Nadat we dit gezegd hebben, keeren we terug naar onze stad, die op nieuw
wordt bevolkt, waar onophoudelijk nieuwe wiegen opengaan en zelfs de
substantie der muren in beweging komt. Deze stad heeft echter nog geene
koningin. Aan de kanten van een der middelste raten verheffen zich zeven
à acht zonderlinge gebouwtjes, die op de golvende vlakte der gewone
cellen doen denken aan de protuberances en kringen, die de
photographieën der maan zoo vreemd maken. 't Zijn een soort capsules van
ruwe was of hangende, volkomen gesloten eikels, die de plaats van drie
of vier werkbijen-cellen innemen. Gewoonlijk liggen ze in een groep
bijeen en een sterke, buitengewoon bezorgde en oplettende wacht behoedt
dit gebied, dat een soort ontzag schijnt in te boezemen. Daar komen de
moeders tot ontwikkeling. In ieder dezer huisjes is vóór het vertrek van
den zwerm een eitje neergelegd, 't zij door de moeder zelve, 't zij nog
waarschijnlijker, hoewel men er zich niet van heeft kunnen vergewissen,
door de voedsters, die het daarheen overbrengen uit een of andere cel
uit de buurt.
Drie dagen daarna ontwikkelt zich uit dat ei een made, waaraan men een
bijzonder en zoo overvloedig mogelijk voedsel toedient; en hier kunnen
we één voor één de bewegingen nagaan van een dier verrukkelijk vulgaire
methoden der natuur, die wij indien het menschen gold, met den verheven
naam van Fataliteit zouden omkleeden. Het kleine larfje ontwikkelt zich
dank zij dit stelsel van opvoeding op een gansch bijzondere wijze, en
zijn denkbeelden worden tegelijk met zijn lichaam dermate gewijzigd, dat
de bij, die daaruit geboren wordt, tot een geheel ander ras van insekten
schijnt te behooren.
Ze zal vier of vijf jaar leven in plaats van zes of zeven weken. Haar
lijf wordt tweemaal langer, haar kleur glanziger en lichter, haar angel
krom. Haar oogen zullen slechts acht à negen duizend facetten tellen in
plaats van twaalf of dertien duizend. Haar brein wordt beperkter, maar
haar eierstokken enorm groot, en ze zal een afzonderlijk orgaan, de
zaadblaas, bezitten, die haar om zoo te zeggen tot een hermaphrodiet
maakt. Ze krijgt geen der organen voor een leven van inspanning: noch
zakjes om was af te scheiden, noch borstels, noch korfjes om er het
stuifmeel in te verzamelen. Ze zal geen der gewoonten en geen der
hartstochten kennen, die wij onafscheidelijk achten van de bij. Ze zal
geen verlangen koesteren naar de zon, noch behoefte aan de open lucht,
en sterven zonder een enkele bloem bezocht te hebben. Haar leven zal ze
doorbrengen in de duisternis en de drukte van de groote menigte, met het
onvermoeid opzoeken van wiegjes om ze te bevolken. Daarentegen zal
alleen zij de onrust der liefde kennen. Ze is er niets eens zeker van,
dat ze twee oogenblikken in haar leven het licht zal aanschouwen---want
het uitvliegen van den zwerm is niet onvermijdelijk--misschien zal ze
slechts eenmaal gebruik maken van hare vleugels, doch dan om den minnaar
te gemoet te vliegen! 't Is merkwaardig, dat zooveel dingen, dat
organen, denkbeelden, verlangens, gewoonten, een gansch levenslot aldus
liggen opgesloten, niet in een zaadje--dat zou het gewone wonder zijn
van plant, dier en mensch--doch in een vreemde en levenlooze substantie:
ineen druppel honing[1].
[1] Sommige bijenkenners beweren, dat werkbijen en koninginnen na het
opengaan van het ei hetzelfde voedsel ontvangen, een soort melk, die
zeer rijk is aan stikstof en wordt afgescheiden door een afzonderlijke
klier, waarvan de kop der voedsters is voorzien. Maar na verloop van
enkele dagen worden de larfjes der werkbijen gespeend en onder het
grover diëet van honing en stuifmeel gesteld, terwijl daarentegen de
toekomstige koningin tot aan hare volkomen ontwikkeling wordt volgepropt
met de kostbare melk, die koninginne-pap genoemd wordt. Hoe dit ook zij,
de resultaten blijven daarom evenzeer een wonder.