V.

Ze ontsnapt ons aan alle kanten, veronachtzaamt de meeste onzer regels

en verbreekt al onze maatregelen. Ter rechterzijde staat ze verre

beneden onze gedachten, maar plotseling stijgt ze ter linker hoog als

een berg. Ieder oogenblik schijnt het alsof ze zich vergist, zoowel in

de wereld harer eerste proefnemingen, als in die der laatste, ik bedoel

de wereld des menschen. Daar wettigt ze het instinct der duistere massa,

de onrechtvaardigheid en onwetendheid van het aantal, de nederlaag van

verstand en deugd, de moraal zonder verheffing, waardoor de groote

stroom der soort zich laat leiden en die kennelijk lager staat dan de

moraal volgens de opvatting en den wensch van een geest, die zich

aansluit bij de veel klaarder rimpeling, welke zich stroomopwaarts

beweegt. Vraagt echter deze zelfde geest zich in onze dagen ten onrechte

af, of het niet zijn plicht is alle waarheid, bij gevolg de moreele even

goed als de rest, liever in dezen chaos te zoeken dan in zichzelf, waar

ze betrekkelijk zoo helder en zoo duidelijk schijnt?

Hij denkt er niet aan het verstand en de deugd van zijn ideaal, dat door

zoovele helden en wijzen gewijd is, te verloochenen, doch somtijds zegt

hij tot zichzelven, dat dit ideaal misschien te veel buiten de enorme

massa om ontstaan is, wier veelomvattende schoonheid het beweert te

vertegenwoordigen. Met volle recht heeft hij tot nu toe moeten vreezen

dat hij, wanneer hij zijn moraal pasklaar maakte naar die der natuur,

vernietigen zou wat voor hem juist het meesterstuk dier zelfde natuur

is. Nu hij deze echter eenigszins beter kent, en nu enkele wel nog

eenigszins duistere, maar toch ongedacht uitvoerige antwoorden, hem een

enkelen blik deden werpen op een plan en een verstand, die hooger staan

dan al wat hij had kunnen uitdenken als hij zich in zichzelf had

opgesloten, nu koestert hij minder vrees, hij heeft niet meer zoo

dringend behoefte aan een veilig schuilhoekje voor zijn eigen verstand

en deugd. Hij oordeelt nu, dat wat zóó groot is, ons nooit zal leeren af

te dalen. Hij zou gaarne weten of niet het oogenblik gekomen was om zijn

principes, zijn zekerheid en zijn droomen aan een zorgvuldiger onderzoek

te onderwerpen.

Ik herhaal, hij denkt er niet aan, zijn menschelijk ideaal prijs te

geven. Juist datgene wat aanvankelijk van dit ideaal afkeerig wil maken,

leert ons er toe terugkeeren. De natuur zou geen verkeerden raad kunnen

geven aan een geest voor wien elke waarheid, die niet althans even hoog

staat als de waarheid van zijn eigen verlangen, niet verheven genoeg

lijkt om definitief te zijn en het groote plan waardig, dat hij zich

beijvert te omhelzen. Niets verandert in zijn leven van plaats, of het

moet met hem stijgen, en nog langen tijd zal hij tot zichzelf zeggen,

dat hij stijgt, wanneer hij het oude beeld van het goede naderbij komt.

Maar in zijn denken wijzigt zich alles met veel grooter vrijheid, en in

zijn hartstochtelijke contemplatie kan hij ongestraft zóó ver afdalen,

dat hij de wreedste en onzedelijkste contradicties van het leven kan

lief krijgen als deugden; want hij heeft er een voorgevoel van, dat een

massa opeenvolgende valleien voeren tot de hoogvlakte waarnaar hij

verlangend uitziet. Deze contemplatie en deze liefde beletten niet dat

hij, al zoekende naar zekerheid, en zelfs dan wanneer zijne nasporingen

hem leiden naar het tegendeel van wat hij liefheeft, toch zijn gedrag

regelt naar de waarheid die volgens zijn menschelijk inzicht het

schoonst is en zich bij al het voorbijgaande houdt aan het allerhoogste.

Al wat de deugd doet toenemen wordt onmiddellijk een deel van zijn

leven; al wat haar zou doen verminderen blijft er slechts in hangen,

even als die onoplosbare: zouten, die eerst bij de beslissende proef in

beweging komen. Hij kan een waarheid van lager orde aannemen, maar met

het handelen in overeenstemming daarmee wacht hij--eeuwen lang, indien

het moet,--totdat hij ziet in welk verband deze waarheid staat tot

andere waarheden, die genoeg van 't oneindige in zich bevatten om alle

andere in zich op te nemen en te overtreffen.

In één woord hij maakt scheiding tusschen de zedelijke en de

verstandelijke orde, en neemt in de eerste slechts datgene op wat

grooter en schooner is dan vroeger. En zoo het niet goed is deze beide

te scheiden, zooals men maar al te dikwijls doet in het leven om minder

goed te handelen dan men denkt--het slechtere te zien en het betere te

volgen, zijne gedachten te doen overtreffen door zijn daden, dat is

altijd heilzaam en verstandig, want de menschelijke ervaring vergunt ons

van dag na dag met te meerder vastheid te hopen, dat de hoogste gedachte

waartoe we kunnen stijgen, nog langen tijd beneden de geheimzinnige

waarheid zal blijven, die wij zoeken. Bovendien, al behelsde al hetgeen

is voorafgegaan geenerlei waarheid, dan nog zou er een eenvoudige en

natuurlijke reden voor hem overblijven om zijn menschelijk ideaal niet

op te geven. Hoe meer kracht hij toekent aan de wetten, die ons

zelfzucht, onrechtvaardigheid en wreedheid ten voorbeeld schijnen te

stellen, des te meer erkent hij tegelijkertijd de geldigheid dier andere

wetten, die aanmanen tot edelmoedigheid, medelijden en rechtvaardigheid:

want zoodra hij begint de aandeelen die hij toekent aan het heelal en

aan zich zelven op methodische wijze aan elkaar gelijk te maken of

evenredig te verdeelen, vindt hij in die laatste wetten iets dat in den

grond der zaak even natuurlijk is als in die eerste, daar ze even diep

in hem zelven staan gegrift als die andere in al wat hem omringt.

Het leven der bijen · 第 102 / 136 题