XVI.

't Kan zijn; maar dan leert zulk een gelukkig toeval ons lessen van

bewondering, die vrij wel gelijk staan met die welke we zouden opdoen

als het meer dan toeval was. Laat ons niet enkel onze aandacht schenken

aan de wezens, die een schemering van verstand of bewustzijn bezitten en

kunnen strijden tegen de blinde wetten, laat ons zelfs niet stilstaan

bij de eerste schaduwachtige vertegenwoordigers van het beginnende

dierenrijk: de Protozoën. De proeven van den beroemden microscopist

M.H.J. Carter, F.R.S., toonen dat zich inderdaad reeds een wil,

verlangens, voorkeur openbaren in zulke oneindig kleine embryo's als de

myxomyceten; dat er bij infusiediertjes, oogenschijnlijk ontbloot van

alle organisme, list wordt aangewend, zooals b.v. bij de _Amoeba_, die

met huichelachtig geduld loert op de jonge _Acineten_, als ze uit het

moederei te voorschijn komen, daar ze weet, dat ze op dat oogenblik nog

geen giftige sprieten hebben. Deze _Amoeba_ nu bezit noch zenuwstelsel,

noch eenig waarneembaar orgaan. Laat ons regelrecht afgaan op de

planten, die onbewegelijk zijn en schijnbaar afhankelijk van alle

gebeurlijkheden, en zonder stil te staan bij de vleeschetende planten,

de _Drosera's_ b. v., die werkelijk net doen als dieren, liever de

scherpzinnigheid bestudeeren, welke wordt aan den dag gelegd door onze

eenvoudigste planten om te maken dat het bezoek eener bij noodzakelijk

de kruisbestuiving ten gevolge heeft, die noodzakelijk voor hen is. Let

op het wonderbare spel van rostellum en retinaculum in verband met de

kleverigheid en het mathematisch en automatisch overhellen der massa

pollinis (stuifmeelmassa) in de _Orchis Morio_, de nederige orchidee

onzer velden[1]; onderzoek eens de onfeilbare bascule van de twee

helmknopjes der salie, die op een bepaalde plaats het lichaam van het

insekt, dat hen bezoekt, aanraken, om te maken, dat dit op zijne beurt

op een nauwkeurig bepaalde plaats den stempel van een naburige bloem

raakt; let verder eens op het successievelijke kartelen van de

_Pedicularis Sylvatica_ (bosch-kartelblad) en de berekeningen van haren

stempel. Zodra de bij komt, zien we alle organen dezer drie bloemen in

beweging geraken op de wijze van die ingewikkelde mechaniek, die men op

onze dorpskermissen zien kan, en die in beweging geraakt, wanneer een

behendig schutter het zwarte punt van de schijf heeft getroffen.

We zouden nog lager kunnen afdalen en, evenals Ruskin in zijn _Ethics of

the Dust_ gedaan heeft, de gewoonten, het karakter en de listen en lagen

der kristallen aantoonen, hunne onderlinge twisten, wat ze doen indien

een vreemd lichaam hunne plannen komt verstoren, plannen die ouder zijn

dan al wat onze verbeelding maar kan bevatten, de wijze waarop ze een

vijand toelaten of weren; de mogelijke zegepraal van den zwaksten over

den sterksten, zoo b.v. bij het almachtige Kwarts, dat beleefd de plaats

ruimt voor het nederige en huichelachtige Epidoot (een soort van

porphyr) en dit vergunt zich over hem te legeren, den nu eens

verschrikkelijken, dan weer bewonderenswaardigen strijd van het

rotskristal met het ijzer, den regelmatigen, vlekkeloozen groei en de

ongenaakbare reinheid van 't eene blok hyalith (glas-opaal) dat reeds

bij voorbaat alle vlekken weert, en het ziekelijk opwassen, de

klaarblijkelijke onzedelijkheid van zijn broeder, die deze vlekken

aanneemt en kommerlijk voortkruipt in het ledig; we zouden de

zonderlinge verschijnselen van aaneenvoeging en samengroeiing der

kristallen kunnen aanhalen, waarvan Claude Bernard spreekt, enz.....

Doch deze geheimen zijn ons al te vreemd. We houden ons maar aan onze

bloemen, de laatste gestalten van een leven, dat nog eenige verwantschap

met het onze heeft. We hebben hier niet meer te doen met dieren of

insekten, aan wie wij een redelijken en eigen wil toeschrijven,

krachtens welken zij zich in stand houden. Terecht of ten onrechte

schrijven wij er hun geen toe. In ieder geval kunnen wij bij hen geen

spoor ontdekken van die organen in welke gewoonlijk de wil, het

verstand, het initiatief tot de daad ontstaan en zetelen. Bijgevolg komt

al wat in hen op zoo bewonderenswaardige wijze werkt, onmiddellijk van

datgene wat wij elders de Natuur noemen. 't Is niet meer het intellekt

van den individu, doch de onbewuste en ongedeelde kracht, die strikken

spant aan andere van haar afwijkende vormen. Zullen we daar nu uit

opmaken, dat deze strikken iets anders zijn dan louter toevallige

omstandigheden, die door eveneens toevallige gewoonten regel zijn

geworden? We hebben daartoe nog niet het recht. Wel kan men zeggen, dat

bij gebreke van dit wonderbaar samentreffen deze bloemen niet zouden

hebben voortbestaan, maar dat ze zouden zijn vervangen door andere,

welke geen kruisbestuiving noodig hadden, zonder dat iemand het

niet-bestaan der eersten had opgemerkt, zonder dat het leven, dat over

de aarde golft, ons minder onbegrijpelijk, minder verscheiden of minder

verbazingwekkend was voorgekomen.

[1] Het is onmogelijk hier in bijzonderheden de beschrijving te geven

van dezen merkwaardigen valstrik, dien Darwin ons mededeelt. Hier volgt

een ruwe schets: het stuifmeel der _Orchis Morio_ is niet korrelig maar

kleeft samen in den vorm van kleine knotsjes, pollinium of _massa

pollinis_ genoemd. Ieder dezer knotsjes (het zijn er twee) eindigt van

onderen in een kleverig kliertje (het _retinaculum_) dat is vervat in

een soort van vliezig zakje (het _Rostellum_), hetwelk bij de geringste

aanraking openspringt. Wanneer een bij op de bloem gaat zitten, komt

haar kopje als het zich uitstrekt om het honingsap er uit te halen, in

aanraking met het vliezig zakje, dat scheurt en de twee kleverige

kliertjes bloot legt. Dank zij de kleverigheid dezer kliertjes hecht

zich het _pollinium_ uit die beide aan het kopje van het insekt, dat dit

bij het verlaten der bloem meeneemt als twee knobbelige horentjes.

Bleven deze, die vol stuifmeel zitten, recht en stijf, dan zouden ze op

het oogenblik, dat de bij in een naburige Orchidee binnendringt, den

vliezigen zak der tweede bloem aanraken en dezen eenvoudig doen barsten,

doch ze zouden den _stempel_, het vrouwelijk orgaan, dat bevrucht moet

worden, niet bereiken, daar het onder dien vliezigen zak ligt. De genius

van de _Orchis Morio_ heeft die moeielijkheid voorzien en na verloop van

dertig seconden, dat is dus juist de tijd, dien het insekt noodig heeft

om klaar te komen met het uitzuigen van het honingsap en het overgaan op

een andere bloem, droogt de steel van het kleine knotsje op en

schrompelt ineen, altijd naar denzelfden kant en in dezelfde richting;

de knobbel, die het stuifmeel bevat, begint te hellen, en de hoek van

die helling is zoodanig berekend, dat hij zich op het oogenblik dat de

bij in de naburige bloem binnendringt, precies op de plaats van den

stempel bevindt, waarop hij zijn bevruchtend stof moet uitstorten. (Men

zie voor alle bijzonderheden van dit intiem drama in de onbewuste wereld

der bloemen, de merkwaardige studie van Ch. Darwin; _Over de bevruchting

der Orchideeën door de insekten, en de goede gevolgen der kruising,

1862)._

Het leven der bijen · 第 93 / 136 题