XXII.

Om deze studie niet te zwaar te maken, blijf ik ook niet stilstaan bij

het waarlijk verrassend instinkt, dat hen somtijds het uiteinde van

hunne raten smaller doet maken of doet afbreken, wanneer ze de raat

langer of breeder willen maken; men moet echter toegeven, dat afbreken

om weer op te bouwen, uithalen wat men gemaakt heeft om het nog

regelmatiger op nieuw te vervaardigen, een merkwaardige splitsing van

het blind bouw-instinkt veronderstelt. Ik zwijg bovendien over de

merkwaardige proeven die men kan nemen, om hen te dwingen ronde, ovale,

buisvormige of vreemd gedraaide raten te bouwen, en over de vernuftige

wijze, waarop ze de vergroote cellen van de convexe gedeelten weten te

doen correspondeeren met de verkleinde cellen van de concave gedeelten

der raat.

Vóór we echter van dit onderwerp afstappen, moeten we, al was het

slechts een oogenblik, even stilstaan om onze aandacht te schenken aan

de geheimzinnige wijze waarop ze hun arbeid met elkaar in

overeenstemming brengen en hunne maatregelen nemen, wanneer ze tegelijk

en zonder elkaar te zien de beide tegengestelde zijden van een raat

bewerken. Bekijk een dezer raten eens tegen het licht en dan zult ge

daarin, door scherpe schaduwen in het doorschijnende was, een geheel

netwerk van prisma's zien afgeteekend met zóó zuivere hoeken, en een

geheel stelsel van zóó onfeilbaar bij elkaar behoorende lijnen, dat men

zou meenen ze in staal gegraveerd te zien.

Ik weet niet of zij, die nooit het inwendige van een korf gezien hebben,

zich de plaatsing en het voorkomen van een raat genoegzaam kunnen

voorstellen. Denk u, om den korf onzer boeren te nemen, waarin de bij

geheel aan zichzelf is overgelaten, denk u een strooien of teenen stolp;

deze stolp wordt van boven tot onder doorsneden door vijf, zes, acht en

somtijds tien schijven waas, die volkomen evenwijdig loopen en vrij wel

gelijken op groote sneden brood, die van den top dezer stolp neerdalen

en zich naauwkeurig aanpassen aan den ovalen vorm harer wanden. Tusschen

ieder dezer raten blijft een tusschenruimte van ongeveer elf millimeter,

waarin de bijen zich ophouden en rondloopen. Op het oogenblik dat boven

in den korf het bewerken van een dezer schijven begint, is de muur van

was, die er den grondslag van vormt en die later wordt plat gemaakt en

uitgetrokken, nog heel dik en isoleert de vijftig of zestig werkbijen,

die aan de voorzijde arbeiden, geheel van de vijftig of zestig, die

tegelijkertijd aan den achterkant aan 't werk zijn, zoodat ze elkaar

onmogelijk kunnen zien, tenzij hunne oogen de gave hebben ook door de

dichtste stoffen heen te dringen. En desniettegenstaande graaft geene

arbeidster van den voorkant een gat, voegt ze geen brokje was er aan

toe, of dit beantwoordt nauwkeurig aan een voorsprong of een holte van

den achterkant en omgekeerd. Hoe doen ze dat? Hoe komt het dat de een

niet te ver graaft, en de ander niet te weinig?

Hoe kunnen de hoeken der ruiten altijd zoo wonderbaarlijk juist

samentreffen? Wat zegt hun, dat ze hier moeten beginnen en daar

ophouden? Wederom moeten we ons tevreden stellen met het antwoord, dat

geen antwoord is: "Dat is een der geheimen van den korf". Huber heeft

een poging gedaan dit mysterie te verklaren door te zeggen, dat ze

misschien op sommige plaatsen door den druk hunner pootjes of hunner

tanden een klein uitwas aan de tegenovergestelde zijde van de raat te

voorschijn riepen; of dat ze zich rekenschap gaven van de meerdere of

mindere dikte van den klomp door de buigzaamheid, rekbaarheid of eenige

andere natuurlijke eigenschap van de was; of wel, dat hunne sprieten

zich schijnen te leenen tot het onderzoeken der minst of der meest

ingewikkelde deelen der voorwerpen en dienst doen als passers in het

ongeziene; of eindelijk dat de samenhang van alle cellen mathematisch

afhangt van de plaats en de afmetingen van die op de eerste rij, zonder

dat daar iets anders toe noodig is. Maar 't is vrij duidelijk, dat dit

geen voldoende verklaringen zijn: de eerste zijn onbewijsbare

hypotheses; de andere verplaatsen eenvoudig het mysterie. En zoo het al

goed is de mysteries zooveel mogelijk te verplaatsen, men moet zich niet

inbeelden, dat verplaatsing voldoende is om ze uit den weg te ruimen.

Het leven der bijen · 第 74 / 136 题