Wat nu de vraag betreft of deze genius maatregelen neemt om te
onderhouden wat leeft en zich beweegt op zijne oppervlakte, of dat men
dezen zonderlingen cirkel moet afsluiten door het zeggen, dat wat zich
op zijne oppervlakte beweegt, maatregelen neemt tegen den genius zelf,
die het doet leven, dat blijven open vragen. We kunnen onmogelijk te
weten komen of eenige soort heeft voortbestaan ondanks de gevaarlijke
zorgen van dien hoogsten wil, onafhankelijk daarvan, of wel juist
daardoor.
Al wat we kunnen constateeren is, dat die of die soort bestaat, en dat
bij gevolg de natuur op dit punt gelijk heeft gekregen. Wie zal ons
echter zeggen hoevele andere, die wij niet gekend hebben, gevallen zijn
als slachtoffers, van haar verstand in zijn vergeetachtigheid of onrust?
Al wat we verder nog kunnen constateeren is, welke verrassende en
somtijds vijandelijke vormen het vreemde fluïdum, dat we leven noemen,
aanneemt, nu eens in absolute onbewustheid, dan weder in een soort van
bewustheid, het fluïdum dat ons bezielt zoo goed als al het overige, en
dat onze gedachten schept, die een oordeel daarover uitspreken en onze
onbeduidende stem, die haar best doet er over te praten.