II.

Ik overdrijf deze verrassende en dolzinnige verkwisting der natuur niet.

In de beste korven telt men gewoonlijk vier of vijf honderd darren. In

zwakke of verbasterde korven vindt men er dikwijls vier of vijf duizend,

want hoe meer een bijenkorf ten ondergang neigt, des te meer darren

brengt hij voort. Men kan zeggen dat een bijenstand van tien kolonies

gemiddeld op een gegeven oogenblik een volk van tien duizend darren in

de lucht verspreidt, waaronder er tien of hoogstens vijftig zijn, die

kans hebben de eenige daad te volbrengen, waarvoor ze geboren worden.

En ondertusschen putten zij den voorraad der stad uit, en de aanhoudende

arbeid van vijf of zes werkbijen is nauwelijks voldoende om de

vraatzucht en begeerigheid van een dezer parasieten te bevredigen, die

in hun nietsdoen enkel onvermoeid zijn in het eten. Doch de natuur is

altijd grootsch, wanneer ze te doen heeft met de functies of de

voorrechten dor liefde. Karig is ze alleen, waar het de organen en

werktuigen voor den arbeid betreft. In 't bijzonder is ze heftig tegen

al wat de menschen deugd hebben genoemd. Daarentegen telt ze de schatten

en gunsten niet, die ze strooit op het pad ook der minst interessante

gelieven. Van alle kanten roept ze: "Vereenigt u, vermenigvuldigt u, er

is geen andere wet, geen ander doel dan de liefde," en ze is vrij er

zachter bij te voegen:--"En leeft daarna voort als ge kunt, dat gaat mij

niet meer aan". Wat men ook doet, wat men ook anders zou verlangen,

overal vindt men deze zelfde moraal weer, die zoozeer afwijkt van de

onze. Let nog eens op haar onrechtvaardige karigheid en onzinnige

weelderigheid bij deze zelfde wezentjes. Van haar geboorte af tot aan

haren dood moet de strenge honingdraagster overal heen, ver weg, naar de

dichtst begroeide streken, om een massa bloemen op te sporen, die

wegschuilen voor den blik. In de doolhoven der honingkelken en de

geheime gangen der helmknopjes moet ze den verborgen honing en 't

stuifmeel opsporen. En toch zijn hare oogen en reukorganen vergeleken

met die der darren als die van een invalide. Al waren deze laatsten

bijna blind en ontbloot van een reukorgaan, dan zouden ze er weinig

onder te lijden hebben, ze zouden het nauwelijks weten. Ze hebben niets

te doen, geen enkele prooi te vervolgen. Hun voedsel wordt hun geheel

klaar voorgezet en hun leven brengen ze door met het opslurpen van den

honing zoo maar van de raat, in de duisternis van den korf. Doch zij

staan in dienst der liefde en de grootste en overbodigste gaven worden

met volle handen in den afgrond der toekomst geworpen. Een van hen op de

duizend heeft ééns in zijn leven de tegenwoordigheid der koninklijke

maagd in de diepte van het azuur te ontdekken. Een op de duizend moet

één enkel oogenblik in de ruimte het spoor volgen van het wijfje, dat

niet tracht te ontvluchten. Dat is voldoende. De partijdige macht heeft

hare ongehoorde schatten, tot in 't overdadige en onzinnige, voor hen

opengesteld. Aan ieder dezer mogelijke (doch zeer onwaarschijnlijke)

minnaars, waarvan er negen honderd negen en negentig gedood worden

enkele dagen na het noodlottig bruiloftsfeest van den duizendste, heeft

ze dertien duizend oogen gegeven aan beide kanten van den kop, terwijl

de werkbij er zes duizend heeft. Ze heeft, volgens de berekeningen van

Cheshire, hunne sprieten voorzien van acht duizend holten voor den reuk,

terwijl de werkbij er geen vijf duizend bezit. Hier hebben we een

voorbeeld van de wanverhouding, die men bijna overal kan opmerken

tusschen de gaven, die ze aan de liefde verleent en die welke ze aan den

arbeid toemeet, tusschen de gunsten, die ze uitstort over hetgeen het

leven hooger opvoert door eenig genoegen, en de onverschilligheid

waarmee ze aan zijn lot overlaat al wat geduldig zich staande houdt in

moeite en kommer.

Wie naar waarheid het karakter der natuur zou willen schilderen, naar de

trekken, die men aldus te zien krijgt, hij zou er iets zeer

buitengewoons van maken, dat geenerlei gelijkenis zou vertoonen met ons

ideaal, en toch moet ook dit uit haar voortkomen. Aan den mensch echter

zijn veel te veel zaken onbekend dan dat hij dit portret zou durven

onderhanden nemen; hij zou niets anders op 't doek kunnen brengen dan

een groote schaduw met twee of drie lichtende punten, die echter slechts

een onzeker schijnsel zouden afwerpen.

Het leven der bijen · 第 99 / 136 题