Ik overdrijf deze verrassende en dolzinnige verkwisting der natuur niet.
In de beste korven telt men gewoonlijk vier of vijf honderd darren. In
zwakke of verbasterde korven vindt men er dikwijls vier of vijf duizend,
want hoe meer een bijenkorf ten ondergang neigt, des te meer darren
brengt hij voort. Men kan zeggen dat een bijenstand van tien kolonies
gemiddeld op een gegeven oogenblik een volk van tien duizend darren in
de lucht verspreidt, waaronder er tien of hoogstens vijftig zijn, die
kans hebben de eenige daad te volbrengen, waarvoor ze geboren worden.
En ondertusschen putten zij den voorraad der stad uit, en de aanhoudende
arbeid van vijf of zes werkbijen is nauwelijks voldoende om de
vraatzucht en begeerigheid van een dezer parasieten te bevredigen, die
in hun nietsdoen enkel onvermoeid zijn in het eten. Doch de natuur is
altijd grootsch, wanneer ze te doen heeft met de functies of de
voorrechten dor liefde. Karig is ze alleen, waar het de organen en
werktuigen voor den arbeid betreft. In 't bijzonder is ze heftig tegen
al wat de menschen deugd hebben genoemd. Daarentegen telt ze de schatten
en gunsten niet, die ze strooit op het pad ook der minst interessante
gelieven. Van alle kanten roept ze: "Vereenigt u, vermenigvuldigt u, er
is geen andere wet, geen ander doel dan de liefde," en ze is vrij er
zachter bij te voegen:--"En leeft daarna voort als ge kunt, dat gaat mij
niet meer aan". Wat men ook doet, wat men ook anders zou verlangen,
overal vindt men deze zelfde moraal weer, die zoozeer afwijkt van de
onze. Let nog eens op haar onrechtvaardige karigheid en onzinnige
weelderigheid bij deze zelfde wezentjes. Van haar geboorte af tot aan
haren dood moet de strenge honingdraagster overal heen, ver weg, naar de
dichtst begroeide streken, om een massa bloemen op te sporen, die
wegschuilen voor den blik. In de doolhoven der honingkelken en de
geheime gangen der helmknopjes moet ze den verborgen honing en 't
stuifmeel opsporen. En toch zijn hare oogen en reukorganen vergeleken
met die der darren als die van een invalide. Al waren deze laatsten
bijna blind en ontbloot van een reukorgaan, dan zouden ze er weinig
onder te lijden hebben, ze zouden het nauwelijks weten. Ze hebben niets
te doen, geen enkele prooi te vervolgen. Hun voedsel wordt hun geheel
klaar voorgezet en hun leven brengen ze door met het opslurpen van den
honing zoo maar van de raat, in de duisternis van den korf. Doch zij
staan in dienst der liefde en de grootste en overbodigste gaven worden
met volle handen in den afgrond der toekomst geworpen. Een van hen op de
duizend heeft ééns in zijn leven de tegenwoordigheid der koninklijke
maagd in de diepte van het azuur te ontdekken. Een op de duizend moet
één enkel oogenblik in de ruimte het spoor volgen van het wijfje, dat
niet tracht te ontvluchten. Dat is voldoende. De partijdige macht heeft
hare ongehoorde schatten, tot in 't overdadige en onzinnige, voor hen
opengesteld. Aan ieder dezer mogelijke (doch zeer onwaarschijnlijke)
minnaars, waarvan er negen honderd negen en negentig gedood worden
enkele dagen na het noodlottig bruiloftsfeest van den duizendste, heeft
ze dertien duizend oogen gegeven aan beide kanten van den kop, terwijl
de werkbij er zes duizend heeft. Ze heeft, volgens de berekeningen van
Cheshire, hunne sprieten voorzien van acht duizend holten voor den reuk,
terwijl de werkbij er geen vijf duizend bezit. Hier hebben we een
voorbeeld van de wanverhouding, die men bijna overal kan opmerken
tusschen de gaven, die ze aan de liefde verleent en die welke ze aan den
arbeid toemeet, tusschen de gunsten, die ze uitstort over hetgeen het
leven hooger opvoert door eenig genoegen, en de onverschilligheid
waarmee ze aan zijn lot overlaat al wat geduldig zich staande houdt in
moeite en kommer.
Wie naar waarheid het karakter der natuur zou willen schilderen, naar de
trekken, die men aldus te zien krijgt, hij zou er iets zeer
buitengewoons van maken, dat geenerlei gelijkenis zou vertoonen met ons
ideaal, en toch moet ook dit uit haar voortkomen. Aan den mensch echter
zijn veel te veel zaken onbekend dan dat hij dit portret zou durven
onderhanden nemen; hij zou niets anders op 't doek kunnen brengen dan
een groote schaduw met twee of drie lichtende punten, die echter slechts
een onzeker schijnsel zouden afwerpen.