XII.

"Laten we op deze korenschoven gaan zitten," vervolgde hij, "en nog eens

om ons heen zien. Laten we geen dier kleine feiten afwijzen, die de

werkelijkheid vormen, waarvan ik sprak. Ze moeten maar uit zich zelf in

de verte verdwijnen. Ze staan daar vooraan in den weg, doch we moeten

erkennen, dat er zich een geduchte, bewonderenswaardige kracht achter

bevindt vindt, die 't geheel in stand houdt. Is 't enkel in stand

houden, voert ze het niet steeds hooger? De menschen, die we hier voor

oogen hebben, zijn toch niet meer geheel en al wilde dieren, zooals bij

La Bruyère, "die een soort van gearticuleerde stem hadden, en zich des

nachts in laden terugtrokken, waar ze leefden van zwart brood, water en

wortels...."

"Het ras is minder sterk en minder gezond," zult gij zeggen, 't is

mogelijk; de alcohol en die andere geesel zijn rampen, die de menschheid

moet te boven komen, misschien wel beproevingen, welke aan sommige onzer

organen, die van het zenuwstelsel b.v., ten goede zullen komen; want we

zien steeds, dat het leven voordeel trekt uit het kwaad, dat het

overwint. Bovendien zal een kleinigheid, die morgen misschien reeds

gevonden wordt, voldoende zijn om ze onschadelijk te maken. Dat is dus

niet de reden waarom we onzen blik zoo laag bij den grond moeten houden.

Deze menschen hebben gedachten en gevoelens, welke die van La Bruyère

nog niet hadden.--"Nog liever het eenvoudige, naakte beest, dan dat

afschuwelijke half-beest." mompelde ik.--"Zoo spreekt ge onder den

invloed van dien eersten schijn, dien der dichters, waarover we

gesproken hebben," hernam hij; "laten we dien niet verwarren met dien,

welke we nu onderzoeken. Deze gedachten en gevoelens zijn gering en

laag, zoo ge wilt, maar wat gering en laag is, is reeds beter dan 't

geen niet is. Zij gebruiken ze voor weinig anders dan om elkander te

benadeelen en even middelmatig te blijven als ze zijn; maar zoo gaat het

dikwijls in de natuur. Van de gaven, die zij verleent, bedient men zich

aanvankelijk enkel voor het kwade om slechter te maken, wat zij scheen

te willen verbeteren; maar ten slotte is altijd een of ander goed het

gevolg van al dat kwaad. Overigens wil ik volstrekt den vooruitgang niet

bewijzen; al naar de plaats, waarop men zich bevindt, is het iets heel

kleins of heel groots. Den toestand der menschen iets minder

afhankelijk, iets minder moeielijk maken is een belangrijk punt,

misschien het zekerst ideaal; maar beschouwd met een geest, die zich

voor een oogenblik heeft losgemaakt van de materieele gevolgen, is de

afstand tusschen den man, die aan de spits gaat van den vooruitgang, en

hem, die zich blindelings voortsleept achteraan, uiterst gering. Onder

deze jonge boeren, wier hersenen slechts met vormelooze ideeën zijn

gevuld, zijn er verscheidene, bij wie het mogelijk is in korten tijd

dienzelfden graad van bewustheid te verkrijgen, waarin wij beiden leven.

Men is vaak getroffen door de kleine tusschenruimte, die de volgens ons

idee volslagen onbewustheid dezer lieden scheidt van de bewustheid, die

men voor de hoogste houdt.

En bovendien, waaruit bestaat ze eigenlijk, die bewustheid, waar we zoo

trotsch op zijn? Uit veel meer schaduw dan licht, uit veel meer

verworven onkunde dan kennis, uit veel meer dingen, waarvan we weten,

dat we er maar van moeten afzien ze te leeren kennen, dan dingen, die

wij kennen. En toch bestaat daarin onze gansche waardigheid, onze meest

reëele grootheid, en is zij waarschijnlijk het verrassendste

verschijnsel ter wereld. Zij is het, die ons veroorlooft het hoofd op te

heffen waar we staan tegenover het onbekend principe, en te zeggen: Ik

ken u niet, maar iets in mij houdt u reeds omvat. Ge zult mij misschien

vernietigen, maar zoo dat niet gebeurt om uit mijn overblijfselen een

beter organisme dan het mijne te vormen, dan toont ge minder te zijn dan

ik, en de stilte, die dan volgen zal op den dood van de soort, waartoe

ik behoor, zal u verkondigen, dat ge geoordeeld zijt. En als ge zelfs

niet in staat zijt u er om te bekommeren of ge al of niet rechtvaardig

wordt beoordeeld, wat beteekent dan uw geheim? We zijn er niet meer op

gesteld, het te doorgronden, het moet onbeduidend en leelijk zijn. Ge

hebt bij toeval een wezen voortgebracht, dat ge niet de bevoegdheid hadt

voort te brengen. 't Is maar gelukkig voor hem, dat ge 't door een ander

toeval weer hebt uit den weg geruimd, vóór het nog de diepte van uwe

onbewustheid had gepeild, en nog gelukkiger, dat het niet de eindelooze

reeks uwer proefnemingen heeft overleefd. Het hoorde niet thuis in een

wereld, waarin zijn intellect geen weerklank vond bij een eeuwig

intellect, waarin zijn verlangen naar het betere hem geen enkel

wezenlijk goed kon doen bereiken.

"Nogmaals, vooruitgang is niet noodig om ons warm te maken voor dit

schouwspel. Daartoe is het raadsel al voldoende, en dit raadsel is even

groot en heeft een even geheimzinnigen glans in die boeren als in ons.

Overal vindt men het, als men het leven volgt tot in zijn almachtig

principe. Van eeuw tot eeuw wijzigen we de benaming van dit principe.

Somtijds had het namen, die duidelijk en ook troostrijk waren; men heeft

ingezien, dat die troost en die duidelijkheid zinsbedrog waren. Maar of

we het God noemen of Voorzienigheid, Natuur, Toeval, Leven, Noodlot, het

mysterie blijft hetzelfde en al wat de ervaring van duizenden jaren ons

heeft kunnen leeren, is dien naam omvattender te maken, dichter bij ons

staande, buigzamer, geschikter voor het verwachte en het onverwachte.

Dezen draagt het tegenwoordig, en daarom leek het nooit grooter dan nu.

En hier hebt ge een der tallooze vormen van den derden schijn, en dat is

de laatste waarheid."

Het leven der bijen · 第 109 / 136 题