Laat ons nu eindelijk de eentonige vlakten en de meetkunstige woestijn
der cellen verlaten. De raten zijn dus begonnen en worden bewoonbaar.
Hoewel het oneindig kleine zich, schijnbaar vrij hopeloos, voegt aan 't
oneindig kleine, en ons oog, dat zoo weinig ziet, toekijkt zonder iets
te zien, neemt het werk van was met buitengewone vlugheid in omvang toe.
De ongeduldige koningin heeft reeds meer dan eens de werkplaatsen
doorloopen, die wit uitkomen in de duisternis, en nu de eerste rijen
woonplaatsen af zijn, neemt zij ze in bezit met haar stoet van
bewaaksters, vertrouwelingen of dienstboden; want 't is niet precies te
zeggen of ze een geleide mee krijgt dan wel een gevolg, of ze wordt
geëerbiedigd of bewaakt. Op de plaats gekomen die zij gunstig oordeelt,
of wel die hare raadsvrouwen haar aanwijzen, zet ze een hoogen rug, bukt
zich en brengt het uiteinde van haar lang lijf in een der ledige
bekertjes, terwijl al die kleine oplettende hoofdjes, de hoofdjes der
wachteressen van haren stoet, met de enorm groote zwarte oogen,
opgewonden een kring om haar heen vormen, haar pootjes ondersteunen,
haar vleugels liefkoozen en koortsachtig gejaagd hunne sprieten over
haar bewegen, alsom haar aan te moedigen, te dringen en geluk te
wenschen.
Men herkent gemakkelijk de plaats waar zij zich bevindt aan dit soort
van lichtende cocarde, of liever aan deze ovale broche, waarvan zij de
middelste topaas is, en die vrij wel gelijkt op de groote broches, welke
onze grootmoeders droegen. Opmerkenswaard is het verder, er is
gelegenheid te over dit op te merken, dat de werkbijen altijd
vermijden, aan de koningin den rug toe te keeren. Zoodra ze een groep
nadert, gaan allen zóó staan, dat ze haar hunne oogen en sprieten
toekeeren en loopen dan achterwaarts voor haar uit. Dat is een teeken
van eerbied of liever van zorg, dat hoe onwaarschijnlijk het ook lijken
moge, toch vaststaat en algemeen voorkomt. Maar laat ons terugkeeren tot
onze vorstin. Dikwijls neemt onder den lichten kramp, die zichtbaar met
het leggen van een ei gepaard gaat, een harer dochters haar in de armen
en schijnt hoofd tegen hoofd en mond tegen mond zachtjes tegen haar te
praten. Doch zij, vrij onverschillig voor deze eenigszins overdreven
betuigingen, gunt zich den tijd, neemt de zaak kalm op, geheel verdiept
in haar zending, die eerder wellust dan arbeid voor haar schijnt te
zijn. Eindelijk staat ze na verloop van eenige seconden kalm op, doet
een enkele schrede, draait een vierde deel van een cirkel om zichzelf,
en steekt vóór dat ze er het uiteinde van haar lijf inbrengt, eerst haar
kop in de naaste cel, om zich te vergewissen of alles in orde is en ze
niet tweemaal legt in dezelfde cel, terwijl twee of drie bijen van het
gevolg haastig beurt om beurt in de verlaten cel duiken, om te zien of
het werk is volbracht, en om het blauwachtig eitje, dat ze er in gelegd
heeft, met hunne zorgen te omgeven of goed op zijne plaats te leggen.
Van dit oogenblik af tot aan de eerste herfst-koude, houdt ze niet meer
op, maar legt steeds eitjes, terwijl ze door de anderen gevoed wordt, en
ze slaapt--zoo dat al slapen is--al eieren leggend. Van dit oogenblik af
is zij de vertegenwoordigster van de alles verslindende macht der
toekomst, die alle hoekjes van het rijk in beslag neemt. Ze volgt over
de cellen van het broedsel, de levende loopplanken en ladders gevormd
door de waswerksters, de spiralen der koningin, die door niets is te
stuiten, de afwisselende en onafgebroken werkzaamheid der menigte, de
medoogenlooze en vergeefsche inspanning, het komen en gaan tot ze
uitgeput raken door hunnen ijver, de slaap een onbekende behalve in de
wieg, waarop de arbeid van den komenden dag reeds ligt te loeren, zelfs
de rust des doods verdreven uit een verblijf, dat noch ziekte noch graf
duldt, iemand, die dit alles aanzag, wendde, toen hij van zijn verbazing
bekomen was, schielijk de oogen af, waarin schrik en droefheid te lezen
stonden.
En werkelijk er schuilt in den korf onder de opgewektheid van den
eersten aanblik, onder de glanzende herinneringen aan de schoone dagen,
waarvan hij vol is en die hem maken tot een bewaarplaats van de
kleinooden des zomers, onder het zwijmelend komen en gaan, dat hem
verbindt met bloemen, stroomend water, azuur, met den zoo vredigen
overvloed van al wat schoonheid en geluk vertegenwoordigt, er schuilt
inderdaad onder al dit verrukkelijke voor het oog, een der droevigste
tooneelen, die men maar aanschouwen kan. En wij blinden, die slechts
verduisterde oogen kunnen openzetten, wanneer we zien op deze
schuldelooze veroordeelden, we weten het wel, dat niet hen alleen onze
klacht geldt, dat niet zij het alleen zijn, die wij niet begrijpen, doch
een der deerniswaardige vormen van de groote kracht, die ook ons bezielt
en verteert.
Ja, als men zoo wil is dit droevig, droevig gelijk alles in de natuur,
wanneer men haar van nabij beschouwt. Zoo zal het zijn zoolang wij haar
geheim nog niet kennen, nog niet weten of ze er een bezit. En indien
wij eenmaal vernemen, dat ze er geen heeft, of dat dit geheim iets
afschuwelijks is, dan rijzen andere plichten voor ons op, die misschien
nog geen naam dragen. Laat ons hart intusschen, indien het dat verlangt,
herhalen: "Dat is droevig", doch laat onze rede zich vergenoegen met te
zeggen: "Dat is nu eenmaal zoo". Voor het oogenblik is 't onze plicht te
zoeken of er niets achter dit droevige verborgen is, en daarom moeten we
niet de oogen afwenden doch het scherp in 't aangezicht zien en het met
evenveel belangstelling en moed bestudeeren alsof het iets verblijdends
ware.--'t Is billijk, dat we alvorens ons te beklagen en de natuur te
veroordeelen, haar ten einde toe ondervragen.