Dit geval, al is het zelden zóó goed na te gaan als hier, is niet eenig
in de natuurlijke geschiedenis. Onverhuld aanschouwt men hier den strijd
tusschen den welbewusten wil van den triongulin, die wenscht te leven,
en den duisteren, algemeenen wil der natuur, die eveneens verlangt dat
hij zal leven en zelfs dat hij zijn leven nog krachtiger en beter zal
maken dan zijn eigen wil hem zou aandrijven te doen. Doch door een
vreemde zorgeloosheid vernietigt die hem opgelegde verbetering het leven
van den meerdere; en de Sitaris Colletis zou reeds lang verdwenen zijn,
indien niet enkele individuen, afgezonderd door een toeval dat strijdt
met de bedoelingen der natuur, aldus ontkwamen aan de voortreffelijke en
met de toekomst rekenende wet, die overal de zegepraal der sterksten
eischt.
Dus er zijn gevallen, dat de groote macht, die ons onbewust lijkt doch
wel wijs moet zijn, daar het leven, dat ze organiseert en onderhoudt
haar altijd in 't gelijk stelt, dus er zijn gevallen, dat deze een
misgreep doet? Schiet dus hare hoogere rede, die wij aanroepen wanneer
neer we de grenzen der onze bereikt hebben, schiet deze dus te kort? En
indien dat zoo is, wie verhelpt dit dan weer?
Laat ons echter terugkomen op haar onweerstaanbare interventie, die den
vorm der parthenogenesis aanneemt. Vergeet niet, dat deze vraagstukken,
waarop wij stuiten in een wereld, die zeer ver van de onze schijnt af te
staan, ons van nabij raken. Eerstens is het mogelijk, dat alles op
dezelfde wijze toegaat in ons eigen lichaam, waarop we zoo trotsch zijn.
De wil of de geest der natuur, die werkt in onze maag, ons hart en in
het onbewuste deel onzer hersenen, zal al heel weinig verschillen van
dien geest of dien wil in de meest rudimentaire beesten, planten en
zelfs mineralen. En dan, wie zou durven beweren, dat een dergelijke
geheime doch niet minder gevaarlijke interventie nooit voorkomt in de
bewuste sfeer der menschen? Wie heeft ten slotte gelijk in het
onderhavige geval, de natuur of de bij? Wat zou er gebeuren indien deze
óf nog volgzamer óf nog verstandiger was, zoodat ze den wensch der
natuur ten volle begreep, dezen volgde tot het uiterste, en omdat hij
gebiedend darren eischt, deze ook in het oneindige vermenigvuldigde? Zou
ze geen gevaar loopen hare soort te gronde te richten? Moet men
aannemen, dat de natuur bedoelingen heeft, waarvan het gevaarlijk en
noodlottig zou zijn, ze met al te grooten ijver op te volgen, en dat een
harer wenschen deze is, dat men niet al hare verlangens moge begrijpen
en volgen? Is dit misschien niet een der gevaren, die het menschdom
loopt? Wij ook voeden in ons onbewuste krachten, die totaal het
tegendeel willen van hetgeen ons verstand eischt. Is het goed dat dit
verstand, hetwelk gewoonlijk niet meer weet waar het heen zal, nadat
het den ganschen cirkel heeft afgelegd, is het goed, dat het zich
schaart naast deze krachten en onverwachts ook haar gewicht daaraan komt
hechten?