III.

Dikwijls heeft die moord op denzelfden dag in een groot aantal kolonies

van den bijenstand plaats. De rijkste en de best bestuurde geven het

sein. Eenige dagen daarna volgen de minder voorspoedige republieken hun

voorbeeld. Alleen de armste en zwakste volken, die wier moeder zeer oud

en bijna onvruchtbaar is, onderhouden hunne mannetjes tot aan den

winter, daar zij de hoop niet willen opgeven, de maagdelijke koningin,

die ze verwachten en die nog kan geboren worden, bevrucht te zien. Dan

komt de onvermijdelijke ellende, en de gansche stam, moeder, parasieten

en werkbijen voegt zich bijeen tot een hongerige groep, die elkaar eng

omvat houdt en nog vóór de eerste sneeuw in de duisternis van den korf

in alle stilte omkomt.

Na 't voltrekken van het vonnis aan de leegloopers wordt in de bevolkte

en rijke steden de arbeid hervat, doch met afnemenden ijver, want reeds

wordt het honingsap zeldzamer. Met de groote feestelijkheden en de

groote drama's is het gedaan. Het wonderbaar lichaam, waarin myriaden

zielen zich tot slingers aaneensloten, het edel monster zonder slaap,

zich voedend met bloemen en lucht, de roemrijke korf der schoone

Juli-dagen, slaapt langzamerhand in, en zijn warme adem vol geuren

begint langzamer te gaan en verstijft. Toch wordt nog de herfst-honing

opgestapeld in de voedende wanden om den noodzakelijken voorraad

volledig te maken, en de laatste vergaarbakken worden verzegeld met het

onschendbaar zegel der witte was. Men houdt op met bouwen, het aantal

geboorten vermindert, dat der dooden neemt toe, de nachten worden langer

en de dagen korter. De meedoogenlooze regens en windvlagen, de nevelen

van den ochtend, de hinderlagen van de te vroeg invallende duisternis

rapen honderden werksters weg, die niet weerkeeren, en het gansche

volkje, dat even begeerig haakt naar zonneschijn als de krekels van

Attica, voelt de koude bedreiging van den winter op zich neerdalen.

De mensch heeft zijn aandeel aan den oogst reeds weg. Iedere goede korf

heeft hem tachtig of honderd pond honing opgeleverd, en de

allervoortreffelijkste geven er soms twee honderd, enorme vlakten

vloeibaar licht vertegenwoordigend, groote velden met bloemen, die één

voor één moesten worden bezocht, een duizendtal per dag. Nu werpt hij

een laatsten blik op de kolonies, die op 't punt staan te verstijven.

Aan de rijksten ontneemt hij hunne overvloedige schatten om ze uit te

deelen aan die anderen, die in deze werkzame wereld zijn verarmd door

steeds onverdiende rampen. Hij dekt de woningen warm toe, neemt de

nuttelooze lijken weg en laat de bijen over aan hun grooten winterslaap.

Dan verzamelen ze zich in 't midden van den korf, klemmen zich aan

elkaar vast en gaan hangen aan de raten, die de getrouwe urnen bevatten,

waaruit in de dagen van ijzige koude, de vervormde substantie van den

zomer zal te voorschijn komen. Midden in bevindt zich de koningin,

omgeven door haar wacht. De eerste rij werkbijen klampt zich vast aan de

verzegelde cellen, een tweede rij dekt hen, en wordt op hare beurt door

een derde overdekt, en zoo gaat het voort tot de laatste, die het

omhulsel vormt. Wanneer deze buitenste bijen voelen, dat de koude hen

bevangt, gaan ze terug binnen in de massa, en worden door andere

afgewisseld, en zoo alle om beurten. De hangende massa gelijkt op een

roodbruinen, lauwwarmen bol, die door de honingwanden wordt gesneden, en

die bijna onmerkbaar stijgt of daalt, vooruit of achteruit gaat naar

gelang de cellen, waaraan hij zich vasthoudt, leeg raken. Want, in

tegenspraak met wat men gewoonlijk meent, vertraagt het leven der bijen

in den winter wel, doch het staat niet stil[1]. Door de eenparige

beweging hunner vleugeltjes, de in leven gebleven zusjes van het

zonnevuur, die sneller of langzamer gaan al naar de wisseling in de

temperatuur daar buiten, onderhouden ze daar binnen in hunnen bol een

gelijkmatige warmte overeenkomende met die van een lente-dag. Deze

geheime lente spruit voort uit den heerlijken honing, zelf in vroeger

tijd getransformeerd uit een zonnestraal, en die nu tot zijne

oorspronkelijke gedaante terugkeert. Hij vloeit door den bol heen als

het weldadig bloed. De bijen, die op de boordevolle cellen zitten,

bieden hem aan hunne naaste buren aan, en deze op hunne beurt weer aan

anderen. Zoo gaat hij van poot tot poot en van mond tot mond, tot hij de

verst verwijderde bereikt van de groep, die slechts ééne gedachte heeft,

en wier leven verscheiden is en toch één in duizenden harten. Hij

vervult de plaats van zon en bloemen, tot zijn oudere zuster, de

werkelijke zon van de echte volle lente, door de poort hare eerste zoele

blikken werpt, waaronder viooltjes en anemonen herleven, en zachtjes de

werkbijen wekt, om hen te doen zien, dat het azuur zijne plaats in de

wereld heeft heroverd, en dat de cirkel zonder einde, die den dood aan

het leven verbindt, weder een wenteling om zijne as heeft volbracht en

nieuw leven ontvangen.

[1] Een flinke korf verteert gewoonlijk gedurende de inwintering, die in

onze streken ongeveer zes maanden duurt, namelijk van October tot begin

April, twintig à dertig pond honing.

Het leven der bijen · 第 114 / 136 题