"En wij," zoo vraagt de dichter, "moeten wij ons dan maar steeds blijven
verheugen in dingen, die de waarheid te boven gaan?"
Ja zeker, laten we ons bij iedere gelegenheid, ten allen tijde, in alle
dingen blijven verheugen, niet in wat de waarheid te boven gaat, wat
onmogelijk is, daar wij niet weten waar ze zich bevindt, maar in wat die
kleine waarheden te boven gaat, die wij te zien krijgen. Indien een of
andere herinnering, illusie, hartstocht, toeval, of welk ander motief
dan ook, maakt dat een voorwerp zich voor onzen blik schooner vertoont
dan voor dien van anderen, laat dan allereerst dit motief zelf ons lief
zijn. Misschien berust het enkel op een dwaling: die dwaling echter
belet geenszins, dat het oogenblik, waarop dit voorwerp ons het
bewonderenswaardigst voorkomt, juist het oogenblik is, waarop we de
meeste kans hebben, de waarheid daarvan te ontdekken. De schoonheid, die
wij er aan verleenen, vestigt onze aandacht op zijn ware schoonheid en
grootheid, die niet zoo gemakkelijk ontdekt worden en die gedegen zijn
in de betrekking, waarin ieder voorwerp onvermijdelijk staat tot
algemeene en eeuwige krachten. Het vermogen tot bewondering dat we
hebben doen ontstaan naar aanleiding van eene illusie, is niet verloren
voor de waarheid, die vroeger of later komen zal. Met woorden en
gevoelens, met de warmte die is gewekt door denkbeeldige schoonheden van
vroegere tijden, ontvangt de menschheid van heden waarheden, die
misschien nooit het licht hadden aanschouwd, en nooit een gunstigen
bodem hadden gevonden, indien deze prijsgegeven illusies niet eerst hart
en verstand hadden verwarmd, waarin nu die waarheden nederdalen.
Gelukkig de oogen, die geen illusies noodig hebben om te zien, dat het
schouwspel grootsch is! En voor de overigen is het juist de illusie, die
hen leert zien, bewonderen en zich verinnigen. En hoe hoog ze ook
opzien, nimmer zullen ze te hoog zien. Zoodra men de waarheid nadert,
verheft ze zich hooger; zoodra men haar bewondert, komt men haar nader.
En hoe hoog hunne vreugde zich ook verheffe, ze zullen zich nooit
verheugen in het ledig of wel boven de onbekende en eeuwige waarheid
uit, die als schoonheid over alle dingen zweeft.