XIV.

Dit geval, al is het zelden zóó goed na te gaan als hier, is niet eenig

in de natuurlijke geschiedenis. Onverhuld aanschouwt men hier den strijd

tusschen den welbewusten wil van den triongulin, die wenscht te leven,

en den duisteren, algemeenen wil der natuur, die eveneens verlangt dat

hij zal leven en zelfs dat hij zijn leven nog krachtiger en beter zal

maken dan zijn eigen wil hem zou aandrijven te doen. Doch door een

vreemde zorgeloosheid vernietigt die hem opgelegde verbetering het leven

van den meerdere; en de Sitaris Colletis zou reeds lang verdwenen zijn,

indien niet enkele individuen, afgezonderd door een toeval dat strijdt

met de bedoelingen der natuur, aldus ontkwamen aan de voortreffelijke en

met de toekomst rekenende wet, die overal de zegepraal der sterksten

eischt.

Dus er zijn gevallen, dat de groote macht, die ons onbewust lijkt doch

wel wijs moet zijn, daar het leven, dat ze organiseert en onderhoudt

haar altijd in 't gelijk stelt, dus er zijn gevallen, dat deze een

misgreep doet? Schiet dus hare hoogere rede, die wij aanroepen wanneer

neer we de grenzen der onze bereikt hebben, schiet deze dus te kort? En

indien dat zoo is, wie verhelpt dit dan weer?

Laat ons echter terugkomen op haar onweerstaanbare interventie, die den

vorm der parthenogenesis aanneemt. Vergeet niet, dat deze vraagstukken,

waarop wij stuiten in een wereld, die zeer ver van de onze schijnt af te

staan, ons van nabij raken. Eerstens is het mogelijk, dat alles op

dezelfde wijze toegaat in ons eigen lichaam, waarop we zoo trotsch zijn.

De wil of de geest der natuur, die werkt in onze maag, ons hart en in

het onbewuste deel onzer hersenen, zal al heel weinig verschillen van

dien geest of dien wil in de meest rudimentaire beesten, planten en

zelfs mineralen. En dan, wie zou durven beweren, dat een dergelijke

geheime doch niet minder gevaarlijke interventie nooit voorkomt in de

bewuste sfeer der menschen? Wie heeft ten slotte gelijk in het

onderhavige geval, de natuur of de bij? Wat zou er gebeuren indien deze

óf nog volgzamer óf nog verstandiger was, zoodat ze den wensch der

natuur ten volle begreep, dezen volgde tot het uiterste, en omdat hij

gebiedend darren eischt, deze ook in het oneindige vermenigvuldigde? Zou

ze geen gevaar loopen hare soort te gronde te richten? Moet men

aannemen, dat de natuur bedoelingen heeft, waarvan het gevaarlijk en

noodlottig zou zijn, ze met al te grooten ijver op te volgen, en dat een

harer wenschen deze is, dat men niet al hare verlangens moge begrijpen

en volgen? Is dit misschien niet een der gevaren, die het menschdom

loopt? Wij ook voeden in ons onbewuste krachten, die totaal het

tegendeel willen van hetgeen ons verstand eischt. Is het goed dat dit

verstand, hetwelk gewoonlijk niet meer weet waar het heen zal, nadat

het den ganschen cirkel heeft afgelegd, is het goed, dat het zich

schaart naast deze krachten en onverwachts ook haar gewicht daaraan komt

hechten?

Het leven der bijen · 第 91 / 136 题