IX.

Wil dit nu zeggen, dat we ons maar zullen blijven houden aan de leugen,

aan een willekeurige en onreëele poëzie en dat we bij gebrek aan beter

daarin maar al onze vreugde moeten stellen? Wil dit zeggen, dat we in 't

voorbeeld, dat we bespraken,--op zichzelf is dat niets, maar we blijven

er bij stilstaan, omdat het als type kan dienen van duizend andere, en

van onze gansche houding tegenover verschillende soorten van

waarheden,--wil dit nu zeggen, dat we in dit voorbeeld de physiologische

verklaring maar moeten wegcijferen om enkel de aandoeningen vast te

houden en te smaken, in ons gewekt door deze parings-vlucht, die, wat er

dan ook de oorzaak van zij, niettemin een der schoonste lyrische daden

is van die belangelooze en onweerstaanbare macht, waaraan alle levende

wezens gehoorzamen, en die men liefde noemt? Niets ware kinderachtiger

en onmogelijker, dank zij de voortreffelijke neigingen van iederen geest

in onze dagen, die te goeder trouw is.

Dit kleine feit van de uitzetting van 't orgaan der mannelijke bij, wat

enkel kan plaats hebben ten gevolge van de zwelling der luchtbuizen,

wordt door ons natuurlijk aanvaard, daar het niet kan worden

weersproken. Maar indien we ons daarbij neerlegden, indien we in 't

geheel niet verder zagen, indien we daaruit afleidden, dat iedere

gedachte, die te ver of te hoog reikt, noodzakelijk verkeerd is, en dat

de waarheid altijd gelegen is in de materieele bijomstandigheden; indien

we niet, waar dan ook, in allerlei nog veel grooter onzekerheden dan

die, welke werd verdreven door onze kleine verklaring, b.v. in het

vreemde mysterie der kruis-bevruchting, in den duur der soort en van 't

leven, in het plan der natuur, indien we daarin niet zochten naar een

vervolg op die verklaring, naar een voortzetting der schoonheid en

grootheid in het onbekende, dan zouden we, durf ik bijna beweren, verder

van de waarheid ons leven leven dan zij die blindelings willen blijven

hangen aan de dichterlijke en fantastische uitlegging van dit wonderbaar

huwelijk. Klaarblijkelijk vergissen zij zich in den vorm of de nuance

der waarheid, doch veel meer dan degenen, die zich vleien haar geheel in

handen te hebben, leven zij onder den indruk daarvan en in haar

atmosfeer. Zij staan klaar om haar te ontvangen, de waarheid vindt bij

hen een veel gastvrijer dak, en zoo zij haar al niet zien, toch richten

zij hunne oogen naar de plaats der schoonheid en grootheid, waar het

heilzaam is te gelooven dat zij zich bevindt.

We kennen het doel der natuur niet, de waarheid, die in onze oogen alle

andere overheerscht. Maar ter wille van deze waarheid zelve, om onze

ziel warm te houden voor het nasporen daarvan, is het noodig, dat we

haar voor groot houden. En mochten we te eeniger tijd inzien, dat we een

verkeerden weg hebben ingeslagen, dat ze klein is en onsamenhangend, dan

zullen we juist tengevolge van de bezieling, die haar vermeende

grootheid ons had verleend, hare kleinheid ontdekken, en deze kleinheid

zal ons, wanneer ze zekerheid voor ons geworden is, leeren wat ons te

doen staat. In afwachting daarvan echter doen we niet te veel, wanneer

we, om haar op te sporen, al wat ons verstand en ons hart aan kracht en

moed bezitten, aan het werk zetten. En ook al zou het laatste woord van

dit alles nog zoo armzalig zijn, dan is het toch geen geringe zaak, dat

we de kleinheid en de ijdelheid van het doel der natuur in al hunne

naaktheid hebben ten toon gesteld.

Het leven der bijen · 第 106 / 136 题