XI

"Laat ons nader treden. Begrijpt ge nu, wat dat gezang was dat zoo

schoon in 't gebladerte der boomen? Het wordt gevormd door ruwe woorden

en vloeken; en de uitbarstingen van lachen, die we hooren, worden

teweeggebracht doordat een man of eene vrouw met vuil werpt of wel dat

men den zwakkere uitlacht, den gebochelde, die zijn vracht niet kan

beuren, den manke, dien men omstoot, den idioot, dien men uitscheldt.

Ik heb ze al verscheidene jaren waargenomen. We zijn in Normandië, de

bodem is vet en willig. Rondom dezen schelf heerscht meerdere welvaart

dan elders rondom dergelijke tafereeltjes. Bijgevolg zijn de meeste

mannen en vele vrouwen eveneens alcoholisten. Nog een ander gif, dat ik

niet behoef te noemen, vreet in dit geslacht in. Daaraan en aan den

alcohol hebben we zulke kinderen te danken, als ge voor uwe oogen ziet,

dien dwerg, dien klierachtige, dien krombeen, dien hazelip, dat

waterhoofd. Allen hebben ze, de mannen en vrouwen, ouden en jongen, de

gewone ondeugden van den boer; ze zijn brutaal, huichelachtig,

leugenachtig, diefachtig, kwaadsprekend, wantrouwend, jaloersch en zeer

gemakkelijk te vinden voor oneerlijke voordeeltjes, gemeene

uitleggingen, vleierij van den sterkste. De noodzakelijkheid houdt hen

bijeen en dwingt hen elkaar te helpen, maar ieders geheime wensch is,

elkaar nadeel toe te brengen, zoodra ze het zonder gevaar doen kunnen.

Het ongeluk van een ander is het eenige echte genoegen in het dorp. Een

groote ramp is er een onderwerp van heimelijk genot, dat nog lang

nawerkt. Ze bespionneeren, benijden, verachten en haten elkaar. Zoolang

ze arm zijn, koesteren ze een steeds weer aangewakkerden en stillen

wrok, en zoo zij op hunne beurt dienstboden hebben, dan maken ze gebruik

van hun eigen ervaringen op dit gebied, om de hardheid en vrekkigheid,

waaronder zij geleden hebben, in nog erger mate in praktijk te brengen.

Ik zou u allerlei kunnen vertellen van de kleinzieligheid, het bedrog,

de heerschzucht, de onrechtvaardigheid, den haat, die hen vervult bij

dien arbeid, waarover de ruime hemel, waarover vrede ligt uitgespreid.

Meen niet, dat het gezicht van dien bewonderenswaardigen hemel of van

die zee, die achter de kerk een anderen hemel uitspant, welke over de

aarde vloeit als een groote spiegel van kennis en wijsheid, meen niet

dat deze hun blik ruimer of hooger maken. Ze kijken er nooit naar. Niets

vervult hunne gedachten of brengt ze in beroering, dan drie of vier

bepaalde dingen, waar ze bang voor zijn; ze vreezen den honger, de

macht, de openbare meening en de wet, en de hel in de ure van hunnen

dood. Om te laten zien, hoe ze zijn, zou men ze één voor één moeten

nemen. Daar hebt ge b.v. dien langen daar links, die er zoo joviaal

uitziet en zulke mooie schoven bindt. Nu, verleden zomer werd door zijn

vrienden zijn rechterarm gebroken bij een standje in de herberg. Ik heb

de breuk, een leelijke en gecompliceerde, hersteld. Ik heb hem langen

tijd verpleegd, heb voor zijn levensonderhoud gezorgd, tot hij het werk

weer kon hervatten. Dagelijks kwam hij bij mij. Daarvan heeft hij

geprofiteerd om in het dorp te verspreiden, dat hij mij eenmaal verrast

had in de armen mijner schoonzuster, en dat mijn moeder dronk. Hij is

niet slecht, hij is niet boos op mij; integendeel, zie maar, er komt een

oprecht gemeende glimlach op zijn gelaat, nu hij mij ziet. Evenmin wordt

hij daartoe gedreven door socialen haat; de boer haat den rijke niet,

hij heeft veel te veel respekt voor den rijkdom. Maar ik houd het er

voor, dat de goede man niet begreep, waarom ik zooveel zorg voor hem zou

dragen zonder er voordeel bij te hebben. Hij vermoedt dat daar iets

achter zit, en wil daar niet de dupe van worden. Vóór hem had menigeen,

rijk of arm, hetzelfde gedaan of nog erger. Hij dacht niet te liegen met

het verspreiden dezer verzinsels, hij gaf gehoor aan een vaag bevel van

de zedelijkheid rondom hem. Hij gehoorzaamde zonder het te weten, en om

zoo te zeggen zijns ondanks, aan den machtigen wensch van de algemeene

kwaadsprekendheid.... Maar waarom een tooneel verder uit te werken, dat

voor ieder, die eenige jaren op het land heeft gewoond, een bekende zaak

is. Dit hier is de tweede schijn, die door het meerendeel der menschen

de waarheid genoemd wordt. Het is de waarheid van het noodzakelijk

leven. Dit is zeker, dat ze berust op zeer nauwkeurige feiten, de

eenige, die door iederen mensch kunnen worden waargenomen en beleefd."

Het leven der bijen · 第 108 / 136 题