Dat zijn nu eens wederzijdsche belemmeringen die een wonder
voortbrengen, evenals de ondeugden der menschen om dezelfde reden een
algemeene deugd ten gevolge hebben, voldoende om te maken dat het
menschenras, dikwijls zoo verfoeielijk in de individuen, het toch niet
is in zijn geheel. Men kan al dadelijk er tegen in brengen, wat
Broughman, Kirby en Spence, en andere geleerden dan ook gedaan hebben,
dat de proef met de erwten en de zeepbellen niets bewijst; want in beide
gevallen loopt die drukking uit op zeer onregelmatige vormen en
verklaart de reden van bestaan van den prismatischen bodem der cellen
nog niet.
Bovenal zou men kunnen antwoorden, dat er meer dan ééne wijze is om
partij te trekken van de blinde noodzakelijkheid, dat de kartonwesp, de
harige hommel, de meliponen en trigonen van Mexico en Brazilië, al zijn
de omstandigheden en het doel dezelfde, tot gansch andere en
onvergelijkelijk inferieure resultaten komen. Men zou er nog aan toe
kunnen voegen dat, zoo de cellen der bijen al gehoorzamen aan de wet der
kristallen, der sneeuw, der zeepbellen en der gekookte erwten van
Buffon, ze tevens door hunne algemeene symmetrie, door hunne plaatsing
ter weerszijden, door hunne nauwkeurig berekende helling enz., in
overeenstemming zijn met verscheidene andere wetten, die in de stof niet
voorkomen.
Men zou er nog bij kunnen voegen, dat het genie van den mensch ook voor
een gedeelte bestaat uit de wijze, waarop hij partij weet te trekken van
dergelijke noodzakelijkheden, en dat wanneer deze wijze ons de best
mogelijke lijkt, dit is omdat wij geen rechters boven ons hebben. Maar
't is maar goed, dat al die redeneeringen van nul en geener waarde zijn
bij de feiten zelf; en om een bezwaar tegen een proef uit den weg te
ruimen, is niets zoo dienstig als een andere proef.
Om er mij van te vergewissen, dat de zeshoekige bouw werkelijk in den
geest van de bij stond opgeteekend, heb ik eens midden uit een raat, op
een plaats waar zoowel broedsel was als volle honingcellen, een schijf
ter grootte van een gulden uitgesneden en weggenomen. Vervolgens sneed
ik dit stuk midden door langs zijne doorsnede dus volgens de dikte van
zijn omtrek, op het punt waar de pyramidale grondvlakken der cellen
bijeenkwamen, en legde op de grondvlakken van een der aldus verkregen
stukken een tinnen plaatje van dezelfde afmeting en zoo stevig, dat de
bijen het niet konden vervormen of verbuigen. Toen legde ik dit stuk,
voorzien van het ronde metalen plaatje, op de plaats vanwaar ik het
genomen had. Een der kanten van de raat had dus volstrekt niets
abnormaals, daar de schade aldus was hersteld, maar aan den anderen kant
zag men een groot gat, waarvan de bodem bestond uit het metalen plaatje
en dat de plaats van een dertig cellen innam. Eerst waren de bijen
geheel uit het veld geslagen; in massa kwamen ze dien onmogelijken
afgrond onderzoeken en bestudeeren, en gedurende verscheidene dagen
bewogen ze er zich druk om heen en beraadslaagden zonder tot eenig
besluit te komen. Maar daar ik ze iederen avond rijkelijk voedde, kwam
er een oogenblik, dat ze geen cellen meer beschikbaar hadden om er hun
voorraad in te verzamelen. Waarschijnlijk kregen de groote ingenieurs,
de bouwbijen en de wasvervaardigsters de opdracht partij te trekken van
dien nutteloozen afgrond.
Een dichte slinger van waswerksters hing zich daar om heen ten einde de
noodige warmte te verkrijgen, andere bijen daalden in het gat af en
begonnen met het metalen schijfje goed vast te maken, met behulp van
kleine staafjes was, die op gelijke afstanden op den omtrek werden
bevestigd, en vastgemaakt aan de hoeken van de omringende cellen. Toen
ondernamen ze het bouwen van drie of vier cellen in den bovensten halven
cirkel van het plaatje door ze aan de wassen staafjes vast te maken.
Ieder dezer overgangscellen was van boven min of meer misvormd om zich
aan te sluiten aan de aangrenzende cel van de raat, maar hare onderhelft
toekende steeds op het tin drie zeer duidelijke hoeken af, waaruit reeds
drie rechte lijntjes te voorschijn kwamen, die zeer regelmatig de eerste
helft van de volgende cel schetsten.
Na verloop van acht en veertig uur was de gansche oppervlakte van het
tin, hoewel er maar drie of op zijn hoogst vier bijen tegelijk konden
werken in de opening, bedekt met cellen. Deze waren beslist minder
regelmatig dan die van een gewone raat; wijselijk weigerde dan ook de
koningin, nadat zij ze doorloopen had, daarin hare eieren te leggen,
want er zou niet dan een verminkt geslacht uit te voorschijn zijn
gekomen. Doch ze waren alle volkomen zeshoekig; men zag er geen enkele
gebogen lijn, geen ronde vormen of hoeken aan. Toch waren hier alle
gewone omstandigheden gewijzigd, de cellen waren niet in een klomp
uitgehold zooals Huber dat had waargenomen, of in een kap van was zooals
bij Darwin, niet eerst cirkelvormig en vervolgens door de drukking
hunner buren in een zeshoekigen vorm gebracht. Er kon geen sprake zijn
van wederzijdsche belemmeringen, aangezien ze één voor één ontstonden en
geheel vrij op een soort onbeschreven blad de grondlijnen ontwierpen.
Het blijkt dus wel, dat de zeshoek niet een gevolg is van mechanischen
dwang, maar dat hij wel degelijk in het plan, in de ervaring, in het
verstand en den wil der bij zetelt. Een andere merkwaardige trek van
hunne scherpzinnigheid, die ik in 't voorbijgaan geef, is deze, dat de
celletjes, die zij op het ronde plaatje bouwden, geen anderen bodem
hadden dan het metaal zelf. Klaarblijkelijk veronderstelden de
ingenieurs van de ploeg werkvolk, dat het tin de vloeistof voldoende zou
tegenhouden, en hadden ze het dus onnoodig geoordeeld het met was te
bestrijken. Maar al spoedig daarna bemerkten ze waarschijnlijk, toen
enkele druppels honing in die bekertjes waren afgezet, dat deze
eenigszins veranderde door de aanraking met het metaal. Ze bedachten
zich toen en bekleedden de geheele oppervlakte van het tin met een soort
doorschijnend vernis.