XX.

Dat zijn nu eens wederzijdsche belemmeringen die een wonder

voortbrengen, evenals de ondeugden der menschen om dezelfde reden een

algemeene deugd ten gevolge hebben, voldoende om te maken dat het

menschenras, dikwijls zoo verfoeielijk in de individuen, het toch niet

is in zijn geheel. Men kan al dadelijk er tegen in brengen, wat

Broughman, Kirby en Spence, en andere geleerden dan ook gedaan hebben,

dat de proef met de erwten en de zeepbellen niets bewijst; want in beide

gevallen loopt die drukking uit op zeer onregelmatige vormen en

verklaart de reden van bestaan van den prismatischen bodem der cellen

nog niet.

Bovenal zou men kunnen antwoorden, dat er meer dan ééne wijze is om

partij te trekken van de blinde noodzakelijkheid, dat de kartonwesp, de

harige hommel, de meliponen en trigonen van Mexico en Brazilië, al zijn

de omstandigheden en het doel dezelfde, tot gansch andere en

onvergelijkelijk inferieure resultaten komen. Men zou er nog aan toe

kunnen voegen dat, zoo de cellen der bijen al gehoorzamen aan de wet der

kristallen, der sneeuw, der zeepbellen en der gekookte erwten van

Buffon, ze tevens door hunne algemeene symmetrie, door hunne plaatsing

ter weerszijden, door hunne nauwkeurig berekende helling enz., in

overeenstemming zijn met verscheidene andere wetten, die in de stof niet

voorkomen.

Men zou er nog bij kunnen voegen, dat het genie van den mensch ook voor

een gedeelte bestaat uit de wijze, waarop hij partij weet te trekken van

dergelijke noodzakelijkheden, en dat wanneer deze wijze ons de best

mogelijke lijkt, dit is omdat wij geen rechters boven ons hebben. Maar

't is maar goed, dat al die redeneeringen van nul en geener waarde zijn

bij de feiten zelf; en om een bezwaar tegen een proef uit den weg te

ruimen, is niets zoo dienstig als een andere proef.

Om er mij van te vergewissen, dat de zeshoekige bouw werkelijk in den

geest van de bij stond opgeteekend, heb ik eens midden uit een raat, op

een plaats waar zoowel broedsel was als volle honingcellen, een schijf

ter grootte van een gulden uitgesneden en weggenomen. Vervolgens sneed

ik dit stuk midden door langs zijne doorsnede dus volgens de dikte van

zijn omtrek, op het punt waar de pyramidale grondvlakken der cellen

bijeenkwamen, en legde op de grondvlakken van een der aldus verkregen

stukken een tinnen plaatje van dezelfde afmeting en zoo stevig, dat de

bijen het niet konden vervormen of verbuigen. Toen legde ik dit stuk,

voorzien van het ronde metalen plaatje, op de plaats vanwaar ik het

genomen had. Een der kanten van de raat had dus volstrekt niets

abnormaals, daar de schade aldus was hersteld, maar aan den anderen kant

zag men een groot gat, waarvan de bodem bestond uit het metalen plaatje

en dat de plaats van een dertig cellen innam. Eerst waren de bijen

geheel uit het veld geslagen; in massa kwamen ze dien onmogelijken

afgrond onderzoeken en bestudeeren, en gedurende verscheidene dagen

bewogen ze er zich druk om heen en beraadslaagden zonder tot eenig

besluit te komen. Maar daar ik ze iederen avond rijkelijk voedde, kwam

er een oogenblik, dat ze geen cellen meer beschikbaar hadden om er hun

voorraad in te verzamelen. Waarschijnlijk kregen de groote ingenieurs,

de bouwbijen en de wasvervaardigsters de opdracht partij te trekken van

dien nutteloozen afgrond.

Een dichte slinger van waswerksters hing zich daar om heen ten einde de

noodige warmte te verkrijgen, andere bijen daalden in het gat af en

begonnen met het metalen schijfje goed vast te maken, met behulp van

kleine staafjes was, die op gelijke afstanden op den omtrek werden

bevestigd, en vastgemaakt aan de hoeken van de omringende cellen. Toen

ondernamen ze het bouwen van drie of vier cellen in den bovensten halven

cirkel van het plaatje door ze aan de wassen staafjes vast te maken.

Ieder dezer overgangscellen was van boven min of meer misvormd om zich

aan te sluiten aan de aangrenzende cel van de raat, maar hare onderhelft

toekende steeds op het tin drie zeer duidelijke hoeken af, waaruit reeds

drie rechte lijntjes te voorschijn kwamen, die zeer regelmatig de eerste

helft van de volgende cel schetsten.

Na verloop van acht en veertig uur was de gansche oppervlakte van het

tin, hoewel er maar drie of op zijn hoogst vier bijen tegelijk konden

werken in de opening, bedekt met cellen. Deze waren beslist minder

regelmatig dan die van een gewone raat; wijselijk weigerde dan ook de

koningin, nadat zij ze doorloopen had, daarin hare eieren te leggen,

want er zou niet dan een verminkt geslacht uit te voorschijn zijn

gekomen. Doch ze waren alle volkomen zeshoekig; men zag er geen enkele

gebogen lijn, geen ronde vormen of hoeken aan. Toch waren hier alle

gewone omstandigheden gewijzigd, de cellen waren niet in een klomp

uitgehold zooals Huber dat had waargenomen, of in een kap van was zooals

bij Darwin, niet eerst cirkelvormig en vervolgens door de drukking

hunner buren in een zeshoekigen vorm gebracht. Er kon geen sprake zijn

van wederzijdsche belemmeringen, aangezien ze één voor één ontstonden en

geheel vrij op een soort onbeschreven blad de grondlijnen ontwierpen.

Het blijkt dus wel, dat de zeshoek niet een gevolg is van mechanischen

dwang, maar dat hij wel degelijk in het plan, in de ervaring, in het

verstand en den wil der bij zetelt. Een andere merkwaardige trek van

hunne scherpzinnigheid, die ik in 't voorbijgaan geef, is deze, dat de

celletjes, die zij op het ronde plaatje bouwden, geen anderen bodem

hadden dan het metaal zelf. Klaarblijkelijk veronderstelden de

ingenieurs van de ploeg werkvolk, dat het tin de vloeistof voldoende zou

tegenhouden, en hadden ze het dus onnoodig geoordeeld het met was te

bestrijken. Maar al spoedig daarna bemerkten ze waarschijnlijk, toen

enkele druppels honing in die bekertjes waren afgezet, dat deze

eenigszins veranderde door de aanraking met het metaal. Ze bedachten

zich toen en bekleedden de geheele oppervlakte van het tin met een soort

doorschijnend vernis.

Het leven der bijen · 第 72 / 136 题