VIII.

"En wij," zoo vraagt de dichter, "moeten wij ons dan maar steeds blijven

verheugen in dingen, die de waarheid te boven gaan?"

Ja zeker, laten we ons bij iedere gelegenheid, ten allen tijde, in alle

dingen blijven verheugen, niet in wat de waarheid te boven gaat, wat

onmogelijk is, daar wij niet weten waar ze zich bevindt, maar in wat die

kleine waarheden te boven gaat, die wij te zien krijgen. Indien een of

andere herinnering, illusie, hartstocht, toeval, of welk ander motief

dan ook, maakt dat een voorwerp zich voor onzen blik schooner vertoont

dan voor dien van anderen, laat dan allereerst dit motief zelf ons lief

zijn. Misschien berust het enkel op een dwaling: die dwaling echter

belet geenszins, dat het oogenblik, waarop dit voorwerp ons het

bewonderenswaardigst voorkomt, juist het oogenblik is, waarop we de

meeste kans hebben, de waarheid daarvan te ontdekken. De schoonheid, die

wij er aan verleenen, vestigt onze aandacht op zijn ware schoonheid en

grootheid, die niet zoo gemakkelijk ontdekt worden en die gedegen zijn

in de betrekking, waarin ieder voorwerp onvermijdelijk staat tot

algemeene en eeuwige krachten. Het vermogen tot bewondering dat we

hebben doen ontstaan naar aanleiding van eene illusie, is niet verloren

voor de waarheid, die vroeger of later komen zal. Met woorden en

gevoelens, met de warmte die is gewekt door denkbeeldige schoonheden van

vroegere tijden, ontvangt de menschheid van heden waarheden, die

misschien nooit het licht hadden aanschouwd, en nooit een gunstigen

bodem hadden gevonden, indien deze prijsgegeven illusies niet eerst hart

en verstand hadden verwarmd, waarin nu die waarheden nederdalen.

Gelukkig de oogen, die geen illusies noodig hebben om te zien, dat het

schouwspel grootsch is! En voor de overigen is het juist de illusie, die

hen leert zien, bewonderen en zich verinnigen. En hoe hoog ze ook

opzien, nimmer zullen ze te hoog zien. Zoodra men de waarheid nadert,

verheft ze zich hooger; zoodra men haar bewondert, komt men haar nader.

En hoe hoog hunne vreugde zich ook verheffe, ze zullen zich nooit

verheugen in het ledig of wel boven de onbekende en eeuwige waarheid

uit, die als schoonheid over alle dingen zweeft.

Het leven der bijen · 第 105 / 136 题