een lente-dag. Deze
geheime lente spruit voort uit den heerlijken honing, zelf in vroeger
tijd getransformeerd uit een zonnestraal, en die nu tot zijne
oorspronkelijke gedaante terugkeert. Hij vloeit door den bol heen als
het weldadig bloed. De bijen, die op de boordevolle cellen zitten,
bieden hem aan hunne naaste buren aan, en deze op hunne beurt weer aan
anderen. Zoo gaat hij van poot tot poot en van mond tot mond, tot hij de
verst verwijderde bereikt van de groep, die slechts ééne gedachte heeft,
en wier leven verscheiden is en toch één in duizenden harten. Hij
vervult de plaats van zon en bloemen, tot zijn oudere zuster, de
werkelijke zon van de echte volle lente, door de poort hare eerste zoele
blikken werpt, waaronder viooltjes en anemonen herleven, en zachtjes de
werkbijen wekt, om hen te doen zien, dat het azuur zijne plaats in de
wereld heeft heroverd, en dat de cirkel zonder einde, die den dood aan
het leven verbindt, weder een wenteling om zijne as heeft volbracht en
nieuw leven ontvangen.
[1] Een flinke korf verteert gewoonlijk gedurende de inwintering, die in
onze streken ongeveer zes maanden duurt, namelijk van October tot begin
April, twintig à dertig pond honing.