Om deze studie niet te zwaar te maken, blijf ik ook niet stilstaan bij
het waarlijk verrassend instinkt, dat hen somtijds het uiteinde van
hunne raten smaller doet maken of doet afbreken, wanneer ze de raat
langer of breeder willen maken; men moet echter toegeven, dat afbreken
om weer op te bouwen, uithalen wat men gemaakt heeft om het nog
regelmatiger op nieuw te vervaardigen, een merkwaardige splitsing van
het blind bouw-instinkt veronderstelt. Ik zwijg bovendien over de
merkwaardige proeven die men kan nemen, om hen te dwingen ronde, ovale,
buisvormige of vreemd gedraaide raten te bouwen, en over de vernuftige
wijze, waarop ze de vergroote cellen van de convexe gedeelten weten te
doen correspondeeren met de verkleinde cellen van de concave gedeelten
der raat.
Vóór we echter van dit onderwerp afstappen, moeten we, al was het
slechts een oogenblik, even stilstaan om onze aandacht te schenken aan
de geheimzinnige wijze waarop ze hun arbeid met elkaar in
overeenstemming brengen en hunne maatregelen nemen, wanneer ze tegelijk
en zonder elkaar te zien de beide tegengestelde zijden van een raat
bewerken. Bekijk een dezer raten eens tegen het licht en dan zult ge
daarin, door scherpe schaduwen in het doorschijnende was, een geheel
netwerk van prisma's zien afgeteekend met zóó zuivere hoeken, en een
geheel stelsel van zóó onfeilbaar bij elkaar behoorende lijnen, dat men
zou meenen ze in staal gegraveerd te zien.
Ik weet niet of zij, die nooit het inwendige van een korf gezien hebben,
zich de plaatsing en het voorkomen van een raat genoegzaam kunnen
voorstellen. Denk u, om den korf onzer boeren te nemen, waarin de bij
geheel aan zichzelf is overgelaten, denk u een strooien of teenen stolp;
deze stolp wordt van boven tot onder doorsneden door vijf, zes, acht en
somtijds tien schijven waas, die volkomen evenwijdig loopen en vrij wel
gelijken op groote sneden brood, die van den top dezer stolp neerdalen
en zich naauwkeurig aanpassen aan den ovalen vorm harer wanden. Tusschen
ieder dezer raten blijft een tusschenruimte van ongeveer elf millimeter,
waarin de bijen zich ophouden en rondloopen. Op het oogenblik dat boven
in den korf het bewerken van een dezer schijven begint, is de muur van
was, die er den grondslag van vormt en die later wordt plat gemaakt en
uitgetrokken, nog heel dik en isoleert de vijftig of zestig werkbijen,
die aan de voorzijde arbeiden, geheel van de vijftig of zestig, die
tegelijkertijd aan den achterkant aan 't werk zijn, zoodat ze elkaar
onmogelijk kunnen zien, tenzij hunne oogen de gave hebben ook door de
dichtste stoffen heen te dringen. En desniettegenstaande graaft geene
arbeidster van den voorkant een gat, voegt ze geen brokje was er aan
toe, of dit beantwoordt nauwkeurig aan een voorsprong of een holte van
den achterkant en omgekeerd. Hoe doen ze dat? Hoe komt het dat de een
niet te ver graaft, en de ander niet te weinig?
Hoe kunnen de hoeken der ruiten altijd zoo wonderbaarlijk juist
samentreffen? Wat zegt hun, dat ze hier moeten beginnen en daar
ophouden? Wederom moeten we ons tevreden stellen met het antwoord, dat
geen antwoord is: "Dat is een der geheimen van den korf". Huber heeft
een poging gedaan dit mysterie te verklaren door te zeggen, dat ze
misschien op sommige plaatsen door den druk hunner pootjes of hunner
tanden een klein uitwas aan de tegenovergestelde zijde van de raat te
voorschijn riepen; of dat ze zich rekenschap gaven van de meerdere of
mindere dikte van den klomp door de buigzaamheid, rekbaarheid of eenige
andere natuurlijke eigenschap van de was; of wel, dat hunne sprieten
zich schijnen te leenen tot het onderzoeken der minst of der meest
ingewikkelde deelen der voorwerpen en dienst doen als passers in het
ongeziene; of eindelijk dat de samenhang van alle cellen mathematisch
afhangt van de plaats en de afmetingen van die op de eerste rij, zonder
dat daar iets anders toe noodig is. Maar 't is vrij duidelijk, dat dit
geen voldoende verklaringen zijn: de eerste zijn onbewijsbare
hypotheses; de andere verplaatsen eenvoudig het mysterie. En zoo het al
goed is de mysteries zooveel mogelijk te verplaatsen, men moet zich niet
inbeelden, dat verplaatsing voldoende is om ze uit den weg te ruimen.