De meest vermoeiende bezigheden echter worden haar in den beginne
bespaard. Eerst acht dagen na hare geboorte komt ze uit den korf om haar
eerste "reinigings-vlucht" te volbrengen en lucht op te doen in hare
lucht-buizen, die zwellen, haar gansche lichaam doen uitzetten en haar
van dat oogenblik af huwen aan de ruimte. Daarna komt ze terug, wacht
nog een week en dan wordt haar eerste uitgang als honingdraagster in
gezelschap harer zusters georganiseerd, onder een heel eigenaardige
zenuwachtigheid, die door de bijenhouders kunst-zon wordt genoemd.
Liever nog zou men het onrust-zon moeten noemen. Men ziet inderdaad, dat
ze bang zijn, dat zij, de dochteren van de beperkte duistere ruimte en
van de menigte, bang zijn voor dien azuren afgrond men de oneindige
eenzaamheid van het licht, en hunne om zich tastende opgewektheid is van
vrees geweven. Ze loopen voor de poort heen en weer, ze dralen,
vertrekken en komen terug, wel twintig keeren achtereen. Ze wiegelen op
de lucht, en met het kopje onafgewend naar het tehuis gekeerd,
beschrijven ze groote kringen in opwaartsche beweging, doch plotseling
als gedrukt door spijt dalen ze weder, en hunne dertien duizend oogen
ondervragen, weerkaatsen en onthouden alles tegelijk, alle boomen, de
fontein, het hek, het latwerk, de daken en de vensters der omgeving; tot
dat de luchtweg, langs welken ze zich op hunnen terugtocht zullen laten
glijden, even onwrikbaar in hun geheugen staat gegrift, alsof twee
strepen van staal dien afteekenden in den ether.
Alweder een mysterie. Ook dit willen we ondervragen even als die
anderen, en zoo het zwijgt evenals zij, dan wordt door dit zwijgen
althans het veld onzer bewuste onwetendheid, dat het vruchtbaarste is
van alle, die onze activiteit bezit, niet eenige morgens vergroot,
nevelachtig wel is waar, doch bezaaid met goeden wil. Hoe vinden de
bijen hunne woning terug, die ze somtijds onmogelijk kunnen zien, die
dikwijls onder de hoornen verscholen ligt en wier ingang in ieder geval
slechts een onmerkbaar punt is in de onbegrensde ruimte? Hoe komt het,
dat ze maar uiterst zelden verdwalen, als ze in een doosje twee of drie
kilometer ver van den korf worden gebracht?
Kunnen ze dien door alle hinderpalen heen ontdekken? Nemen ze bepaalde
herkenningsteekenen te baat om zich te oriënteeren, of wel bezitten ze
dat bijzondere en nog weinig bekende zintuig, dat wij aan sommige dieren
toeschrijven b.v. aan zwaluwen en duiven, en dat het _zintuig voor de
richting_ genoemd wordt? De proeven van J.H. Fabre, van Lubbock en
vooral van Romanes (in de _Natuur_, 29, Oktober 1886) schijnen uit te
maken, dat ze niet geleid worden door dit merkwaardig instinkt.
Van een anderen kant heb ik meer dan eens geconstateerd, dat ze niet
veel aandacht verleenen aan den vorm of de kleur van den korf. Ze
schijnen er meer op te letten, hoe de plank waarop hun huis rust, er
gewoonlijk uitziet, op de plaatsing van den ingang en het
landings-plankje[1]. Doch zelfs dit is bijkomstig, en indien men tijdens
de afwezigheid der honing-draagsters den gevel hunner woning van boven
tot onder wijzigt, dan komen ze evengoed onmiddellijk daarop af van uit
de diepten van den horizont, en leggen eerst eenige aarzeling aan den
dag op het oogenblik dat ze den onherkenbaren drempel zullen
overschrijden. Hunne wijze van zich te oriënteeren schijnt voor zoover
onze proeven ons daarover een oordeel toelaten, veeleer gebaseerd op een
buitengewoon nauwkeurig opnemen van allerlei kleine kenmerken. Niet den
korf zelf herkennen ze, maar zijn plaatsing met betrekking tot de
voorwerpen in de omgeving, tot op drie vier millimeter benaderd. En dit
kenmerk is zoo merkwaardig, zoo mathematisch zeker en zoo diep in hun
geheugen gegrift, dat alle werkbijen, als men den korf, nadat ze vijf
maanden in een donkeren kelder hebben overwinterd, weer op zijn plankje
zet doch iets meer naar rechts of links dan vroeger, bij hunnen
terugkeer van de eerste bloemen, zonder zich door iets te laten afleiden
rechtstreeks naar de plaats zullen vliegen, waar de korf het vorige jaar
stond, en niet dan tastend eindelijk het verplaatste vlieggat vinden.
Men zou kunnen meenen, dat de ruimte den ganschen winter het
onuitwischbaar spoor hunner tochten had vastgehouden, en dat het paadje,
waar langs ze zich volijverig voortbewogen, in den hemel bleef gegrift.
Wanneer men dan ook een korf verplaatst, verdwalen vele bijen, tenzij er
sprake is van een groote reis en het geheele landschap, dat ze door en
door kennen tot drie of vier kilometer in 't rond, veranderd is, of
tenzij men er voor gezorgd heeft een plankje, een stukje dakpan of een
of andere belemmering voor het vlieggat te plaatsen, waardoor ze
gewaarschuwd worden, dat er iets is veranderd, en ze zich op nieuw
moeten oriënteeren en het juiste punt bepalen.
[1] Het landings-plankje, dat dikwijls niets anders is dan de verlenging
van de plank waarop de korf staat, vormt een soort stoepje, portaaltje
of rustplaats vóór den hoofdingang of 't vlieggat.