Wanneer de jeugdige vorstin op deze wijze de wiegen heeft vernield of
hare mededingster gedood, wordt ze door het volk erkend, en om in
waarheid te regeeren en zich behandeld te zien evenals vroeger hare
moeder, blijft haar niets meer overig dan hare paringsvlucht te
volbrengen; want de bijen bemoeien zich weinig met haar en bewijzen haar
weinig eer zoolang ze nog onbevrucht is. Dikwijls echter is hare
geschiedenis minder eenvoudig, en slechts zelden weerstaan de werkbijen
hun verlangen een tweeden keer te zwermen.
In dit geval komt ze evenals in het eerste, en gedreven door hetzelfde
voornemen, naar de koninklijke cellen toe, doch in plaats van daar
onderworpen dienaressen te vinden, die haar aanmoedigen, stuit ze op een
sterke vijandelijke macht, die haar den weg verspert. Opgewonden, en
steeds aangedreven door haar idée fixe, wil ze zich met geweld een
doortocht banen of een anderen weg inslaan, doch overal ontmoet ze
schildwachten, die de slapende prinsessen bewaken. Ze wil doorzetten,
doet een nieuwen aanval, doch met steeds meer kracht stoot men haar
terug en mishandelt haar zelfs, tot ze eenigszins vaag begint te
begrijpen, dat die kleine werkbijen een wet vertegenwoordigen, waarvoor
de wet die haar aandrijft moet wijken.
Eindelijk verwijdert ze zich, en in haar nog niet gekoelde drift loopt
ze van raat tot raat onder het aanheffen van dien eigenaardigen
krijgszang of dreigende klacht, die iedere bijenhouder kent en die
gelijkt op den zilveren klank van een verwijderde trompet; dit geluid
van onmacht en verbittering is zóó krachtig, dat men het vooral 's
avonds, op drie of vier meter afstands door de dubbele wanden van den
korf heen hoort, al is die ook nog zoo goed gesloten.
Deze koninklijke kreet heeft een magischen invloed op de werkbijen. Hij
vervult hen met een soort van eerbiedigen schrik of verbijstering, en
wanneer de koningin hem doet weerklinken over de cellen waarvan men haar
verwijderd houdt, dan staan de wachten die haar omringen en lastig
vallen plotseling stil, buigen het hoofd, en wachten onbewegelijk, of
hij niet zal ophouden te weerklinken. Overigens meent men, dat juist
door de overmacht van dezen kreet, dien hij nabootst, de
Doodshoofd-vlinder in de korven kan komen om zich aan honing te goed te
doen, zonder dat de bijen er aan denken hem aan te vallen.
Twee of drie, en soms wel vijf dagen achtereen worden deze klaagtonen
der gesmade aldus gehoord, die de in bescherming genomen pretendenten
ten strijde oproepen. Ondertusschen komen deze tot ontwikkeling, willen
op hunne beurt het licht aanschouwen en beginnen de deksels hunner
cellen te doorknagen. Groote wanorde bedreigt de republiek. Doch toen de
genius van den korf zijn besluit nam, heeft hij alle gevolgen daarvan
overzien en de bewaaksters, die goed op de hoogte zijn, weten van uur
tot uur wat hun te doen staat om de onverhoedse stooten van het
gedwarsboomd instinkt te pareeren en twee vijandelijke krachten tot een
zelfde doel te doen samenwerken. Ze weten, dat de jonge koninginnen, die
naar het geboorte-uur verlangen, indien ze er in slaagden te ontsnappen,
in de handen hunner reeds onoverwinnelijke oudere zuster zouden vallen,
die ze een voor een zou vernietigen. Terwijl dus een der ingesperden van
binnen de poorten harer gevangenis afknaagt, bedekken zij die van buiten
met een nieuwe laag was, en de ongeduldige zet hardnekkig haar werk
voort zonder liet minste vermoeden, dat ze te doen heeft met een
betooverden hinderpaal, die uit de puinhoopen steeds nieuw verrijst.
Onderwijl hoort ze de uitdagende kreten van hare mededingster, en daar
ze haar bestemming en hare koninklijke plichten reeds kent nog vóór ze
een blik heeft kunnen werpen op het leven en weet wat een bijenkorf is,
beantwoordt ze die heldhaftig van uit hare gevangenis. Daar echter hare
kreten de wanden van een grafgewelf moeten doordringen, klinken ze
geheel anders, dof, hol, en de bijenhouder die 's avonds, wanneer op de
velden alle geluid verstomt en het zwijgen der sterren begint, de
wonderbare steden komt ondervragen, herkent en begrijpt de beteekenis
van deze samenspraak tusschen de ronddwalende maagd en de gevangenen.