XIII.

Hier betrappen we op heeterdaad een hoogeren doch misschien

onvoorzichtigen wil, die met zijn tusschenkomst den van verstand

getuigenden wil van sommige levens met onweerstaanbare kracht

tegenwerkt. Dergelijke interventies zijn in de wereld der insekten vrij

veelvuldig en het is merkwaardig ze daar te bestudeeren. Daar deze

wereld rijker bevolkt en samengestelder is dan de overigen kan men

sommige wenschen der natuur daar nog beter waarnemen en men verrast haar

daar te midden van allerlei proefnemingen, die men voor onvoltooid zou

kunnen houden.

Zoo heeft ze b.v. één grooten wensch, dien ze overal aan den dag

legt,--te weten: de verbetering van iedere soort door het overleven van

den sterkste. Gemeenlijk is de strijd goed georganiseerd. Het

doodenoffer der zwakken is enorm groot, dat kan haar weinig schelen

ingeval de belooning van den overwinnaar maar ontwijfelbaar en zeker is.

Doch er zijn gevallen, waarin men zeggen zou, dat ze nog niet den tijd

heeft gehad hare combinaties weer te ontbinden, waarbij het lot van den

overwinnaar al even rampzalig is als dat der overwonnenen. En om bij

onze bijen te blijven, in dit opzicht ken ik niets treffenders dan de

geschiedenis der triongulins der _Sitaris Colletis_. Men zal trouwens

zien, dat verscheidene bijzonderheden dezer geschiedenis niet zoo vreemd

zijn aan die van den mensch als men geneigd zou zijn te meenen.

Deze triongulins zijn de primaire larven van de parasiet eener wilde,

afgezonderd levende bij met een stompe tong, de Colletis, die haar nest

bouwt in onderaardsche gangen. Voor de opening dezer gangen loeren ze op

de bij en ten getale van drie, vier, vijf en somtijds meer klampen ze

zich aan haar haren vast en gaan op haar rug zitten. Had de strijd der

sterken tegen de zwakken op dit oogenblik plaats, dan zou er verder

niets over te zeggen vallen en alles zou zijn verloop hebben volgens de

algemeene wet. Maar, waarom weet men niet, hun instinkt wil en bijgevolg

beveelt de natuur, dat ze zich rustig houden zoo lang ze op den rug der

bij zitten. Terwijl deze de bloemen bezoekt, haar cellen bouwt en van

levensmiddelen voorziet, wachten ze geduldig hun tijd af.--Maar zoodra

er een ei is gelegd springen alle er op, en de onschuldige Colletis

sluit de goed van levensmiddelen voorziene cel zorgvuldig dicht, zonder

te vermoeden, dat ze er tevens den dood harer nakomelingschap in

opsluit.

Zoodra de cel dicht is begint onmiddellijk rondom het ééne ei de

onvermijdelijke en heilzame strijd der natuurlijke teeltkeus tusschen de

triongulins. De sterkste of handigste grijpt zijn tegenstander bij zijn

gevoeligste plaats, beurt hem boven zijn kop en houdt hem zóó uren lang

in zijn kaken totdat hij bezwijkt. Doch gedurende dezen kamp heeft een

andere triongulin, die óf nog alleen over was óf zijn mededinger reeds

overwonnen heeft, zich meester gemaakt van het ei en is er aan begonnen.

Dan moet de laatste overwinnaar het nog klaar spelen met dezen nieuwen

vijand, wat hem niet moeielijk valt, want de triongulin, die een honger

heeft te stillen welke reeds van vóór zijn geboorte dateert, hecht zich

zóó hardnekkig aan zijn ei, dat hij aan geen zelfverdediging denkt.

Eindelijk is ook hij gedood en is de ander alleen met het zoo kostbare

en met zooveel moeite veroverde ei. Begeerig steekt hij zijn kop in de

door zijn voorganger gemaakte opening en zet zich aan den langen

maaltijd, die hem in een volkomen insekt zal herscheppen, en hem de

noodige middelen moet verschaffen om uit de cel te komen, waarin hij is

opgesloten. De natuur echter, die deze proef van den strijd verlangt,

heeft van een anderen kant het loon van deze zegepraal met zoo karige

nauwgezetheid berekend, dat een ei juist voldoende is voor het voedsel

van een enkelen triongulin. "Zoodat," zegt Mayet, wien wij het verhaal

van dit verbijsterend ongeval te danken hebben, "zoodat onze overwinnaar

al het voedsel mist, dat zijn laatste vijand vóór zijn dood heeft

verzwolgen, en zoo sterft hij op zijn beurt, daar hij niet in staat is

de eerste gedaanteverwisseling te doorstaan, blijft aan het vlies van

het ei hangen of vermeerdert het aantal der in het zoete vocht

verdronkenen met één."

Het leven der bijen · 第 90 / 136 题