We hebben gezien dat de werkbijen, zoodra ze zich niet meer zoo voelen
pressen door de dreigende vruchtbaarheid hunner moeder, haastig
voorraadcellen gaan bouwen, wier bewerking economischer en wier inhoud
grooter is. Van een anderen kant hebben we gezien, dat de moeder het
liefst hare eieren legt in kleine cellen, en dat ze daar aanhoudend om
vraagt. Niettemin, als er geen zijn of ook wel als ze er nog op moet
wachten, onderwerpt ze er zich aan, in dien tusschentijd eieren te
leggen in de groote cellen, die ze op haar weg aantreft.
De bijen, die daaruit geboren worden, zijn mannetjes of darren, hoewel
de eieren geheel en al gelijk zijn aan die waaruit de werkbijen
ontstaan. In tegenstelling echter met hetgeen plaats heeft bij de
verandering van een werkbij in eene koningin, wordt hier de verandering
niet bepaald door den vorm of den inhoud der cel, want uit een ei dat in
een groote cel is gelegd en vervolgens overgebracht in die eener
werkbij, komt (ik ben er vier of vijf maal in geslaagd dit overbrengen
te bewerkstelligen, wat vrij lastig is wegens de microscopische
kleinheid en de uiterste teerheid van het ei) een dar, die wel
eenigermate verminkt, doch wiens geslacht onbetwistbaar is. De koningin
moet dus bij het leggen het vermogen bezitten het geslacht van het ei te
herkennen of te bepalen, en het in overeenstemming te brengen met de cel
waarover ze zich heenbuigt. Slechts zelden vergist ze zich. Hoe legt ze
dat aan? Hoe kan ze uit de myriaden eieren, die hare beide eierstokken
bevatten, de mannelijke van de vrouwelijke scheiden, en hoe komen ze op
haar wensch in den eenigen eierleider, dien ze bezit?
Hier staan we op nieuw voor een der raadselen van den korf en wel voor
een der onoplosbaarste. Wat men wel weet is, dat een maagdelijke
koningin niet onvruchtbaar is, doch slechts mannelijke eieren kan
leggen. Eerst na de bevruchting door de paringsvlucht kan ze naar
willekeur werkbijen of darren voortbrengen. Tengevolge van haren
bruiloftsgang is ze voor goed, tot aan haar dood, in het bezit van de
zaadlichaampjes, die aan haren ongelukkigen geliefde zijn ontrukt. Deze
zaadlichaampjes, wier aantal Dr. Leuckart op vijf en twintig millioen
schat, worden levend bewaard in een afzonderlijke klier, die onder de
eierstokken bij den ingang van den gezamenlijken eierleider ligt, en
zaadblaasje genoemd wordt. Men veronderstelt dus, dat de nauwheid van
den ingang der kleine cellen en de wijze waarop de koningin door den
vorm dezer opening genoodzaakt is zich te krommen en neer te buigen,
zekere drukking uitoefent op het zaadblaasje, tengevolge waarvan de
zaadlichaampjes er uitkomen en in 't voorbijgaan het eitje bevruchten.
Deze drukking zou niet plaats hebben bij de groote cellen, en het
zaadblaasje niet opengaan. Anderen zijn integendeel van meening, dat de
koningin werkelijk macht heeft over de spieren, die het zaadblaasje
openen of sluiten over de vagina, en inderdaad zijn deze spieren
buitengewoon talrijk, krachtig en ingewikkeld. Zonder te willen
beslissen welke dezer beide veronderstellingen de beste is--want hoe
verder men komt, hoe meer men opmerkt, hoe beter men ziet dat men niets
is dan een schipbreukeling op den tot hiertoe zoo onbekenden oceaan der
natuur, hoe beter men leert inzien, dat er altijd weer een nieuw feit op
het punt is te voorschijn te treden uit den boezem van een plotseling
doorzichtiger geworden golf, die in een enkel oogenblik alles
vernietigt, wat men meende te weten toch wil ik bekennen dat ik tot de
tweede overhel. Ten eerste toonen de proeven van een bijenhouder uit
Bordeaux, Drory genaamd, dat indien alle groote cellen uit den korf zijn
verwijderd, de moeder niet aarzelt als 't oogenblik om mannelijke eitjes
al te zetten gekomen is, deze in cellen van werkbijen te leggen; en ook
omgekeerd zal ze eieren van werkbijen in cellen van darren leggen,
indien men er geen andere ter harer beschikking heeft gesteld.
En verder bewijzen de schoone waarnemingen van den heer Fabre over de
Osmia's, wilde en afzonderlijk levende bijen van de familie der
Gastrilegiden, ten duidelijkste, dat deze bij niet alleen van te voren
het geslacht kent van het ei, dat ze gaat leggen, maar dat dit geslacht
facultatief is voor de moeder, die dat bepaalt al naar de ruimte,
waarover ze te beschikken heeft, "een ruimte die dikwijls anders is dan
te verwachten was en die niet gewijzigd kan worden", zoodat ze hier een
mannelijk, daar een vrouwelijk ei legt. Ik treed niet in bijzonderheden
omtrent de proeven van den grooten Franschen entomoloog. Ze zijn uiterst
fijn en nauwkeurig en zouden ons al te ver voeren. Maar welke hypothese
ook wordt aangenomen, de eene zoowel als de andere, verklaart, buiten
alle kennen van de toekomst om, volkomen den hang der koningin, hare
eitjes te leggen in cellen van werkbijen.
Waarschijnlijk heeft deze moeder-slavin, die wij geneigd zijn te
beklagen, maar die misschien een zeer verliefde, zeer wellustige natuur
is, bij de vereeniging van het mannelijk en het vrouwelijk principe, dat
in haar wezen plaats grijpt, een zekere gewaarwording van genot, en als
ware het een nasmaak van den zwijmel der eenige paringsvlucht in haar
gansche leven. Ook hier zou dan de natuur, die nooit zoo vindingrijk is
of zooveel heimelijke voorzorgen en afwisseling heeft als waar het de
lagen der liefde geldt, er voor gezorgd hebben, het belang der soort te
ondersteunen door een genot. Laten wc echter elkaar goed verstaan en ons
niet door onze uitlegging laten bedriegen. Als we aldus aan de natuur
gedachten toekennen En meenen, dat dit eene genoegzame verklaring is,
dan is 't als wierpen we een steen in een dier onmetelijke afgronden,
die men achter in sommige grotten vindt, en verbeelden we ons dan, dat
het geluid, hetwelk de steen maakt bij het neervallen, al onze vragen
zou beantwoorden en ons iets anders zou openbaren dan de onmetelijkheid
van den afgrond.
Wanneer men zoo zegt: de natuur wil dat, organiseert dit wonder, stelt
zich dat en dat ten doel, dan wil dit zeggen, dat een gering
levensverschijnsel zich, terwijl wij er ons juist mee bezig houden,
heeft kunnen handhaven op de enorme oppervlakte van de materie, die in
ons oog werkeloos is en die wij, ten onrechte, het niet of den dood
noemen. Een samenloop van omstandigheden, die volstrekt niet zoo
behoefde te zijn, heeft dit levensverschijnsel bestendigd te midden van
duizend andere, die misschien even interessant zijn, even zeer van
verstand getuigen, doch die niet zoo gelukkig waren, en voor immer
verdwenen zonder in de gelegenheid te zijn geweest onze verwondering te
wekken. Het zou vermetel zijn iets anders te beweren; en al het overige,
onze gedachten daar over, onze onverstoorbare teleologie, onze
verwachtingen en onze bewondering, dat alles is ten slotte niets dan het
onbekende, dat we tegen iets nog minder bekends aanwerpen, om een gering
geluid te voorschijn te roepen, dat ons den hoogsten trap van leven doet
kennen dien wij menschen kunnen bereiken op diezelfde zwijgende en
ondoordringbare oppervlakte; evenals het gezang van den nachtegaal en de
vlucht van den condor hun den hoogsten trap van leven voor hunne soort
openbaren. En desalniettemin blijft het een onzer onbetwistbare
plichten, dit kleine geluid te voorschijn te roepen, zoo dikwijls de
gelegenheid daartoe zich voordoet, zonder er ons door te laten
ontmoedigen, dat het waarschijnlijk ijdel is.