't Kan zijn; maar dan leert zulk een gelukkig toeval ons lessen van
bewondering, die vrij wel gelijk staan met die welke we zouden opdoen
als het meer dan toeval was. Laat ons niet enkel onze aandacht schenken
aan de wezens, die een schemering van verstand of bewustzijn bezitten en
kunnen strijden tegen de blinde wetten, laat ons zelfs niet stilstaan
bij de eerste schaduwachtige vertegenwoordigers van het beginnende
dierenrijk: de Protozoën. De proeven van den beroemden microscopist
M.H.J. Carter, F.R.S., toonen dat zich inderdaad reeds een wil,
verlangens, voorkeur openbaren in zulke oneindig kleine embryo's als de
myxomyceten; dat er bij infusiediertjes, oogenschijnlijk ontbloot van
alle organisme, list wordt aangewend, zooals b.v. bij de _Amoeba_, die
met huichelachtig geduld loert op de jonge _Acineten_, als ze uit het
moederei te voorschijn komen, daar ze weet, dat ze op dat oogenblik nog
geen giftige sprieten hebben. Deze _Amoeba_ nu bezit noch zenuwstelsel,
noch eenig waarneembaar orgaan. Laat ons regelrecht afgaan op de
planten, die onbewegelijk zijn en schijnbaar afhankelijk van alle
gebeurlijkheden, en zonder stil te staan bij de vleeschetende planten,
de _Drosera's_ b. v., die werkelijk net doen als dieren, liever de
scherpzinnigheid bestudeeren, welke wordt aan den dag gelegd door onze
eenvoudigste planten om te maken dat het bezoek eener bij noodzakelijk
de kruisbestuiving ten gevolge heeft, die noodzakelijk voor hen is. Let
op het wonderbare spel van rostellum en retinaculum in verband met de
kleverigheid en het mathematisch en automatisch overhellen der massa
pollinis (stuifmeelmassa) in de _Orchis Morio_, de nederige orchidee
onzer velden[1]; onderzoek eens de onfeilbare bascule van de twee
helmknopjes der salie, die op een bepaalde plaats het lichaam van het
insekt, dat hen bezoekt, aanraken, om te maken, dat dit op zijne beurt
op een nauwkeurig bepaalde plaats den stempel van een naburige bloem
raakt; let verder eens op het successievelijke kartelen van de
_Pedicularis Sylvatica_ (bosch-kartelblad) en de berekeningen van haren
stempel. Zodra de bij komt, zien we alle organen dezer drie bloemen in
beweging geraken op de wijze van die ingewikkelde mechaniek, die men op
onze dorpskermissen zien kan, en die in beweging geraakt, wanneer een
behendig schutter het zwarte punt van de schijf heeft getroffen.
We zouden nog lager kunnen afdalen en, evenals Ruskin in zijn _Ethics of
the Dust_ gedaan heeft, de gewoonten, het karakter en de listen en lagen
der kristallen aantoonen, hunne onderlinge twisten, wat ze doen indien
een vreemd lichaam hunne plannen komt verstoren, plannen die ouder zijn
dan al wat onze verbeelding maar kan bevatten, de wijze waarop ze een
vijand toelaten of weren; de mogelijke zegepraal van den zwaksten over
den sterksten, zoo b.v. bij het almachtige Kwarts, dat beleefd de plaats
ruimt voor het nederige en huichelachtige Epidoot (een soort van
porphyr) en dit vergunt zich over hem te legeren, den nu eens
verschrikkelijken, dan weer bewonderenswaardigen strijd van het
rotskristal met het ijzer, den regelmatigen, vlekkeloozen groei en de
ongenaakbare reinheid van 't eene blok hyalith (glas-opaal) dat reeds
bij voorbaat alle vlekken weert, en het ziekelijk opwassen, de
klaarblijkelijke onzedelijkheid van zijn broeder, die deze vlekken
aanneemt en kommerlijk voortkruipt in het ledig; we zouden de
zonderlinge verschijnselen van aaneenvoeging en samengroeiing der
kristallen kunnen aanhalen, waarvan Claude Bernard spreekt, enz.....
Doch deze geheimen zijn ons al te vreemd. We houden ons maar aan onze
bloemen, de laatste gestalten van een leven, dat nog eenige verwantschap
met het onze heeft. We hebben hier niet meer te doen met dieren of
insekten, aan wie wij een redelijken en eigen wil toeschrijven,
krachtens welken zij zich in stand houden. Terecht of ten onrechte
schrijven wij er hun geen toe. In ieder geval kunnen wij bij hen geen
spoor ontdekken van die organen in welke gewoonlijk de wil, het
verstand, het initiatief tot de daad ontstaan en zetelen. Bijgevolg komt
al wat in hen op zoo bewonderenswaardige wijze werkt, onmiddellijk van
datgene wat wij elders de Natuur noemen. 't Is niet meer het intellekt
van den individu, doch de onbewuste en ongedeelde kracht, die strikken
spant aan andere van haar afwijkende vormen. Zullen we daar nu uit
opmaken, dat deze strikken iets anders zijn dan louter toevallige
omstandigheden, die door eveneens toevallige gewoonten regel zijn
geworden? We hebben daartoe nog niet het recht. Wel kan men zeggen, dat
bij gebreke van dit wonderbaar samentreffen deze bloemen niet zouden
hebben voortbestaan, maar dat ze zouden zijn vervangen door andere,
welke geen kruisbestuiving noodig hadden, zonder dat iemand het
niet-bestaan der eersten had opgemerkt, zonder dat het leven, dat over
de aarde golft, ons minder onbegrijpelijk, minder verscheiden of minder
verbazingwekkend was voorgekomen.
[1] Het is onmogelijk hier in bijzonderheden de beschrijving te geven
van dezen merkwaardigen valstrik, dien Darwin ons mededeelt. Hier volgt
een ruwe schets: het stuifmeel der _Orchis Morio_ is niet korrelig maar
kleeft samen in den vorm van kleine knotsjes, pollinium of _massa
pollinis_ genoemd. Ieder dezer knotsjes (het zijn er twee) eindigt van
onderen in een kleverig kliertje (het _retinaculum_) dat is vervat in
een soort van vliezig zakje (het _Rostellum_), hetwelk bij de geringste
aanraking openspringt. Wanneer een bij op de bloem gaat zitten, komt
haar kopje als het zich uitstrekt om het honingsap er uit te halen, in
aanraking met het vliezig zakje, dat scheurt en de twee kleverige
kliertjes bloot legt. Dank zij de kleverigheid dezer kliertjes hecht
zich het _pollinium_ uit die beide aan het kopje van het insekt, dat dit
bij het verlaten der bloem meeneemt als twee knobbelige horentjes.
Bleven deze, die vol stuifmeel zitten, recht en stijf, dan zouden ze op
het oogenblik, dat de bij in een naburige Orchidee binnendringt, den
vliezigen zak der tweede bloem aanraken en dezen eenvoudig doen barsten,
doch ze zouden den _stempel_, het vrouwelijk orgaan, dat bevrucht moet
worden, niet bereiken, daar het onder dien vliezigen zak ligt. De genius
van de _Orchis Morio_ heeft die moeielijkheid voorzien en na verloop van
dertig seconden, dat is dus juist de tijd, dien het insekt noodig heeft
om klaar te komen met het uitzuigen van het honingsap en het overgaan op
een andere bloem, droogt de steel van het kleine knotsje op en
schrompelt ineen, altijd naar denzelfden kant en in dezelfde richting;
de knobbel, die het stuifmeel bevat, begint te hellen, en de hoek van
die helling is zoodanig berekend, dat hij zich op het oogenblik dat de
bij in de naburige bloem binnendringt, precies op de plaats van den
stempel bevindt, waarop hij zijn bevruchtend stof moet uitstorten. (Men
zie voor alle bijzonderheden van dit intiem drama in de onbewuste wereld
der bloemen, de merkwaardige studie van Ch. Darwin; _Over de bevruchting
der Orchideeën door de insekten, en de goede gevolgen der kruising,
1862)._