Ik denk, dat slechts weinigen het geheim van het bruiloftsfeest der
bijen-koningin, hetwelk gevierd wordt in de verborgen schuilhoeken van
een oneindigen en schitterenden blauwen hemel, hebben geschonden. Wel
echter kan men het aarzelend vertrekken der bruid en den moorddadigen
terugkeer der echtgenoote waarnemen.
Ondanks haar ongeduldig verlangen kiest ze dag en uur, en wacht achter
hare poorten tot een wonderschoone morgen door de groote azuren urnen in
de voor haar bruiloftsfeest bestemde ruimte wordt uitgegoten. Ze kiest
graag het oogenblik, waarop nog een weinig dauw bladeren en bloemen met
een herinnering bevochtigt, wanneer de laatste koelte van de bezwijkende
morgenschemering nog worstelt met en bijna verslagen is door de hitte
des daags, als een naakte maagd in de armen van een forschen krijger,
wanneer de stilte en de rozen van den naderenden middag nog hier en daar
een enkelen geur van de morgen-viooltjes of een doorzichtigen kreet van
den dageraad doorlaten.
Dan verschijnt ze aan den ingang, óf te midden van onverschillige
honingdraagsters, die zich bedrijvig aan den arbeid begeven, of wel
omgeven door opgewonden werkbijen, al naar ze zusters in den korf
achterlaat of dat er geen kans meer is, haar te vervangen. Ze vliegt
achteruit, keert twee of drie maal weer terug naar het plankje, en
wanneer ze het uiterlijk en de juiste plaats van haar koninkrijk, dat ze
nooit van buiten heeft gezien, goed in haar geest heeft opgenomen,
vliegt ze als een pijl uit den boog naar het zenith van 't azuur. Zoo
bereikt ze hoogten en een lichtende sfeer, waarin de overige bijen zich
op geen enkel tijdstip huns levens wagen. Van uit de verte, waar ze in
hun luiheid om de bloemen heen zweven, hebben de darren die verschijning
opgemerkt en den magnetischen geur ingeademd, die zich verspreidt en van
den een op den ander wordt overgebracht tot aan de naburige
bijenstanden. Onmiddellijk verzamelen zich geheele benden en werpen zich
om haar te achtervolgen in de zee van vreugde, wier doorzichtige grenzen
steeds worden verplaatst. Zij, dronken van hare vlucht, en gehoor
gevende aan de prachtige wet der soort, die haren minnaar voor haar
kiest en wil dat alleen de sterkste haar zal inhalen in de eenzaamheid
van den ether, zij stijgt nog steeds, en voor de eerste maal dringt de
blauwe morgenlucht krachtig door de luchtgaten van haar lichaam en zingt
als het bloed des hemels in de duizenden vertakkingen van de beide
luchtbuizen, die de helft van haar lichaam innemen en zwelgen in de
ruimte. Nog altijd stijgt ze. Ze moet een eenzaam gebied bereiken, dat
niet meer wordt bezocht door de vogels, want dezen zouden het mysterie
kunnen verstoren. Nog hooger verheft ze zich, en reeds verminderde daar
onder haar de ongelijke bende, waaruit enkele zich afscheiden. De
zwakken, de invaliden, de grijsaards, de onwelkome gasten en slecht
gevoeden uit werkelooze of zwakke korven, geven de vervolging op en
verdwijnen in het ruim. Daar in het oneindig opaal blijft nog slechts
een klein, onvermoeid groepje hangen. Ze vergt een laatste stijging van
hare vleugels en ziet, de door de onbegrepen macht uitverkorene ijlt op
haar toe, omvat haar, dringt in haar, en gedragen door de dubbele
snelheid van hun beider vlucht, dwarrelt de stijgende spiraal hunner
omhelzing één seconde in de vijandige hartstochtelijkheid der liefde.