VI.

We keeren terug tot de tragische bruiloft der koningin. In het

voorbeeld, waarmede wij ons bezig houden, wil dus de natuur met het oog

op de kruisbevruchting, dat de paring van den dar en de koningin alleen

mogelijk is hoog in de lucht. Maar hare wenschen raken in elkaar verward

als de draden van een net, en haar dierbaarste wetten moeten

onophoudelijk tusschen de mazen van andere wetten doorsluipen, die een

oogenblik later zich op hunne beurt door die der eerste moeten heen

werken.

Daar ze deze zelfde lucht heeft bevolkt met tal van gevaren, koude

wanden, luchtstroomingen, storm, duizeling, vogels, insekten,

waterdroppels, die even goed aan onverbreekbare wetten gehoorzamen, moet

ze maatregelen treffen om de paring zoo kort mogelijk te maken. En dat

gebeurt door den bliksemsnellen dood van het mannetje. Eene omhelzing is

voldoende, en de gevolgen van dit huwelijk spelen zich af in het lichaam

van de echtgenoote.

Deze daalt van uit de blauwende hoogten weer neer tot den korf, terwijl

de losgewikkelde ingewanden van den minnaar als vaandels achter haar aan

wapperen. Sommige bijenhouders beweren, dat de werkbijen bij hare

thuiskomst, die zoo rijk is aan beloften, groote vreugde aan den dag

leggen. Büchner o.a. hangt er een uitvoerig tafereel van op. Ik heb

herhaaldelijk deze thuiskomst van de bruiloft waargenomen en ik beken,

dat ik niets van buitengewone opwinding bemerkt heb, behalve in die

gevallen waar men te doen had met een jeugdige koningin, die aan het

hoofd van een zwerm was uitgetrokken en de eenige hoop van een

kortelings gestichte en nog ledige stad was. Dan zijn alle werkbijen

buiten zich zelven en vliegen haar tegemoet. Maar gewoonlijk, al is er

dikwijls precies even veel gevaar voor de toekomst der stad, schijnen ze

haar te vergeten. Ze hebben alles voorzien tot op het oogenblik dat ze

den moord der koninklijke mededingsters toestonden. Doch eenmaal op dat

punt gekomen, schijnt hun instinct te stokken, 't is alsof er een gat is

in hunne voorzichtigheid. Ze schijnen dus vrij onverschillig. Ze heffen

don kop op, herkennen misschien het moorddadig getuigenis van de

bevruchting, maar leggen, eenigszins wantrouwend, volstrekt niet die

blijdschap aan den dag, die onze verbeelding verwachtte. Zeer positief

en weinig geneigd zich illusies te maken, wachten ze waarschijnlijk

eerst andere bewijzen af, vóór ze zich vroolijk maken. Ten onrechte wil

men alle gevoelens van deze wezentjes, die zoo zeer van ons verschillen,

logisch en menschelijk maken. Bij de bijen en bij alle overige dieren,

die een afschijnsel van ons verstand met zich omdragen, komt men zelden

tot zulke duidelijke resultaten als die welke in de boeken worden

beschreven. Te veel omstandigheden blijven ons nog verborgen. Waarom

zouden we hen volmaakter afbeelden dan ze zijn, door dingen te zeggen,

die geen waarheid behelzen? Indien sommige menschen meenen, dat de bijen

interessanter zouden zijn indien ze nog meer op ons geleken, dan komt

dit doordat ze nog geen duidelijke voorstelling hebben omtrent hetgeen

de belangstelling van een oprechten geest moet wekken. Het deel van den

waarnemer is niet zich te verbazen maar te begrijpen, en 't is precies

even merkwaardig eenvoudig de leemten aan te wijzen van een verstand en

alle sporen van een hersen-systeem, dat van het onze verschilt, als er

wonderen van te verhalen.

Toch is die onverschilligheid niet algemeen, en wanneer de hijgende

koningin op het plankje verschijnt, dan vormen zich eenige groepen, die

haar vergezellen naar die gewelven, waarin de zon, de held van alle

feesten van den korf, slechts met kleine, aarzelende schreden

binnendringt en de wanden van was zoowel als de gordijnen van honing in

schaduw en azuur hult. Voor het overige is de jong-gehuwde al even kalm

als haar volk, en in de bekrompen hersenen dezer praktische en

barbaarsche koningin is geen plaats voor velerlei aandoeningen. Ze

bekommert zich slechts om één ding, namelijk zich zoo spoedig mogelijk

te ontdoen van de lastige souvenirs van haren echtgenoot, die haren gang

belemmeren. Ze gaat vóór de poort zitten en verwijdert zorgvuldig de

overbodige organen, die dadelijk door de werkbijen worden meegenomen en

weggegooid; want het mannetje heeft haar alles gegeven wat hij bezat, en

veel meer dan vereischt werd. Ze houdt in haar zaadblaasje enkel het

zaadvocht, waarin de millioenen kiemen zwemmen, die tot aan haar

uiteinde, één voor één, bij het aanraken der eitjes, in de duisternis

van haar lichaam de geheimzinnige vereeniging van het mannelijke en het

vrouwelijke element zullen tot stand brengen, waardoor de werkbijen

geboren worden. Door een zonderlinge verwisseling verschaft zij het

mannelijk, en het mannetje het vrouwelijk principe. Twee dagen na de

paring legt ze haar eerste eitjes, en dan wordt ze door haar volk

dadelijk met groote zorg behandeld. Van dat oogenblik af, nu ze een

dubbele sexe bezit, daar ze een onuitputtelijk mannelijk element in zich

besloten houdt, begint haar eigenlijk leven, ze verlaat den korf niet

meer en ziet nimmer het licht meer terug, tenzij om een zwerm te

vergezellen; en haar vruchtbaarheid eindigt eerst bij het naderen van

haar dood.

Het leven der bijen · 第 103 / 136 题