XXI.

Wilden we het licht laten vallen op alle geheimen dezer meetkunstige

architektuur, dan hadden we nog meer dan één interessant vraagstuk te

onderzoeken, b.v. den vorm der eerste cellen welke aan het dak van den

korf worden vastgemaakt, en die in dien zin gewijzigd is, dat deze

cellen het dak op het grootst mogelijk aantal plaatsen raken.

We zouden ook onze aandacht moeten wijden, niet zoozeer aan de ligging

der groote straten, die bepaald wordt door het parallel-loopen der

raten, als wel aan de plaatsing der steegjes en gangetjes, die hier en

daar midden door of rondom de raten worden aangebracht om het vrije

verkeer en de ventilatie te bevorderen, en die met veel overleg zijn

verdeeld, om te lange omwegen of een mogelijk gedrang te voorkomen. En

eindelijk zouden we het bouwen der overgangscellen moeten bestudeeren,

het eenparig instinkt, dat de bijen er toe brengt op een gegeven

oogenblik de afmetingen hunner woningen te vergrooten, hetzij de

buitengewoon rijke oogst grootere bergplaatsen vordert, hetzij ze de

bevolking krachtig genoeg achten of dat de geboorte van darren vereischt

wordt. Terzelfder tijd zouden we dan de vernuftige zuinigheid en de

harmonische zekerheid bewonderen waarmee ze in zoo'n geval van de kleine

tot de groote of van de groote tot de kleine cel, van de volmaakte

symmetrie tot een onvermijdelijke onregelmatigheid overgaan, om zoodra

de wetten van hunne levende meetkunde het veroorlooven, terug te keeren

tot de ideale regelmaat, zonder dat ook maar één cel verloren gaat,

zonder dat er bij het bouwen één enkele wijk moet blijven leegstaan, of

getuigt van kinderachtigheid, aarzeling of ruwheid, zonder dat er ook

maar één enkel onbruikbaar stuk in hun gebouw voorkomt. Doch ik vrees,

dat ik me reeds in te veel bijzonderheden heb begeven, welke

onbelangrijk moeten zijn voor een lezer, die misschien nog nooit een

vlucht bijen met de oogen heeft gevolgd of er zich enkel terloops voor

heeft geïnteresseerd, zooals we allen terloops belangstellen in een

bloem, een vogel, een edelgesteente zonder er meer van te vragen dan

een oppervlakkige kennis, waar we maar half met onze gedachten bij zijn;

en zonder onszelven voldoende voor te houden, dat het geringste geheim

van een voorwerp, hetwelk we zien in de natuur, die niet is als de

menschen, misschien meer onmiddellijk deel heeft aan het diepzinnig

raadsel van onze bestemming en onzen oorsprong, dan het geheim onzer

hartstochten, die het meest den hartstocht opwekken en het liefst worden

bestudeerd.

Het leven der bijen · 第 73 / 136 题