I.

Laat ons hiermede onzen jongen korf weer sluiten waar het leven, zijn

cirkelgang hervattend, zich naar buiten openbaart en zich

vermenigvuldigt, om op zijne beurt weer een splitsing te ondergaan,

zoodra het de volheid van kracht en geluk heeft bereikt; en laat ons

voor het laatst de moederstad nog eens openen, om te zien wat daar

voorvalt na het vertrek van den zwerm.

Als het tumult van het vertrek weer tot bedaren is gekomen en nu twee

derden van hare kinderen haar hebben verlaten zonder plan op terugkeer,

is de ongelukkige stad als een lichaam, dat veel bloedverlies heeft

gehad: ze is moede, verlaten, bijna dood. Toch zijn er eenige duizenden

bijen in gebleven, die onverstoorbaar, al is het dan ook eenigszins mat,

het werk weer hervatten, zoo goed mogelijk de plaats der afwezigen weer

vervullen, de sporen der laatste uitspattingen uit den weg ruimen, de

provisie, buit van de rooftochten wegbergen, de bloemen gaan bezoeken,

de wacht houden over de voorraadschuur der toekomst, zich volkomen

bewust van hunne zending en getrouw aan den plicht, die hun door het lot

duidelijk is aangewezen.

Doch zoo het heden al somber schijne, al wat het oog ontmoet is vol hoop

en verwachting. We bevinden ons hier in een dier kasteelen der Duitsche

legende, waarin de muren bestaan uit duizenden glazen flesschen met de

zielen der menschen, die zullen geboren worden. We bevinden ons in het

verblijf van het leven, dat aan het leven voorafgaat. Daar rondom liggen

in goed gesloten wiegen, in de eindelooze aaneenvoeging der wonderbare

zeszijdige cellen, myriaden larven in wording, nog witter dan melk, die

met gekruiste armen en het hoofd op de borst gebogen, de ure van

ontwaken afwachten. Als men ze zoo ziet in hun eenvormige, ontelbare en

doorschijnende graven, zou men ze voor vergrijsde, in diep nadenken

verzonken aardmannetjes houden, of voor legioenen van maagden geheel

vervormd door de plooien van het lijkkleed en begraven in zeshoekige,

door een volhardend meetkundige tot in het oneindige vermenigvuldigde

prisma's.

Over de gansche uitgestrektheid dier loodrechte muren, welke een gansche

wereld in zich bevatten, een wereld die groeit, verandert, om zichzelve

wentelt, vier of vijf maal van kleederen verwisselt en in het duister

haar lijkkleed spint, zijn honderden werkbijen aan het dansen en aan 't

waaien met de vleugels om de noodige warmte te onderhouden en tevens

voor een doel, dat nog meer in het duister ligt; want hun dans heeft

zeer bijzondere en methodische trillingen, die wel moeten beantwoorden

aan een of ander doel, dat naar ik meen nog geen enkel waarnemer heeft

opgespoord.

Na verloop van eenige dagen beginnen de deksels van deze myriaden urnen

(in een flinken korf telt men er van zestig tot tachtig duizend) te

wijken, en twee groote, zwarte en ernstige oogen komen te voorschijn met

twee sprieten er boven, die het leven rondom hen reeds gaan betasten,

terwijl bezige kaken nog voortgaan met de opening te verwijden. Dadelijk

komen de voedsters aanloopen, helpen de jeugdige bij hare gevangenis

verlaten, ondersteunen haar, borstelen en reinigen haar en bieden haar

op de punt hunner tong den eersten honing van haar nieuwe leven aan.

Zij, die daar pas te voorschijn komt uit een andere wereld, is nog

eenigszins bedwelmd, wat bleek en wankel. Ze ziet er zwakjes uit als een

oud mannetje ontstegen aan zijn graf. Men zou haar voor een reizigster

kunnen houden bedekt met het donzige stof der onbekende wegen, die tot

de geboorte leiden. Overigens is ze van top tot teen reeds geheel klaar,

weet onmiddellijk al wat ze weten moet en zooals de kinderen uit het

volk om zoo te zeggen bij hunne geboorte reeds leeren, dat hun geen tijd

is gegund voor spel en lach, begeeft zij zich dadelijk naar de gesloten

cellen en begint met hare vleugeltjes te slaan en zich op de maat te

bewegen om op hare beurt hare begraven zusters te verwarmen, zonder zich

op te houden met het ontcijferen van het wonderlijk raadsel van haar

bestemming en haar ras.

Het leven der bijen · 第 79 / 136 题