Als na de bevruchting der koningin de hemel helder en de lucht warm
blijft, als er overvloedig stuifmeel en honingsap in de bloemen is, dan
dulden de werkbijen door een soort van vergeetachtige toegevendheid, of
misschien uit overmaat van voorzichtigheid, de lastige en schadelijke
aanwezigheid der darren nog eenigen tijd.--Deze gedragen zich in den
korf evenals de vrijers van Penelope in het huis van Ulysses. Ze slempen
en maken goede sier, ze leiden een werkeloos leven als verkwistende,
onkiesche eere-minnaars: welvoldaan, dik en vet, de wegen vullend, den
doortocht versperrend, den arbeid belemmerend, duwend en geduwd,
gewichtig doende, opgeblazen door een onverstandige en onschadelijke
minachting, zelven echter geminacht met verstand en nevenbedoeling,
onbewust van de toenemende verbittering en het lot dat hun te wachten
staat. Ze kiezen het lekkerste hoekje van de woning uit om er op hun
gemak te gaan sluimeren, staan nonchalant op om op de open cellen zelf
van den geurigsten honing te smullen en bevuilen de raten, die ze
bezoeken, met hunne uitwerpselen. De geduldige werkbijen herstellen
stilletjes de schade, met het oog op de toekomst. Tusschen twaalf en
drie uur, wanneer het blauwende landschap van een aangename matheid
trilt onder den onweerstaanbaren blik van een Juli- of Augustus-zon,
vertoonen ze zich voor de poort. Ze hebben een helm op van groote zwarte
kralen, twee hooge bewegelijke vederbossen, een overkleed van roodbruin
fluweel, met lichte plekken, een helden-vacht, een viervoudigen,
deftigen en doffen mantel. Ze maken een verbazend lawaai, verwijderen de
schildwachten, gooien de waaistertjes om, en loopen de werkbijen omver,
die beladen met hun nederigen buit terugkeeren. Ze hebben de drukke,
overdreven en onverdraagzame manieren van onmisbare goden, die met veel
drukte uitgaan voor eenig doel, waarvan het plebs niet weet. Een voor
een wagen ze zich in de ruimte, pralend en onweerstaanbaar, en gaan
kalmpjes zitten op de naastbijzijnde bloemen, waarop ze inslapen tot ze
gewekt worden door de koelte van den namiddag. Dan komen ze met dezelfde
drukte en meesterachtigheid weer terug, en altijd vol van datzelfde
groote doel, waarvan niets uitlekt, ijlen ze naar de voorraadschuur,
dompelen hun kop tot aan den hals in de vaten met honing om de verloren
krachten te herwinnen, zoodat ze opzwellen als groote wijnzakken, en
keeren terug naar dien slaap zonder droom en zonder zorgen, die hen
bevangen houdt tot aan den volgenden maaltijd.