Ze ontsnapt ons aan alle kanten, veronachtzaamt de meeste onzer regels
en verbreekt al onze maatregelen. Ter rechterzijde staat ze verre
beneden onze gedachten, maar plotseling stijgt ze ter linker hoog als
een berg. Ieder oogenblik schijnt het alsof ze zich vergist, zoowel in
de wereld harer eerste proefnemingen, als in die der laatste, ik bedoel
de wereld des menschen. Daar wettigt ze het instinct der duistere massa,
de onrechtvaardigheid en onwetendheid van het aantal, de nederlaag van
verstand en deugd, de moraal zonder verheffing, waardoor de groote
stroom der soort zich laat leiden en die kennelijk lager staat dan de
moraal volgens de opvatting en den wensch van een geest, die zich
aansluit bij de veel klaarder rimpeling, welke zich stroomopwaarts
beweegt. Vraagt echter deze zelfde geest zich in onze dagen ten onrechte
af, of het niet zijn plicht is alle waarheid, bij gevolg de moreele even
goed als de rest, liever in dezen chaos te zoeken dan in zichzelf, waar
ze betrekkelijk zoo helder en zoo duidelijk schijnt?
Hij denkt er niet aan het verstand en de deugd van zijn ideaal, dat door
zoovele helden en wijzen gewijd is, te verloochenen, doch somtijds zegt
hij tot zichzelven, dat dit ideaal misschien te veel buiten de enorme
massa om ontstaan is, wier veelomvattende schoonheid het beweert te
vertegenwoordigen. Met volle recht heeft hij tot nu toe moeten vreezen
dat hij, wanneer hij zijn moraal pasklaar maakte naar die der natuur,
vernietigen zou wat voor hem juist het meesterstuk dier zelfde natuur
is. Nu hij deze echter eenigszins beter kent, en nu enkele wel nog
eenigszins duistere, maar toch ongedacht uitvoerige antwoorden, hem een
enkelen blik deden werpen op een plan en een verstand, die hooger staan
dan al wat hij had kunnen uitdenken als hij zich in zichzelf had
opgesloten, nu koestert hij minder vrees, hij heeft niet meer zoo
dringend behoefte aan een veilig schuilhoekje voor zijn eigen verstand
en deugd. Hij oordeelt nu, dat wat zóó groot is, ons nooit zal leeren af
te dalen. Hij zou gaarne weten of niet het oogenblik gekomen was om zijn
principes, zijn zekerheid en zijn droomen aan een zorgvuldiger onderzoek
te onderwerpen.
Ik herhaal, hij denkt er niet aan, zijn menschelijk ideaal prijs te
geven. Juist datgene wat aanvankelijk van dit ideaal afkeerig wil maken,
leert ons er toe terugkeeren. De natuur zou geen verkeerden raad kunnen
geven aan een geest voor wien elke waarheid, die niet althans even hoog
staat als de waarheid van zijn eigen verlangen, niet verheven genoeg
lijkt om definitief te zijn en het groote plan waardig, dat hij zich
beijvert te omhelzen. Niets verandert in zijn leven van plaats, of het
moet met hem stijgen, en nog langen tijd zal hij tot zichzelf zeggen,
dat hij stijgt, wanneer hij het oude beeld van het goede naderbij komt.
Maar in zijn denken wijzigt zich alles met veel grooter vrijheid, en in
zijn hartstochtelijke contemplatie kan hij ongestraft zóó ver afdalen,
dat hij de wreedste en onzedelijkste contradicties van het leven kan
lief krijgen als deugden; want hij heeft er een voorgevoel van, dat een
massa opeenvolgende valleien voeren tot de hoogvlakte waarnaar hij
verlangend uitziet. Deze contemplatie en deze liefde beletten niet dat
hij, al zoekende naar zekerheid, en zelfs dan wanneer zijne nasporingen
hem leiden naar het tegendeel van wat hij liefheeft, toch zijn gedrag
regelt naar de waarheid die volgens zijn menschelijk inzicht het
schoonst is en zich bij al het voorbijgaande houdt aan het allerhoogste.
Al wat de deugd doet toenemen wordt onmiddellijk een deel van zijn
leven; al wat haar zou doen verminderen blijft er slechts in hangen,
even als die onoplosbare: zouten, die eerst bij de beslissende proef in
beweging komen. Hij kan een waarheid van lager orde aannemen, maar met
het handelen in overeenstemming daarmee wacht hij--eeuwen lang, indien
het moet,--totdat hij ziet in welk verband deze waarheid staat tot
andere waarheden, die genoeg van 't oneindige in zich bevatten om alle
andere in zich op te nemen en te overtreffen.
In één woord hij maakt scheiding tusschen de zedelijke en de
verstandelijke orde, en neemt in de eerste slechts datgene op wat
grooter en schooner is dan vroeger. En zoo het niet goed is deze beide
te scheiden, zooals men maar al te dikwijls doet in het leven om minder
goed te handelen dan men denkt--het slechtere te zien en het betere te
volgen, zijne gedachten te doen overtreffen door zijn daden, dat is
altijd heilzaam en verstandig, want de menschelijke ervaring vergunt ons
van dag na dag met te meerder vastheid te hopen, dat de hoogste gedachte
waartoe we kunnen stijgen, nog langen tijd beneden de geheimzinnige
waarheid zal blijven, die wij zoeken. Bovendien, al behelsde al hetgeen
is voorafgegaan geenerlei waarheid, dan nog zou er een eenvoudige en
natuurlijke reden voor hem overblijven om zijn menschelijk ideaal niet
op te geven. Hoe meer kracht hij toekent aan de wetten, die ons
zelfzucht, onrechtvaardigheid en wreedheid ten voorbeeld schijnen te
stellen, des te meer erkent hij tegelijkertijd de geldigheid dier andere
wetten, die aanmanen tot edelmoedigheid, medelijden en rechtvaardigheid:
want zoodra hij begint de aandeelen die hij toekent aan het heelal en
aan zich zelven op methodische wijze aan elkaar gelijk te maken of
evenredig te verdeelen, vindt hij in die laatste wetten iets dat in den
grond der zaak even natuurlijk is als in die eerste, daar ze even diep
in hem zelven staan gegrift als die andere in al wat hem omringt.