XXIII.

Laat ons nu eindelijk de eentonige vlakten en de meetkunstige woestijn

der cellen verlaten. De raten zijn dus begonnen en worden bewoonbaar.

Hoewel het oneindig kleine zich, schijnbaar vrij hopeloos, voegt aan 't

oneindig kleine, en ons oog, dat zoo weinig ziet, toekijkt zonder iets

te zien, neemt het werk van was met buitengewone vlugheid in omvang toe.

De ongeduldige koningin heeft reeds meer dan eens de werkplaatsen

doorloopen, die wit uitkomen in de duisternis, en nu de eerste rijen

woonplaatsen af zijn, neemt zij ze in bezit met haar stoet van

bewaaksters, vertrouwelingen of dienstboden; want 't is niet precies te

zeggen of ze een geleide mee krijgt dan wel een gevolg, of ze wordt

geëerbiedigd of bewaakt. Op de plaats gekomen die zij gunstig oordeelt,

of wel die hare raadsvrouwen haar aanwijzen, zet ze een hoogen rug, bukt

zich en brengt het uiteinde van haar lang lijf in een der ledige

bekertjes, terwijl al die kleine oplettende hoofdjes, de hoofdjes der

wachteressen van haren stoet, met de enorm groote zwarte oogen,

opgewonden een kring om haar heen vormen, haar pootjes ondersteunen,

haar vleugels liefkoozen en koortsachtig gejaagd hunne sprieten over

haar bewegen, alsom haar aan te moedigen, te dringen en geluk te

wenschen.

Men herkent gemakkelijk de plaats waar zij zich bevindt aan dit soort

van lichtende cocarde, of liever aan deze ovale broche, waarvan zij de

middelste topaas is, en die vrij wel gelijkt op de groote broches, welke

onze grootmoeders droegen. Opmerkenswaard is het verder, er is

gelegenheid te over dit op te merken, dat de werkbijen altijd

vermijden, aan de koningin den rug toe te keeren. Zoodra ze een groep

nadert, gaan allen zóó staan, dat ze haar hunne oogen en sprieten

toekeeren en loopen dan achterwaarts voor haar uit. Dat is een teeken

van eerbied of liever van zorg, dat hoe onwaarschijnlijk het ook lijken

moge, toch vaststaat en algemeen voorkomt. Maar laat ons terugkeeren tot

onze vorstin. Dikwijls neemt onder den lichten kramp, die zichtbaar met

het leggen van een ei gepaard gaat, een harer dochters haar in de armen

en schijnt hoofd tegen hoofd en mond tegen mond zachtjes tegen haar te

praten. Doch zij, vrij onverschillig voor deze eenigszins overdreven

betuigingen, gunt zich den tijd, neemt de zaak kalm op, geheel verdiept

in haar zending, die eerder wellust dan arbeid voor haar schijnt te

zijn. Eindelijk staat ze na verloop van eenige seconden kalm op, doet

een enkele schrede, draait een vierde deel van een cirkel om zichzelf,

en steekt vóór dat ze er het uiteinde van haar lijf inbrengt, eerst haar

kop in de naaste cel, om zich te vergewissen of alles in orde is en ze

niet tweemaal legt in dezelfde cel, terwijl twee of drie bijen van het

gevolg haastig beurt om beurt in de verlaten cel duiken, om te zien of

het werk is volbracht, en om het blauwachtig eitje, dat ze er in gelegd

heeft, met hunne zorgen te omgeven of goed op zijne plaats te leggen.

Van dit oogenblik af tot aan de eerste herfst-koude, houdt ze niet meer

op, maar legt steeds eitjes, terwijl ze door de anderen gevoed wordt, en

ze slaapt--zoo dat al slapen is--al eieren leggend. Van dit oogenblik af

is zij de vertegenwoordigster van de alles verslindende macht der

toekomst, die alle hoekjes van het rijk in beslag neemt. Ze volgt over

de cellen van het broedsel, de levende loopplanken en ladders gevormd

door de waswerksters, de spiralen der koningin, die door niets is te

stuiten, de afwisselende en onafgebroken werkzaamheid der menigte, de

medoogenlooze en vergeefsche inspanning, het komen en gaan tot ze

uitgeput raken door hunnen ijver, de slaap een onbekende behalve in de

wieg, waarop de arbeid van den komenden dag reeds ligt te loeren, zelfs

de rust des doods verdreven uit een verblijf, dat noch ziekte noch graf

duldt, iemand, die dit alles aanzag, wendde, toen hij van zijn verbazing

bekomen was, schielijk de oogen af, waarin schrik en droefheid te lezen

stonden.

En werkelijk er schuilt in den korf onder de opgewektheid van den

eersten aanblik, onder de glanzende herinneringen aan de schoone dagen,

waarvan hij vol is en die hem maken tot een bewaarplaats van de

kleinooden des zomers, onder het zwijmelend komen en gaan, dat hem

verbindt met bloemen, stroomend water, azuur, met den zoo vredigen

overvloed van al wat schoonheid en geluk vertegenwoordigt, er schuilt

inderdaad onder al dit verrukkelijke voor het oog, een der droevigste

tooneelen, die men maar aanschouwen kan. En wij blinden, die slechts

verduisterde oogen kunnen openzetten, wanneer we zien op deze

schuldelooze veroordeelden, we weten het wel, dat niet hen alleen onze

klacht geldt, dat niet zij het alleen zijn, die wij niet begrijpen, doch

een der deerniswaardige vormen van de groote kracht, die ook ons bezielt

en verteert.

Ja, als men zoo wil is dit droevig, droevig gelijk alles in de natuur,

wanneer men haar van nabij beschouwt. Zoo zal het zijn zoolang wij haar

geheim nog niet kennen, nog niet weten of ze er een bezit. En indien

wij eenmaal vernemen, dat ze er geen heeft, of dat dit geheim iets

afschuwelijks is, dan rijzen andere plichten voor ons op, die misschien

nog geen naam dragen. Laat ons hart intusschen, indien het dat verlangt,

herhalen: "Dat is droevig", doch laat onze rede zich vergenoegen met te

zeggen: "Dat is nu eenmaal zoo". Voor het oogenblik is 't onze plicht te

zoeken of er niets achter dit droevige verborgen is, en daarom moeten we

niet de oogen afwenden doch het scherp in 't aangezicht zien en het met

evenveel belangstelling en moed bestudeeren alsof het iets verblijdends

ware.--'t Is billijk, dat we alvorens ons te beklagen en de natuur te

veroordeelen, haar ten einde toe ondervragen.

Het leven der bijen · 第 75 / 136 题