II.

De meest vermoeiende bezigheden echter worden haar in den beginne

bespaard. Eerst acht dagen na hare geboorte komt ze uit den korf om haar

eerste "reinigings-vlucht" te volbrengen en lucht op te doen in hare

lucht-buizen, die zwellen, haar gansche lichaam doen uitzetten en haar

van dat oogenblik af huwen aan de ruimte. Daarna komt ze terug, wacht

nog een week en dan wordt haar eerste uitgang als honingdraagster in

gezelschap harer zusters georganiseerd, onder een heel eigenaardige

zenuwachtigheid, die door de bijenhouders kunst-zon wordt genoemd.

Liever nog zou men het onrust-zon moeten noemen. Men ziet inderdaad, dat

ze bang zijn, dat zij, de dochteren van de beperkte duistere ruimte en

van de menigte, bang zijn voor dien azuren afgrond men de oneindige

eenzaamheid van het licht, en hunne om zich tastende opgewektheid is van

vrees geweven. Ze loopen voor de poort heen en weer, ze dralen,

vertrekken en komen terug, wel twintig keeren achtereen. Ze wiegelen op

de lucht, en met het kopje onafgewend naar het tehuis gekeerd,

beschrijven ze groote kringen in opwaartsche beweging, doch plotseling

als gedrukt door spijt dalen ze weder, en hunne dertien duizend oogen

ondervragen, weerkaatsen en onthouden alles tegelijk, alle boomen, de

fontein, het hek, het latwerk, de daken en de vensters der omgeving; tot

dat de luchtweg, langs welken ze zich op hunnen terugtocht zullen laten

glijden, even onwrikbaar in hun geheugen staat gegrift, alsof twee

strepen van staal dien afteekenden in den ether.

Alweder een mysterie. Ook dit willen we ondervragen even als die

anderen, en zoo het zwijgt evenals zij, dan wordt door dit zwijgen

althans het veld onzer bewuste onwetendheid, dat het vruchtbaarste is

van alle, die onze activiteit bezit, niet eenige morgens vergroot,

nevelachtig wel is waar, doch bezaaid met goeden wil. Hoe vinden de

bijen hunne woning terug, die ze somtijds onmogelijk kunnen zien, die

dikwijls onder de hoornen verscholen ligt en wier ingang in ieder geval

slechts een onmerkbaar punt is in de onbegrensde ruimte? Hoe komt het,

dat ze maar uiterst zelden verdwalen, als ze in een doosje twee of drie

kilometer ver van den korf worden gebracht?

Kunnen ze dien door alle hinderpalen heen ontdekken? Nemen ze bepaalde

herkenningsteekenen te baat om zich te oriënteeren, of wel bezitten ze

dat bijzondere en nog weinig bekende zintuig, dat wij aan sommige dieren

toeschrijven b.v. aan zwaluwen en duiven, en dat het _zintuig voor de

richting_ genoemd wordt? De proeven van J.H. Fabre, van Lubbock en

vooral van Romanes (in de _Natuur_, 29, Oktober 1886) schijnen uit te

maken, dat ze niet geleid worden door dit merkwaardig instinkt.

Van een anderen kant heb ik meer dan eens geconstateerd, dat ze niet

veel aandacht verleenen aan den vorm of de kleur van den korf. Ze

schijnen er meer op te letten, hoe de plank waarop hun huis rust, er

gewoonlijk uitziet, op de plaatsing van den ingang en het

landings-plankje[1]. Doch zelfs dit is bijkomstig, en indien men tijdens

de afwezigheid der honing-draagsters den gevel hunner woning van boven

tot onder wijzigt, dan komen ze evengoed onmiddellijk daarop af van uit

de diepten van den horizont, en leggen eerst eenige aarzeling aan den

dag op het oogenblik dat ze den onherkenbaren drempel zullen

overschrijden. Hunne wijze van zich te oriënteeren schijnt voor zoover

onze proeven ons daarover een oordeel toelaten, veeleer gebaseerd op een

buitengewoon nauwkeurig opnemen van allerlei kleine kenmerken. Niet den

korf zelf herkennen ze, maar zijn plaatsing met betrekking tot de

voorwerpen in de omgeving, tot op drie vier millimeter benaderd. En dit

kenmerk is zoo merkwaardig, zoo mathematisch zeker en zoo diep in hun

geheugen gegrift, dat alle werkbijen, als men den korf, nadat ze vijf

maanden in een donkeren kelder hebben overwinterd, weer op zijn plankje

zet doch iets meer naar rechts of links dan vroeger, bij hunnen

terugkeer van de eerste bloemen, zonder zich door iets te laten afleiden

rechtstreeks naar de plaats zullen vliegen, waar de korf het vorige jaar

stond, en niet dan tastend eindelijk het verplaatste vlieggat vinden.

Men zou kunnen meenen, dat de ruimte den ganschen winter het

onuitwischbaar spoor hunner tochten had vastgehouden, en dat het paadje,

waar langs ze zich volijverig voortbewogen, in den hemel bleef gegrift.

Wanneer men dan ook een korf verplaatst, verdwalen vele bijen, tenzij er

sprake is van een groote reis en het geheele landschap, dat ze door en

door kennen tot drie of vier kilometer in 't rond, veranderd is, of

tenzij men er voor gezorgd heeft een plankje, een stukje dakpan of een

of andere belemmering voor het vlieggat te plaatsen, waardoor ze

gewaarschuwd worden, dat er iets is veranderd, en ze zich op nieuw

moeten oriënteeren en het juiste punt bepalen.

[1] Het landings-plankje, dat dikwijls niets anders is dan de verlenging

van de plank waarop de korf staat, vormt een soort stoepje, portaaltje

of rustplaats vóór den hoofdingang of 't vlieggat.

Het leven der bijen · 第 80 / 136 题