III.

Ik denk, dat slechts weinigen het geheim van het bruiloftsfeest der

bijen-koningin, hetwelk gevierd wordt in de verborgen schuilhoeken van

een oneindigen en schitterenden blauwen hemel, hebben geschonden. Wel

echter kan men het aarzelend vertrekken der bruid en den moorddadigen

terugkeer der echtgenoote waarnemen.

Ondanks haar ongeduldig verlangen kiest ze dag en uur, en wacht achter

hare poorten tot een wonderschoone morgen door de groote azuren urnen in

de voor haar bruiloftsfeest bestemde ruimte wordt uitgegoten. Ze kiest

graag het oogenblik, waarop nog een weinig dauw bladeren en bloemen met

een herinnering bevochtigt, wanneer de laatste koelte van de bezwijkende

morgenschemering nog worstelt met en bijna verslagen is door de hitte

des daags, als een naakte maagd in de armen van een forschen krijger,

wanneer de stilte en de rozen van den naderenden middag nog hier en daar

een enkelen geur van de morgen-viooltjes of een doorzichtigen kreet van

den dageraad doorlaten.

Dan verschijnt ze aan den ingang, óf te midden van onverschillige

honingdraagsters, die zich bedrijvig aan den arbeid begeven, of wel

omgeven door opgewonden werkbijen, al naar ze zusters in den korf

achterlaat of dat er geen kans meer is, haar te vervangen. Ze vliegt

achteruit, keert twee of drie maal weer terug naar het plankje, en

wanneer ze het uiterlijk en de juiste plaats van haar koninkrijk, dat ze

nooit van buiten heeft gezien, goed in haar geest heeft opgenomen,

vliegt ze als een pijl uit den boog naar het zenith van 't azuur. Zoo

bereikt ze hoogten en een lichtende sfeer, waarin de overige bijen zich

op geen enkel tijdstip huns levens wagen. Van uit de verte, waar ze in

hun luiheid om de bloemen heen zweven, hebben de darren die verschijning

opgemerkt en den magnetischen geur ingeademd, die zich verspreidt en van

den een op den ander wordt overgebracht tot aan de naburige

bijenstanden. Onmiddellijk verzamelen zich geheele benden en werpen zich

om haar te achtervolgen in de zee van vreugde, wier doorzichtige grenzen

steeds worden verplaatst. Zij, dronken van hare vlucht, en gehoor

gevende aan de prachtige wet der soort, die haren minnaar voor haar

kiest en wil dat alleen de sterkste haar zal inhalen in de eenzaamheid

van den ether, zij stijgt nog steeds, en voor de eerste maal dringt de

blauwe morgenlucht krachtig door de luchtgaten van haar lichaam en zingt

als het bloed des hemels in de duizenden vertakkingen van de beide

luchtbuizen, die de helft van haar lichaam innemen en zwelgen in de

ruimte. Nog altijd stijgt ze. Ze moet een eenzaam gebied bereiken, dat

niet meer wordt bezocht door de vogels, want dezen zouden het mysterie

kunnen verstoren. Nog hooger verheft ze zich, en reeds verminderde daar

onder haar de ongelijke bende, waaruit enkele zich afscheiden. De

zwakken, de invaliden, de grijsaards, de onwelkome gasten en slecht

gevoeden uit werkelooze of zwakke korven, geven de vervolging op en

verdwijnen in het ruim. Daar in het oneindig opaal blijft nog slechts

een klein, onvermoeid groepje hangen. Ze vergt een laatste stijging van

hare vleugels en ziet, de door de onbegrepen macht uitverkorene ijlt op

haar toe, omvat haar, dringt in haar, en gedragen door de dubbele

snelheid van hun beider vlucht, dwarrelt de stijgende spiraal hunner

omhelzing één seconde in de vijandige hartstochtelijkheid der liefde.

Het leven der bijen · 第 100 / 136 题