"Laten we op deze korenschoven gaan zitten," vervolgde hij, "en nog eens
om ons heen zien. Laten we geen dier kleine feiten afwijzen, die de
werkelijkheid vormen, waarvan ik sprak. Ze moeten maar uit zich zelf in
de verte verdwijnen. Ze staan daar vooraan in den weg, doch we moeten
erkennen, dat er zich een geduchte, bewonderenswaardige kracht achter
bevindt vindt, die 't geheel in stand houdt. Is 't enkel in stand
houden, voert ze het niet steeds hooger? De menschen, die we hier voor
oogen hebben, zijn toch niet meer geheel en al wilde dieren, zooals bij
La Bruyère, "die een soort van gearticuleerde stem hadden, en zich des
nachts in laden terugtrokken, waar ze leefden van zwart brood, water en
wortels...."
"Het ras is minder sterk en minder gezond," zult gij zeggen, 't is
mogelijk; de alcohol en die andere geesel zijn rampen, die de menschheid
moet te boven komen, misschien wel beproevingen, welke aan sommige onzer
organen, die van het zenuwstelsel b.v., ten goede zullen komen; want we
zien steeds, dat het leven voordeel trekt uit het kwaad, dat het
overwint. Bovendien zal een kleinigheid, die morgen misschien reeds
gevonden wordt, voldoende zijn om ze onschadelijk te maken. Dat is dus
niet de reden waarom we onzen blik zoo laag bij den grond moeten houden.
Deze menschen hebben gedachten en gevoelens, welke die van La Bruyère
nog niet hadden.--"Nog liever het eenvoudige, naakte beest, dan dat
afschuwelijke half-beest." mompelde ik.--"Zoo spreekt ge onder den
invloed van dien eersten schijn, dien der dichters, waarover we
gesproken hebben," hernam hij; "laten we dien niet verwarren met dien,
welke we nu onderzoeken. Deze gedachten en gevoelens zijn gering en
laag, zoo ge wilt, maar wat gering en laag is, is reeds beter dan 't
geen niet is. Zij gebruiken ze voor weinig anders dan om elkander te
benadeelen en even middelmatig te blijven als ze zijn; maar zoo gaat het
dikwijls in de natuur. Van de gaven, die zij verleent, bedient men zich
aanvankelijk enkel voor het kwade om slechter te maken, wat zij scheen
te willen verbeteren; maar ten slotte is altijd een of ander goed het
gevolg van al dat kwaad. Overigens wil ik volstrekt den vooruitgang niet
bewijzen; al naar de plaats, waarop men zich bevindt, is het iets heel
kleins of heel groots. Den toestand der menschen iets minder
afhankelijk, iets minder moeielijk maken is een belangrijk punt,
misschien het zekerst ideaal; maar beschouwd met een geest, die zich
voor een oogenblik heeft losgemaakt van de materieele gevolgen, is de
afstand tusschen den man, die aan de spits gaat van den vooruitgang, en
hem, die zich blindelings voortsleept achteraan, uiterst gering. Onder
deze jonge boeren, wier hersenen slechts met vormelooze ideeën zijn
gevuld, zijn er verscheidene, bij wie het mogelijk is in korten tijd
dienzelfden graad van bewustheid te verkrijgen, waarin wij beiden leven.
Men is vaak getroffen door de kleine tusschenruimte, die de volgens ons
idee volslagen onbewustheid dezer lieden scheidt van de bewustheid, die
men voor de hoogste houdt.
En bovendien, waaruit bestaat ze eigenlijk, die bewustheid, waar we zoo
trotsch op zijn? Uit veel meer schaduw dan licht, uit veel meer
verworven onkunde dan kennis, uit veel meer dingen, waarvan we weten,
dat we er maar van moeten afzien ze te leeren kennen, dan dingen, die
wij kennen. En toch bestaat daarin onze gansche waardigheid, onze meest
reëele grootheid, en is zij waarschijnlijk het verrassendste
verschijnsel ter wereld. Zij is het, die ons veroorlooft het hoofd op te
heffen waar we staan tegenover het onbekend principe, en te zeggen: Ik
ken u niet, maar iets in mij houdt u reeds omvat. Ge zult mij misschien
vernietigen, maar zoo dat niet gebeurt om uit mijn overblijfselen een
beter organisme dan het mijne te vormen, dan toont ge minder te zijn dan
ik, en de stilte, die dan volgen zal op den dood van de soort, waartoe
ik behoor, zal u verkondigen, dat ge geoordeeld zijt. En als ge zelfs
niet in staat zijt u er om te bekommeren of ge al of niet rechtvaardig
wordt beoordeeld, wat beteekent dan uw geheim? We zijn er niet meer op
gesteld, het te doorgronden, het moet onbeduidend en leelijk zijn. Ge
hebt bij toeval een wezen voortgebracht, dat ge niet de bevoegdheid hadt
voort te brengen. 't Is maar gelukkig voor hem, dat ge 't door een ander
toeval weer hebt uit den weg geruimd, vóór het nog de diepte van uwe
onbewustheid had gepeild, en nog gelukkiger, dat het niet de eindelooze
reeks uwer proefnemingen heeft overleefd. Het hoorde niet thuis in een
wereld, waarin zijn intellect geen weerklank vond bij een eeuwig
intellect, waarin zijn verlangen naar het betere hem geen enkel
wezenlijk goed kon doen bereiken.
"Nogmaals, vooruitgang is niet noodig om ons warm te maken voor dit
schouwspel. Daartoe is het raadsel al voldoende, en dit raadsel is even
groot en heeft een even geheimzinnigen glans in die boeren als in ons.
Overal vindt men het, als men het leven volgt tot in zijn almachtig
principe. Van eeuw tot eeuw wijzigen we de benaming van dit principe.
Somtijds had het namen, die duidelijk en ook troostrijk waren; men heeft
ingezien, dat die troost en die duidelijkheid zinsbedrog waren. Maar of
we het God noemen of Voorzienigheid, Natuur, Toeval, Leven, Noodlot, het
mysterie blijft hetzelfde en al wat de ervaring van duizenden jaren ons
heeft kunnen leeren, is dien naam omvattender te maken, dichter bij ons
staande, buigzamer, geschikter voor het verwachte en het onverwachte.
Dezen draagt het tegenwoordig, en daarom leek het nooit grooter dan nu.
En hier hebt ge een der tallooze vormen van den derden schijn, en dat is
de laatste waarheid."