We keeren terug tot de tragische bruiloft der koningin. In het
voorbeeld, waarmede wij ons bezig houden, wil dus de natuur met het oog
op de kruisbevruchting, dat de paring van den dar en de koningin alleen
mogelijk is hoog in de lucht. Maar hare wenschen raken in elkaar verward
als de draden van een net, en haar dierbaarste wetten moeten
onophoudelijk tusschen de mazen van andere wetten doorsluipen, die een
oogenblik later zich op hunne beurt door die der eerste moeten heen
werken.
Daar ze deze zelfde lucht heeft bevolkt met tal van gevaren, koude
wanden, luchtstroomingen, storm, duizeling, vogels, insekten,
waterdroppels, die even goed aan onverbreekbare wetten gehoorzamen, moet
ze maatregelen treffen om de paring zoo kort mogelijk te maken. En dat
gebeurt door den bliksemsnellen dood van het mannetje. Eene omhelzing is
voldoende, en de gevolgen van dit huwelijk spelen zich af in het lichaam
van de echtgenoote.
Deze daalt van uit de blauwende hoogten weer neer tot den korf, terwijl
de losgewikkelde ingewanden van den minnaar als vaandels achter haar aan
wapperen. Sommige bijenhouders beweren, dat de werkbijen bij hare
thuiskomst, die zoo rijk is aan beloften, groote vreugde aan den dag
leggen. Büchner o.a. hangt er een uitvoerig tafereel van op. Ik heb
herhaaldelijk deze thuiskomst van de bruiloft waargenomen en ik beken,
dat ik niets van buitengewone opwinding bemerkt heb, behalve in die
gevallen waar men te doen had met een jeugdige koningin, die aan het
hoofd van een zwerm was uitgetrokken en de eenige hoop van een
kortelings gestichte en nog ledige stad was. Dan zijn alle werkbijen
buiten zich zelven en vliegen haar tegemoet. Maar gewoonlijk, al is er
dikwijls precies even veel gevaar voor de toekomst der stad, schijnen ze
haar te vergeten. Ze hebben alles voorzien tot op het oogenblik dat ze
den moord der koninklijke mededingsters toestonden. Doch eenmaal op dat
punt gekomen, schijnt hun instinct te stokken, 't is alsof er een gat is
in hunne voorzichtigheid. Ze schijnen dus vrij onverschillig. Ze heffen
don kop op, herkennen misschien het moorddadig getuigenis van de
bevruchting, maar leggen, eenigszins wantrouwend, volstrekt niet die
blijdschap aan den dag, die onze verbeelding verwachtte. Zeer positief
en weinig geneigd zich illusies te maken, wachten ze waarschijnlijk
eerst andere bewijzen af, vóór ze zich vroolijk maken. Ten onrechte wil
men alle gevoelens van deze wezentjes, die zoo zeer van ons verschillen,
logisch en menschelijk maken. Bij de bijen en bij alle overige dieren,
die een afschijnsel van ons verstand met zich omdragen, komt men zelden
tot zulke duidelijke resultaten als die welke in de boeken worden
beschreven. Te veel omstandigheden blijven ons nog verborgen. Waarom
zouden we hen volmaakter afbeelden dan ze zijn, door dingen te zeggen,
die geen waarheid behelzen? Indien sommige menschen meenen, dat de bijen
interessanter zouden zijn indien ze nog meer op ons geleken, dan komt
dit doordat ze nog geen duidelijke voorstelling hebben omtrent hetgeen
de belangstelling van een oprechten geest moet wekken. Het deel van den
waarnemer is niet zich te verbazen maar te begrijpen, en 't is precies
even merkwaardig eenvoudig de leemten aan te wijzen van een verstand en
alle sporen van een hersen-systeem, dat van het onze verschilt, als er
wonderen van te verhalen.
Toch is die onverschilligheid niet algemeen, en wanneer de hijgende
koningin op het plankje verschijnt, dan vormen zich eenige groepen, die
haar vergezellen naar die gewelven, waarin de zon, de held van alle
feesten van den korf, slechts met kleine, aarzelende schreden
binnendringt en de wanden van was zoowel als de gordijnen van honing in
schaduw en azuur hult. Voor het overige is de jong-gehuwde al even kalm
als haar volk, en in de bekrompen hersenen dezer praktische en
barbaarsche koningin is geen plaats voor velerlei aandoeningen. Ze
bekommert zich slechts om één ding, namelijk zich zoo spoedig mogelijk
te ontdoen van de lastige souvenirs van haren echtgenoot, die haren gang
belemmeren. Ze gaat vóór de poort zitten en verwijdert zorgvuldig de
overbodige organen, die dadelijk door de werkbijen worden meegenomen en
weggegooid; want het mannetje heeft haar alles gegeven wat hij bezat, en
veel meer dan vereischt werd. Ze houdt in haar zaadblaasje enkel het
zaadvocht, waarin de millioenen kiemen zwemmen, die tot aan haar
uiteinde, één voor één, bij het aanraken der eitjes, in de duisternis
van haar lichaam de geheimzinnige vereeniging van het mannelijke en het
vrouwelijke element zullen tot stand brengen, waardoor de werkbijen
geboren worden. Door een zonderlinge verwisseling verschaft zij het
mannelijk, en het mannetje het vrouwelijk principe. Twee dagen na de
paring legt ze haar eerste eitjes, en dan wordt ze door haar volk
dadelijk met groote zorg behandeld. Van dat oogenblik af, nu ze een
dubbele sexe bezit, daar ze een onuitputtelijk mannelijk element in zich
besloten houdt, begint haar eigenlijk leven, ze verlaat den korf niet
meer en ziet nimmer het licht meer terug, tenzij om een zwerm te
vergezellen; en haar vruchtbaarheid eindigt eerst bij het naderen van
haar dood.