XVII.

En toch zou 't ons moeielijk vallen niet op te merken, dat daden, die er

geheel en al uitzien als daden van voorzichtigheid en verstand, het

gelukkig toeval te voorschijn roepen of doen voortduren. Van waar gaan

zij uit? Van het voorwerp zelf of van de kracht, waaruit dit het leven

put? Ik zal niet zeggen: "dat komt er weinig op aan"; integendeel, er

zou ons enorm veel aan gelegen liggen, dat te weten. Maar in afwachting

van het antwoord op deze vraag, of het de bloem zelve is, die er met

alle krachten naar streeft het leven, dat de natuur in haar gelegd

heeft, te onderhouden en te volmaken, of dat de natuur haar best doet

dat deel van het leven, hetwelk de bloem heeft aangenomen, te

onderhouden en te verbeteren, of eindelijk dat het toeval ten slotte het

toeval regelt, pleiten talloos veel verschijnselen er voor te gelooven,

dat iets hetwelk aan onze hoogste gedachten beantwoordt, bij tijden te

voorschijn treedt uit een groot geheel, dat we moeten bewonderen zonder

te kunnen zeggen, waar het zich bevindt.

't Lijkt ons toe alsof er somtijds iets verkeerds uit dat groot geheel

te voorschijn komt. Maar al weten we ook al heel weinig, menigmaal

hebben we gelegenheid op te merken, dat dit verkeerde juist een daad van

voorzichtigheid is, die boven het bereik lag van onzen eersten blik.

Zelfs in het kleine kringetje, dat onze oogen omvatten, kunnen we de

ontdekking doen, dat zoo de natuur zich hier schijnt te vergissen, dit

gebeurt omdat ze het nuttig oordeelt ginds hare schijnbare nalatigheid

weer goed te maken. Ze heeft de drie bloemen, waarvan we spraken, in zoo

ongunstige omstandigheden geplaatst, dat ze zichzelven niet kunnen

bevruchten, doch dit is zoo omdat ze er voordeel in ziet, zonder dat wij

begrijpen waarom, deze drie bloemen door hunne buren te doen bevruchten;

en het genie, dat ze rechts in gebreke bleef te toonen, openbaart ze ter

linkerzijde door het vernuft harer slachtoffers te scherpen. De wegen en

omwegen van dezen genius blijven ons onverklaarbaar, doch zijn peil

blijft steeds hetzelfde. Het schijnt te dalen door een of andere

vergissing, als we aannemen dat eene vergissing mogelijk is, doch

onmiddellijk daarna stijgt het weer hooger in het orgaan, dat belast is

met het herstel der fout. Hoe wij ons ook wenden of keeren, het staat

hooger dan wij. Het is de cirkelvormige oceaan, de onmetelijke

watervlakte zonder laagste peil, waarop onze stoutste en

onafhankelijkste gedachten nooit iets anders zullen zijn dan willig

schuim. Heden noemen we het natuur, en morgen zullen we er misschien een

anderen, vreeselijker of zachter naam voor vinden. En ondertusschen

heerscht het gelijktijdig en gelijkmatig over leven en dood, en

verschaft aan die beide onverzoenlijken de prachtige of gemeenzame

wapenen, die zijn boezem bedreigen en sieren tevens.

Het leven der bijen · 第 94 / 136 题