XXV.

We hebben gezien dat de werkbijen, zoodra ze zich niet meer zoo voelen

pressen door de dreigende vruchtbaarheid hunner moeder, haastig

voorraadcellen gaan bouwen, wier bewerking economischer en wier inhoud

grooter is. Van een anderen kant hebben we gezien, dat de moeder het

liefst hare eieren legt in kleine cellen, en dat ze daar aanhoudend om

vraagt. Niettemin, als er geen zijn of ook wel als ze er nog op moet

wachten, onderwerpt ze er zich aan, in dien tusschentijd eieren te

leggen in de groote cellen, die ze op haar weg aantreft.

De bijen, die daaruit geboren worden, zijn mannetjes of darren, hoewel

de eieren geheel en al gelijk zijn aan die waaruit de werkbijen

ontstaan. In tegenstelling echter met hetgeen plaats heeft bij de

verandering van een werkbij in eene koningin, wordt hier de verandering

niet bepaald door den vorm of den inhoud der cel, want uit een ei dat in

een groote cel is gelegd en vervolgens overgebracht in die eener

werkbij, komt (ik ben er vier of vijf maal in geslaagd dit overbrengen

te bewerkstelligen, wat vrij lastig is wegens de microscopische

kleinheid en de uiterste teerheid van het ei) een dar, die wel

eenigermate verminkt, doch wiens geslacht onbetwistbaar is. De koningin

moet dus bij het leggen het vermogen bezitten het geslacht van het ei te

herkennen of te bepalen, en het in overeenstemming te brengen met de cel

waarover ze zich heenbuigt. Slechts zelden vergist ze zich. Hoe legt ze

dat aan? Hoe kan ze uit de myriaden eieren, die hare beide eierstokken

bevatten, de mannelijke van de vrouwelijke scheiden, en hoe komen ze op

haar wensch in den eenigen eierleider, dien ze bezit?

Hier staan we op nieuw voor een der raadselen van den korf en wel voor

een der onoplosbaarste. Wat men wel weet is, dat een maagdelijke

koningin niet onvruchtbaar is, doch slechts mannelijke eieren kan

leggen. Eerst na de bevruchting door de paringsvlucht kan ze naar

willekeur werkbijen of darren voortbrengen. Tengevolge van haren

bruiloftsgang is ze voor goed, tot aan haar dood, in het bezit van de

zaadlichaampjes, die aan haren ongelukkigen geliefde zijn ontrukt. Deze

zaadlichaampjes, wier aantal Dr. Leuckart op vijf en twintig millioen

schat, worden levend bewaard in een afzonderlijke klier, die onder de

eierstokken bij den ingang van den gezamenlijken eierleider ligt, en

zaadblaasje genoemd wordt. Men veronderstelt dus, dat de nauwheid van

den ingang der kleine cellen en de wijze waarop de koningin door den

vorm dezer opening genoodzaakt is zich te krommen en neer te buigen,

zekere drukking uitoefent op het zaadblaasje, tengevolge waarvan de

zaadlichaampjes er uitkomen en in 't voorbijgaan het eitje bevruchten.

Deze drukking zou niet plaats hebben bij de groote cellen, en het

zaadblaasje niet opengaan. Anderen zijn integendeel van meening, dat de

koningin werkelijk macht heeft over de spieren, die het zaadblaasje

openen of sluiten over de vagina, en inderdaad zijn deze spieren

buitengewoon talrijk, krachtig en ingewikkeld. Zonder te willen

beslissen welke dezer beide veronderstellingen de beste is--want hoe

verder men komt, hoe meer men opmerkt, hoe beter men ziet dat men niets

is dan een schipbreukeling op den tot hiertoe zoo onbekenden oceaan der

natuur, hoe beter men leert inzien, dat er altijd weer een nieuw feit op

het punt is te voorschijn te treden uit den boezem van een plotseling

doorzichtiger geworden golf, die in een enkel oogenblik alles

vernietigt, wat men meende te weten toch wil ik bekennen dat ik tot de

tweede overhel. Ten eerste toonen de proeven van een bijenhouder uit

Bordeaux, Drory genaamd, dat indien alle groote cellen uit den korf zijn

verwijderd, de moeder niet aarzelt als 't oogenblik om mannelijke eitjes

al te zetten gekomen is, deze in cellen van werkbijen te leggen; en ook

omgekeerd zal ze eieren van werkbijen in cellen van darren leggen,

indien men er geen andere ter harer beschikking heeft gesteld.

En verder bewijzen de schoone waarnemingen van den heer Fabre over de

Osmia's, wilde en afzonderlijk levende bijen van de familie der

Gastrilegiden, ten duidelijkste, dat deze bij niet alleen van te voren

het geslacht kent van het ei, dat ze gaat leggen, maar dat dit geslacht

facultatief is voor de moeder, die dat bepaalt al naar de ruimte,

waarover ze te beschikken heeft, "een ruimte die dikwijls anders is dan

te verwachten was en die niet gewijzigd kan worden", zoodat ze hier een

mannelijk, daar een vrouwelijk ei legt. Ik treed niet in bijzonderheden

omtrent de proeven van den grooten Franschen entomoloog. Ze zijn uiterst

fijn en nauwkeurig en zouden ons al te ver voeren. Maar welke hypothese

ook wordt aangenomen, de eene zoowel als de andere, verklaart, buiten

alle kennen van de toekomst om, volkomen den hang der koningin, hare

eitjes te leggen in cellen van werkbijen.

Waarschijnlijk heeft deze moeder-slavin, die wij geneigd zijn te

beklagen, maar die misschien een zeer verliefde, zeer wellustige natuur

is, bij de vereeniging van het mannelijk en het vrouwelijk principe, dat

in haar wezen plaats grijpt, een zekere gewaarwording van genot, en als

ware het een nasmaak van den zwijmel der eenige paringsvlucht in haar

gansche leven. Ook hier zou dan de natuur, die nooit zoo vindingrijk is

of zooveel heimelijke voorzorgen en afwisseling heeft als waar het de

lagen der liefde geldt, er voor gezorgd hebben, het belang der soort te

ondersteunen door een genot. Laten wc echter elkaar goed verstaan en ons

niet door onze uitlegging laten bedriegen. Als we aldus aan de natuur

gedachten toekennen En meenen, dat dit eene genoegzame verklaring is,

dan is 't als wierpen we een steen in een dier onmetelijke afgronden,

die men achter in sommige grotten vindt, en verbeelden we ons dan, dat

het geluid, hetwelk de steen maakt bij het neervallen, al onze vragen

zou beantwoorden en ons iets anders zou openbaren dan de onmetelijkheid

van den afgrond.

Wanneer men zoo zegt: de natuur wil dat, organiseert dit wonder, stelt

zich dat en dat ten doel, dan wil dit zeggen, dat een gering

levensverschijnsel zich, terwijl wij er ons juist mee bezig houden,

heeft kunnen handhaven op de enorme oppervlakte van de materie, die in

ons oog werkeloos is en die wij, ten onrechte, het niet of den dood

noemen. Een samenloop van omstandigheden, die volstrekt niet zoo

behoefde te zijn, heeft dit levensverschijnsel bestendigd te midden van

duizend andere, die misschien even interessant zijn, even zeer van

verstand getuigen, doch die niet zoo gelukkig waren, en voor immer

verdwenen zonder in de gelegenheid te zijn geweest onze verwondering te

wekken. Het zou vermetel zijn iets anders te beweren; en al het overige,

onze gedachten daar over, onze onverstoorbare teleologie, onze

verwachtingen en onze bewondering, dat alles is ten slotte niets dan het

onbekende, dat we tegen iets nog minder bekends aanwerpen, om een gering

geluid te voorschijn te roepen, dat ons den hoogsten trap van leven doet

kennen dien wij menschen kunnen bereiken op diezelfde zwijgende en

ondoordringbare oppervlakte; evenals het gezang van den nachtegaal en de

vlucht van den condor hun den hoogsten trap van leven voor hunne soort

openbaren. En desalniettemin blijft het een onzer onbetwistbare

plichten, dit kleine geluid te voorschijn te roepen, zoo dikwijls de

gelegenheid daartoe zich voordoet, zonder er ons door te laten

ontmoedigen, dat het waarschijnlijk ijdel is.

Het leven der bijen · 第 76 / 136 题