Hier betrappen we op heeterdaad een hoogeren doch misschien
onvoorzichtigen wil, die met zijn tusschenkomst den van verstand
getuigenden wil van sommige levens met onweerstaanbare kracht
tegenwerkt. Dergelijke interventies zijn in de wereld der insekten vrij
veelvuldig en het is merkwaardig ze daar te bestudeeren. Daar deze
wereld rijker bevolkt en samengestelder is dan de overigen kan men
sommige wenschen der natuur daar nog beter waarnemen en men verrast haar
daar te midden van allerlei proefnemingen, die men voor onvoltooid zou
kunnen houden.
Zoo heeft ze b.v. één grooten wensch, dien ze overal aan den dag
legt,--te weten: de verbetering van iedere soort door het overleven van
den sterkste. Gemeenlijk is de strijd goed georganiseerd. Het
doodenoffer der zwakken is enorm groot, dat kan haar weinig schelen
ingeval de belooning van den overwinnaar maar ontwijfelbaar en zeker is.
Doch er zijn gevallen, waarin men zeggen zou, dat ze nog niet den tijd
heeft gehad hare combinaties weer te ontbinden, waarbij het lot van den
overwinnaar al even rampzalig is als dat der overwonnenen. En om bij
onze bijen te blijven, in dit opzicht ken ik niets treffenders dan de
geschiedenis der triongulins der _Sitaris Colletis_. Men zal trouwens
zien, dat verscheidene bijzonderheden dezer geschiedenis niet zoo vreemd
zijn aan die van den mensch als men geneigd zou zijn te meenen.
Deze triongulins zijn de primaire larven van de parasiet eener wilde,
afgezonderd levende bij met een stompe tong, de Colletis, die haar nest
bouwt in onderaardsche gangen. Voor de opening dezer gangen loeren ze op
de bij en ten getale van drie, vier, vijf en somtijds meer klampen ze
zich aan haar haren vast en gaan op haar rug zitten. Had de strijd der
sterken tegen de zwakken op dit oogenblik plaats, dan zou er verder
niets over te zeggen vallen en alles zou zijn verloop hebben volgens de
algemeene wet. Maar, waarom weet men niet, hun instinkt wil en bijgevolg
beveelt de natuur, dat ze zich rustig houden zoo lang ze op den rug der
bij zitten. Terwijl deze de bloemen bezoekt, haar cellen bouwt en van
levensmiddelen voorziet, wachten ze geduldig hun tijd af.--Maar zoodra
er een ei is gelegd springen alle er op, en de onschuldige Colletis
sluit de goed van levensmiddelen voorziene cel zorgvuldig dicht, zonder
te vermoeden, dat ze er tevens den dood harer nakomelingschap in
opsluit.
Zoodra de cel dicht is begint onmiddellijk rondom het ééne ei de
onvermijdelijke en heilzame strijd der natuurlijke teeltkeus tusschen de
triongulins. De sterkste of handigste grijpt zijn tegenstander bij zijn
gevoeligste plaats, beurt hem boven zijn kop en houdt hem zóó uren lang
in zijn kaken totdat hij bezwijkt. Doch gedurende dezen kamp heeft een
andere triongulin, die óf nog alleen over was óf zijn mededinger reeds
overwonnen heeft, zich meester gemaakt van het ei en is er aan begonnen.
Dan moet de laatste overwinnaar het nog klaar spelen met dezen nieuwen
vijand, wat hem niet moeielijk valt, want de triongulin, die een honger
heeft te stillen welke reeds van vóór zijn geboorte dateert, hecht zich
zóó hardnekkig aan zijn ei, dat hij aan geen zelfverdediging denkt.
Eindelijk is ook hij gedood en is de ander alleen met het zoo kostbare
en met zooveel moeite veroverde ei. Begeerig steekt hij zijn kop in de
door zijn voorganger gemaakte opening en zet zich aan den langen
maaltijd, die hem in een volkomen insekt zal herscheppen, en hem de
noodige middelen moet verschaffen om uit de cel te komen, waarin hij is
opgesloten. De natuur echter, die deze proef van den strijd verlangt,
heeft van een anderen kant het loon van deze zegepraal met zoo karige
nauwgezetheid berekend, dat een ei juist voldoende is voor het voedsel
van een enkelen triongulin. "Zoodat," zegt Mayet, wien wij het verhaal
van dit verbijsterend ongeval te danken hebben, "zoodat onze overwinnaar
al het voedsel mist, dat zijn laatste vijand vóór zijn dood heeft
verzwolgen, en zoo sterft hij op zijn beurt, daar hij niet in staat is
de eerste gedaanteverwisseling te doorstaan, blijft aan het vlies van
het ei hangen of vermeerdert het aantal der in het zoete vocht
verdronkenen met één."