Wilden we het licht laten vallen op alle geheimen dezer meetkunstige
architektuur, dan hadden we nog meer dan één interessant vraagstuk te
onderzoeken, b.v. den vorm der eerste cellen welke aan het dak van den
korf worden vastgemaakt, en die in dien zin gewijzigd is, dat deze
cellen het dak op het grootst mogelijk aantal plaatsen raken.
We zouden ook onze aandacht moeten wijden, niet zoozeer aan de ligging
der groote straten, die bepaald wordt door het parallel-loopen der
raten, als wel aan de plaatsing der steegjes en gangetjes, die hier en
daar midden door of rondom de raten worden aangebracht om het vrije
verkeer en de ventilatie te bevorderen, en die met veel overleg zijn
verdeeld, om te lange omwegen of een mogelijk gedrang te voorkomen. En
eindelijk zouden we het bouwen der overgangscellen moeten bestudeeren,
het eenparig instinkt, dat de bijen er toe brengt op een gegeven
oogenblik de afmetingen hunner woningen te vergrooten, hetzij de
buitengewoon rijke oogst grootere bergplaatsen vordert, hetzij ze de
bevolking krachtig genoeg achten of dat de geboorte van darren vereischt
wordt. Terzelfder tijd zouden we dan de vernuftige zuinigheid en de
harmonische zekerheid bewonderen waarmee ze in zoo'n geval van de kleine
tot de groote of van de groote tot de kleine cel, van de volmaakte
symmetrie tot een onvermijdelijke onregelmatigheid overgaan, om zoodra
de wetten van hunne levende meetkunde het veroorlooven, terug te keeren
tot de ideale regelmaat, zonder dat ook maar één cel verloren gaat,
zonder dat er bij het bouwen één enkele wijk moet blijven leegstaan, of
getuigt van kinderachtigheid, aarzeling of ruwheid, zonder dat er ook
maar één enkel onbruikbaar stuk in hun gebouw voorkomt. Doch ik vrees,
dat ik me reeds in te veel bijzonderheden heb begeven, welke
onbelangrijk moeten zijn voor een lezer, die misschien nog nooit een
vlucht bijen met de oogen heeft gevolgd of er zich enkel terloops voor
heeft geïnteresseerd, zooals we allen terloops belangstellen in een
bloem, een vogel, een edelgesteente zonder er meer van te vragen dan
een oppervlakkige kennis, waar we maar half met onze gedachten bij zijn;
en zonder onszelven voldoende voor te houden, dat het geringste geheim
van een voorwerp, hetwelk we zien in de natuur, die niet is als de
menschen, misschien meer onmiddellijk deel heeft aan het diepzinnig
raadsel van onze bestemming en onzen oorsprong, dan het geheim onzer
hartstochten, die het meest den hartstocht opwekken en het liefst worden
bestudeerd.